Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT7494

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
10/02441
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT7494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Omvang rechtsstrijd in appel. Naar vaste rechtspraak rechtsstrijd niet enkel en definitief omlijnd door appeldagvaarding maar mede door in memorie van grieven voorgestelde grieven. Hof heeft bepaalde grieven ten onrechte niet in beoordeling betrokken, nu het niet heeft geoordeeld dat blijkens appeldagvaarding in de bestreden beslissingen werd berust. Art. 130 lid 3 Rv. heeft betrekking op verandering of vermeerdering (grondslag) vordering van (oorspronkelijke) eiser en niet op uitbreiding in memorie van grieven van bereik eis tot vernietiging vonnis waarvan appel. Geen aanleiding in zodanig geval voor (overeenkomstige) toepassing art. 130 lid 3 Rv. indien geïntimeerde niet is verschenen. Wederpartij appellant dient in beginsel ervan uit te gaan dat omlijning hoger beroep eerst bij memorie van grieven haar definitieve vorm zal krijgen (vgl. HR 27 april 1990, LJN AB8149 en LJN AB8150, NJ 1991/121 en 122).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 343
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/4
NJB 2012/29
NJ 2013/24 met annotatie van H.J. Snijders
JWB 2011/621
JBPR 2012/24 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2011

Eerste Kamer

Nr. 10/02441

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], voorheen genaamd B.V. [A],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

ADVIESGROEP EUROHAVE B.V.,

gevestigd te Zeist,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en afzonderlijk als [eiseres 1] en [eiser 2], en Eurohave.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 185545/HA ZA 04-2229 van de rechtbank Utrecht van 22 december 2004, 23 november 2005 en 21 november 2007;

b. het arrest in de zaak 200.005.808 van het gerechtshof te Amsterdam van 2 maart 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Eurohave is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat en door mr. I.C. Blomsma.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 20 oktober 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor hetgeen in cassatie tot uitgangspunt dient wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 - 1.20. Kort gezegd gaat het in cassatie om het volgende.

(i) Tussen partijen is een geschil gerezen na beëindiging van hun samenwerking met betrekking tot het bemiddelen van verzekeringen, hypotheken en financieringen.

(ii) In eerste aanleg heeft in conventie Eurohave van [eiseres 1] gevorderd, samengevat,

- primair het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de door haar beheerde gelden en de (assurantie)portefeuille van Eurohave, op verbeurte van een dwangsom bij niet nakoming, alsmede betaling van het saldo dat haar blijkens de rekening en verantwoording zou toekomen; subsidiair, indien mocht blijken dat door [eiseres 1] geen deugdelijke administratie is gevoerd, vervangende schadevergoeding;

- en voorts vergoeding door [eiser] c.s. van de schade die Eurohave stelt te hebben geleden doordat [eiseres 1] de (assurantie)portefeuille van Eurohave heeft verkocht aan een derde.

In reconventie hebben [eiser] c.s. van Eurohave gevorderd, samengevat,

- primairhet afleggen van rekening en verantwoording over de assurantie- en hypotheekportefeuille van [eiseres 1], op verbeurte van een dwangsom bij niet nakoming, alsmede betaling van het saldo dat hun blijkens de rekening en verantwoording zou toekomen; subsidiair, indien mocht blijken dat door Eurohave geen deugdelijke administratie is gevoerd, vervangende schadevergoeding;

- en voorts medewerking van Eurohave op verbeurte van een dwangsom aan opheffing van de ten behoeve van haar gestelde bankgarantie.

[Eiser 2] heeft in reconventie van Eurohave vergoeding gevorderd van de schade die hij heeft geleden als gevolg van ten laste van hem gelegde conservatoire beslagen.

(iii) De rechtbank heeft bij tussenvonnis in conventie en reconventie aan [eiser] c.s. bewijs opgedragen. Na de bewijslevering heeft de rechtbank bij haar eindvonnis als volgt (samengevat) beslist.

In conventie is [eiseres 1] veroordeeld

- onder 3.1 en 3.2 van het dictum tot het afleggen van rekening en verantwoording over de door haar beheerde gelden en de (assurantie)portefeuille van Eurohave in de periode van 1 mei 1999 tot de dag van de dagvaarding (21 juli 2004), zulks op verbeurte van een dwangsom;

- onder 3.3 tot betaling van het saldo na rekening en verantwoording;

- onder 3.4 tot schadevergoeding wegens de overdracht aan een derde van de (assurantie)portefeuille van Eurohave;

- onder 3.5 in de beslagkosten;

- onder 3.6 in de proceskosten;

met onder 3.7 uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring en onder 3.8 afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Onder 3.9 heeft de rechtbank de vordering van Eurohave voor zover gericht tegen [eiser 2] afgewezen met onder 3.10 veroordeling van Eurohave in de proceskosten.

In reconventie is Eurohave veroordeeld

- onder 3.11 en 3.12 van het dictum tot het afleggen van rekening en verantwoording over de door haar afgesloten hypotheken en daaraan gerelateerde levensverzekeringen alsmede de daarmee gegenereerde provisie ten aanzien van de assurantie- en hypotheekportefeuille van [eiseres 1] in de periode van 1 mei 1999 tot 1 september 2001, zulks op verbeurte van een dwangsom;

- onder 3.13 tot betaling van het saldo na rekening en verantwoording;

met onder 3.14 uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring, onder 3.15 compensatie van de proceskosten en onder 3.16 afwijzing van het meer of anders gevorderde.

(iv) [Eiser] c.s. hebben tegen de beide hiervoor genoemde vonnissen hoger beroep ingesteld. Het petitum van de appeldagvaarding, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.15, kan als volgt worden samengevat. Onder nader aan de voeren gronden vorderen [eiser] c.s. "verbetering en aanvulling " van "het vonnis" - waarmee zij kennelijk bedoelen het eindvonnis - van de rechtbank, te weten door

(1) het geven van een verklaring voor recht dat Eurohave toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting uit hoofde van de rekening-courantrelatie met [eiseres 1];

(2-4 en 6) Eurohave te veroordelen tot een aantal betalingen aan [eiseres 1] en betaling uit hoofde van de provisieafspraak aan [eiser 2], een en ander zoals in dat petitum nader aangegeven;

(5) Eurohave te veroordelen in de kosten van de beide instanties, daaronder begrepen de kosten van de beslagen en van de bankgarantie en "de gevolgschade".

Ten slotte vorderen [eiser] c.s. "Voor het overige, te weten in reconventie 3.11, 3.12, 3.13, 3.14 en 3.16 bekrachtiging van het vonnis a quo" en uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring van het arrest.

(v) Eurohave is in hoger beroep niet verschenen.

(vi) Bij memorie van grieven, die tevens een "akte vermeerdering eis" bevat, hebben [eiser] c.s. onder meer grieven gericht tegen de beslissingen die de rechtbank in het dictum van haar eindvonnis in conventie onder 3.1 tot en met 3.4 en onder 3.7 heeft gegeven.

Het petitum van die memorie bevat, naast enige wijzigingen ten opzichte van de in het petitum van de appeldagvaarding onder 1-4 en 6 geformuleerde reconventionele vorderingen van [eiser] c.s., een vordering tot vernietiging van het genoemde tussenvonnis van de rechtbank en van de beslissingen in het eindvonnis in conventie onder 3.1 - 3.7, en in reconventie onder 3.15 en 3.16, alsmede onder 3.14 "voor zover dat ziet op onderdelen waartegen beroep".

3.2.1 Bij het bestreden arrest heeft het hof in rov. 4.3 geoordeeld, kort samengevat, dat [eiser] c.s. in de appeldagvaarding niet voldoende duidelijk vernietiging hebben gevorderd van de in het eindvonnis van de rechtbank in conventie gegeven beslissingen onder 3.1 tot en met 3.4 en onder 3.7 en dat uit de appeldagvaarding ook niet blijkt van bezwaren tegen die beslissingen.

Dit brengt, aldus het hof in rov. 4.4, met zich dat het hof bij de beoordeling van het onderhavige hoger beroep geen acht slaat op de grieven die zijn gericht tegen die beslissingen van de rechtbank en dat daarom de daarin neergelegde verplichtingen van [eiseres 1] in hoger beroep niet aan de orde zijn. In rov. 4.5 laat het hof daarop volgen dat slechts de grieven tegen de in het eindvonnis van de rechtbank (in conventie) onder 3.5, 3.6 en (in reconventie) onder 3.15 gegeven beslissingen en de in de appeldagvaarding aangekondigde vermeerdering van eis (welke kennelijk mede een grief tegen de onder 3.16 van het eindvonnis gegeven beslissing betreft) in hoger beroep aan de orde kunnen komen, omdat blijkens de inhoud van de appeldagvaarding het voor Eurohave kenbaar was dat [eiser] c.s. op deze punten een andere beslissing wilden uitlokken.

3.2.2 Uit een en ander blijkt dat het hof voor het in de beoordeling van het hoger beroep kunnen betrekken van de grieven die [eiser] c.s. hebben gericht tegen de beslissingen in conventie - waarin zij gedaagden waren - onder 3.1 tot en met 3.4 en 3.7 van het dictum van het eindvonnis van de rechtbank, de eis heeft gesteld dat het voor Eurohave uit de appeldagvaarding kenbaar was dat [eiser] c.s. hun hoger beroep mede richtten tegen die beslissingen.

3.2.3 Aldus heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de omvang van de rechtsstrijd in appel. Die wordt naar vaste rechtspraak immers niet enkel en definitief omlijnd door de appeldagvaarding maar mede door de in de memorie van grieven voorgestelde grieven. Blijkens art. 343 lid 1 Rv. behoeft de appeldagvaarding immers niet de middelen uit te drukken waarop het hoger beroep is gegrond, zodat de appellant bij het opstellen daarvan zijn aandacht nog niet op een scherpe omlijning van het hoger beroep behoeft te richten. Weliswaar sluit het voorgaande niet uit dat de appellant de omvang van het door hem ingestelde hoger beroep in de appeldagvaarding kan beperken in dier voege dat hij daarvan in de memorie van grieven niet kan terugkomen, maar daartoe is een ondubbelzinnige verklaring in de dagvaarding nodig, waaruit de wederpartij redelijkerwijs moet afleiden dat voor het overige in het vonnis wordt berust (vgl. HR 27 april 1990, LJN AB8149 en LJN AB8150, NJ 1991/121 en 122).

Nu het hof niet heeft geoordeeld dat [eiser] c.s. blijkens de appeldagvaarding in vorenbedoelde zin hebben berust in de meergenoemde beslissingen - waarvoor de appeldagvaarding trouwens ook geen aanknopingspunten biedt - diende het hof de tegen die beslissingen bij de memorie van grieven gerichte grieven in zijn beoordeling van het hoger beroep te betrekken. De op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel 2 slagen.

3.3 Opmerking verdient dat voor zover het hof ook voor zijn oordeel in rov. 4.3 tot en met 4.5 overeenkomstige toepassing heeft gegeven aan, althans aansluiting heeft gezocht bij hetgeen in art. 130 lid 3 Rv. is bepaald ten aanzien van een verandering of vermeerdering van eis, het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van die bepaling en dat de daarop gerichte klachten van onderdeel 1 eveneens gegrond zijn.

Het derde lid van art. 130 Rv. heeft immers betrekking op verandering of vermeerdering van (de grondslag van) de vordering van de (oorspronkelijke) eiser en niet op de uitbreiding in de memorie van grieven van het bereik van de eis tot vernietiging van het vonnis waarvan appel is ingesteld. Er bestaat geen aanleiding, en het contradictoir beginsel dwingt ook niet ertoe, in een zodanig geval het derde lid van art. 130 Rv. van (overeenkomstige) toepassing te achten indien de geïntimeerde niet is verschenen. Zoals is overwogen in de hiervoor genoemde arresten van 27 april 1990, dient de wederpartij van de appellant in beginsel ervan uit te gaan dat de omlijning van het hoger beroep eerst bij de memorie van grieven haar definitieve vorm zal krijgen en dat de appellant in beginsel vrij is bij die memorie tegen elk onderdeel van het vonnis grieven te richten. Art. 130 lid 3 Rv. beschermt de niet verschenen geïntimeerde/oorspronkelijke gedaagde alleen tegen de verandering en vermeerdering van de vordering van de appellant/oorspronkelijke eiser omdat de gedaagde niet onkundig behoort te zijn van hetgeen waartoe hij jegens de eiser kan worden veroordeeld. Slechts voorzover de grieven een niet uit de appeldagvaarding kenbare verandering of vermeerdering van de vordering inhouden dienen zij op de voet van art. 353 lid 1 in verbinding met art. 130 lid 3 Rv. aan de niet verschenen geïntimeerde te worden betekend, zoals het hof terecht in rov. 4.1 en 4.2 met betrekking tot de in de memorie van grieven opgenomen vermeerdering van eis van [eiser] c.s. tot uitgangspunt heeft genomen. Daaronder vielen - ook naar het kennelijke oordeel van het hof - niet de door het hof buiten de orde van het hoger beroep geplaatste grieven van [eiser] c.s. reeds omdat die grieven niet (beslissingen op) de vorderingen van [eiser] c.s. betroffen maar beslissingen op de vordering van Eurohave.

3.4 Het voorgaande brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 2 maart 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Eurohave in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 2.974,11 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 december 2011.