Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT7487

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
10/01812
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT7487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Jegens Eilandgebied ingestelde vordering tot overdracht grond. Oordeel dat onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van onrechtmatige daad, hetzij onjuist, hetzij onbegrijpelijk. Bestuurscollege zonder toestemming Eilandsraad weliswaar onbevoegd Eilandgebied tegenover derden te verbinden, maar dit neemt niet weg dat zodanig concrete verwachtingen kunnen zijn gewekt dat het onrechtmatig is daarop gebaseerd vertrouwen te beschamen. Noodzakelijk dat bewuste gedragingen in maatschappelijk verkeer als gedragingen van Eilandgebied zelf hebben te gelden. In onderhavig geval slechts onder bijzondere omstandigheden plaats voor oordeel dat die gedragingen onrechtmatig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/92
NJ 2012/34
NJB 2012/181
O&A 2012/23
JWB 2012/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2011

Eerste Kamer

10/01812

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De erven van wijlen [betrokkene 1],

wonende op [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

HET EILANDGEBIED SINT EUSTATIUS,

zetelend te Sint Eustatius,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. I.E. Reimert.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de erven, of [verzoekers] en het Eilandgebied.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak AR no. 19 van 2007 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Eustatius, van 18 maart 2008 en 10 juni 2008;

b. het vonnis in de zaak AR 19/07 - H 138/09 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 januari 2010.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof hebben de erven beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Eilandgebied heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 25 augustus 1965 heeft de voorzitter-secretaris van het toenmalige bestuurscollege Bovenwindse Eilanden afdeling Sint Eustatius aan [betrokkene 2] in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van appellanten in de procedure van [A] e.a. contra [betrokkene 3] geschreven:

"Het Bestuurscollege Bovenwindse Eilanden afdeling St. Eustatius verbindt zich hiermede te kopen, het 2/9 deel verminderd met 1/324 deel van het bij de Openbare Verkoop van 13 februari 1965 door [betrokkene 3] aangekochte stuk land bekend als Roots.

Het B.C. voornoemd verbindt zich voorts om het hierboven genoemde stuk grond door te verkopen voor dezelfde prijs aan hen, die, naast [betrokkene 3] vóór de openbare verkoop in het totaal gerechtigd waren, zodra deze hun rechten tegenover het Bestuurscollege hebben aangetoond.

Het B.C. voornoemd neemt voor zijn rekening de kosten van opmeting en overdracht aan vier groepen participanten, t.w. de groepen [B], [C], [D] en [E].

De koopprijzen zullen worden betaald uit de onder de Administrateur van St. Eustatius gestorte opbrengst van de openbare verkoop d.d. 13 februari 1965."

Het in deze brief vermelde 2/9 deel van de door het Eilandgebied van [betrokkene 3] aan te kopen terrein wordt hierna aangeduid als "de grond".

(ii) Bij brief van 10 mei 1976 aan de "Heer hypotheekbewaarder op St. Eustatius" heeft mr. H. van Breda, rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats St. Eustatius, onder meer het volgende geschreven:

"Onder verwijzing naar het gesprek dat ik op vrijdag 9 april j.l. in de ochtenduren met U mocht hebben en naar de inhoud van de aan U gerichte brieven gedateerd 30 januari 1976 en 6 april 1976, van de heer Directeur van het Departement van Financiën, deel ik U mede dat naar mijn inzicht na aanbrenging van de door evengenoemde Directeur aanbevolen verbeteringen in de onder U berustende openbare registers het eerste obstakel is verdwenen dat in de weg stond aan de overdracht aan en verdeling onder de families [F], [E], [G], [H], [B] en [C] van het door [betrokkene 3] destijds ten behoeve van deze families aan het Eilandgebied overgedragen tweenegende gedeelte van "THE ESTATES KNOWN AS FAIRPLAY, ROOTS AND MOUNTAIN PIECE".

Er zijn thans, voorzover ik zie, drie stadia waarin deze affaire dient te worden afgehandeld:

1. overdracht van voormeld tweenegende gedeelte ineens door het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden, afdeling Sint Eustatius aan alle rechthebbenden; (...)

2. verdeling van het overgedragen tweenegende gedeelte, hetwelk reeds kadastraal in zeven gelijke positie is uitgemeten, onder de rechthebbende families; (...)

3. verdeling van elk der gelijke delen over de rechthebbenden binnen elke familiegroep; dit zal een kwestie van langere termijn zijn.

Gaarne reken ik op Uw medewerking in deze. Ik moge wel verzoeken om copieën van deze brief te willen overhandigen aan de volmachthouders van de families (...). Zelf richt ik mij bij brieven van heden aan de Heer Administrateur [betrokkene 4], de Heer Gedeputeerde [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en doe hen daarbij afschriften van deze brief toekomen."

(iii) Bij een op 12 juni 1976 gedateerd, en door hem ondertekend schriftelijk stuk heeft [betrokkene 5] onder meer het volgende verklaard:

"The undersigned [betrokkene 5] certifies that the following are facts given from my knowledge of land transactions proposed and completed during my term as Deputy and member of the Executive Council of the Island of Saint Eustatius:

[Betrokkene 3] of Island Estates, did purchase at public auction the entire Estate Fairplay. An agreement had been previously reached by and between [betrokkene 3] and the Island Governement that should he be the succesfull bidder at auction, he would transfer at proportionally the same price paid at auction a piece of land which had been presurveyed (...) for distribution to heirs of six family units."

Onder deze verklaring staat het volgende vermeld, ondertekend door [betrokkene 7]:

"In my capacity as a Governement official I certify that The above is correct and accurate and this information was known to be contained in official Governement files."

(iv) Het Bestuurscollege van Sint Eustatius heeft bij brief van 3 december 2001, ondertekend door de Wnd. gezaghebber [betrokkene 8] en de Eilandssecretaris [betrokkene 9], aan de Directeur der belastingen te Curaçao geschreven:

"In het jaar 1965 werd door [betrokkene 3] aan het Eilandgebied St. Eustatius overgedragen een perceel grond, met de bedoeling dat die grond later zou worden verdeeld en overgedragen aan zes (6) families. De overdracht aan het Eilandgebied was een tijdelijke oplossing van een geschil tussen [betrokkene 3] en de zes families, allen aanvankelijk mede-eigenaren van de grond.

[Betrokkene 3], die een aantal andere families had uitgekocht, wilde scheiden en delen, waarna de rechter in eerste aanleg openbare verkoop beval.

[Betrokkene 3] kocht het geheel van de grond op de veiling en voor de zes families werd een bedrag in geld gereserveerd, overeenkomende met hun aandeel in de grond.

De zes families gingen tegen deze gang van zaken in beroep, hetgeen leidde tot een compromis gesloten ten overstaan van een rechter van het Hof, waarbij werd overeengekomen dat [betrokkene 3] het voor de zes families bedoelde stuk grond aan het Eilandgebied zou overdragen tegen het eerder door [betrokkene 3] aan het Eilandgebied na de veiling door [betrokkene 3] betaalde bedrag.

Van de verbintenis van het Eilandgebied om van [betrokkene 3] te kopen en later aan de zes families te leveren blijkt uit bijgevoegde brief van 25 augustus 1965 van het Eilandgebied aan de toenmalige advocaat van deze families. In genoemde brief verbond het Eilandgebied zich ook om voor vier van de families ([B], [C], [D] en [E]) de kosten van de meting en overdracht voor haar rekening te nemen.

Om allerlei redenen is het nog steeds niet tot overdracht aan de zes families gekomen. Wel werd een verdeling gemaakt en werden meetbrieven vervaardigd, mede naar aanleiding van de bemoeienis van het Gerecht in Eerste Aanleg blijkens een brief van rechter mr. Van Breda van 10 mei 1976.

Het ziet er thans naar uit dat een begin gemaakt kan worden met overdracht aan de zes families. Gezien de door het Eilandgebied op zich genomen verbintenis de kosten van de overdracht aan in ieder geval vier families op zich te nemen, kan dit tot onoverkomelijke financiële lasten leiden voor het Eilandgebied, aangezien thans vier procent (4%) overdrachtsbelasting is verschuldigd over de aanzienlijk gestegen waarde van de grond, indien men er althans niet van uit gaat dat het op zich nemen door het Eilandgebied van de kosten van een overdracht gelijkgesteld kan worden met een overdracht aan het Eilandgebied, welke overdracht vrij is van overdrachtsbelasting, of wellicht de betreffende vrijstelling kan worden opgerekt.

In verband met het vorenstaande verzoekt het Eilandgebied U:

- hetzij te verklaren dat op grond van de betreffende wet op de overdrachtsbelasting, de overdrachtsbelasting in bovenvermelde zaak niet is verschuldigd;

- hetzij aan het Eilandgebied vrijstelling te verlenen van de betaling van overdrachtsbelasting bij overdracht aan de voornoemde verbintenis van 25 augustus 1965 genoemde families ([B], [C], [D], [E])."

(v) Bij een op 4 mei 2004 gedateerde brief hebben de Lt. Governor Gittens en de Adj. Island Secretary Marsdin onder vermelding van referentienummer 0097/04, aan [betrokkene 10] geschreven:

"With reference to our discussions of April 13th, 2004 the Executive Council hereby confirms its intent to do all necessary to facilitate the transfer of the land at Fair Play to the [E] Group of families as soon as possible."

(vi) Bij brief van 9 juni 2006 heeft [betrokkene 10] voornoemd aan the Executive Council, Island Territory of St. Eustatius geschreven:

"Reminder to transfer Fair Play to the [E] group of families. On May 24, 2004 I received your letter #0097/04 in which your council promised to transfer the above referenced land to the [E] group of families 'as soon as possible'. As two years have since passed without the land being transferred I hereby request your esteemed council to transfer the land in question within two weeks."

3.2.1 In dit geding hebben de erfgenamen van [betrokkene 1] gevorderd, kort samengevat, dat het Eilandgebied zal worden veroordeeld het hun toekomende gedeelte van de grond aan hen in eigendom over te dragen, de daarover verschuldigde overdrachtsbelasting te betalen, en de door hen wegens de late levering geleden schade te vergoeden. Zij legden primair aan hun vordering ten grondslag, zakelijk weergegeven, dat het Eilandgebied zich tegenover [betrokkene 3] tot deze overdracht heeft verbonden, dat daarin voor hen het recht ligt besloten nakoming van die verplichting te vorderen, en dat zij dit beding hebben aanvaard. Subsidiair baseerden zij hun vordering op onrechtmatige daad. Daartoe voerden zij aanvankelijk aan dat zij eigenaar van de grond waren, zodat het Eilandgebied de grond onrechtmatig in bezit hield.

3.2.2 Het Eilandgebied wierp voor alle weren een ontvankelijkheidsverweer op betreffende de identiteit van de erven. Het betwistte voorts dat het gehouden was het door de erven bedoelde gedeelte van de grond, die in zijn geheel aan het Eilandgebied in eigendom toebehoort, aan hen te leveren. Voor zover in de hiervoor in 3.1 onder (i) bedoelde brief uit 1965 mede een beding ten behoeve van [betrokkene 1] lag besloten, was het Bestuurscollege immers onbevoegd de in die brief bedoelde, aan dat beding ten grondslag liggende, toezegging te doen. De bevoegdheid daartoe kwam uitsluitend toe aan de Eilandsraad, zoals is bepaald in art. 24 lid 1 en art. 36 lid 2, aanhef en onder e, in verbinding met art. 105 Eilanden Regeling Nederlandse Antillen (ERNA). Ten slotte deed het Eilandgebied een beroep op verjaring.

3.2.3 Het gerecht in eerste aanleg heeft aanvankelijk een tussenvonnis gewezen waarin het [verzoekers] in staat stelde in te gaan op vorenbedoeld ontvankelijkheidsverweer. In zijn eindvonnis heeft het gerecht echter overwogen dat de vorderingen hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking kwamen en dus werden afgewezen, omdat het beroep van het Eilandgebied op onbevoegdheid van het Bestuurscollege gegrond is.

Om dezelfde reden kwam ook de vordering tot schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking en kon de juistheid van het beroep op verjaring van het Eilandgebied in het midden blijven.

3.2.4 In het hiertegen door hen ingestelde hoger beroep hebben de erven, onder meer met een beroep op de hiervoor in 3.1 vermelde correspondentie, met hun eerste grief aangevoerd dat het gerecht het beroep van het Eilandgebied op onbevoegdheid van het Bestuurscollege ten onrechte gegrond heeft geacht, en voorts hun subsidiair gedane beroep op onrechtmatige daad anders onderbouwd dan zij in eerste instantie hadden gedaan. Deze onrechtmatigheid is naar hun stellingen, mede tegen de achtergrond van voormelde correspondentie, gelegen in de volgende feiten en omstandigheden, in samenhang bezien.

(i) [Betrokkene 3] heeft de grond aan het Eilandgebied overgedragen in het kader van een regeling van het dispuut dat [betrokkene 3] had met de zes families die mede-eigenaar waren van de grond, onder wie [E].

(ii) Het Eilandgebied heeft zich ertoe verbonden op zijn kosten de grond door te leveren aan de families die daarop recht hebben in verhouding tot aanvankelijk [betrokkene 3], en inmiddels het Eilandgebied.

(iii) In 1976 zijn ten overstaan van mr. H. van Breda, rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, concrete afspraken gemaakt over de stappen die Het Eilandgebied zou nemen om zijn verplichtingen na te komen; hiervan blijkt uit de hiervoor in 3.1 onder (ii) aangehaalde brief van 10 mei 1976 van mr. Van Breda.

(iv) Het Eilandgebied heeft ook nadien diverse malen de belofte gedaan zijn verplichting tot doorlevering te zullen nakomen, en daartoe voorbereidingen getroffen. Onder meer heeft het Eilandgebied de terreinen van de betrokken families al laten opmeten. Onder deze omstandigheden brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur mee dat het Eilandgebied onrechtmatig handelt door het vertrouwen te beschamen dat door deze beloften en gedragingen is gewekt.

3.2.5 Het hof heeft in zijn thans bestreden vonnis van 29 januari 2010 het vonnis waarvan beroep bevestigd. Het stelde voorop dat het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen (rov. 2.5). Tegen deze achtergrond, en gelet op de artikelen art. 24 lid 1 en art. 36 lid 2, aanhef en onder e in verbinding met art. 105 ERNA, slaagt het verweer van het Eilandgebied tegen de primaire grondslag van de vordering omdat het Bestuurscollege onbevoegd was zonder toestemming van de Eilandsraad het Eilandgebied tegenover derden te verbinden. In de brief van 10 mei 1976 van mr. H. van Breda zijn geen concrete afspraken met de Eilandsraad vermeld. Daaruit komt slechts naar voren dat de gedeputeerde [betrokkene 5] bij de bemiddelingspoging van mr. Van Breda was betrokken (rov. 2.6-2.10). De vorderingen zijn evenmin toewijsbaar op grond van onrechtmatige daad. De stelling dat de grond aan het Eilandgebied is overgedragen door [betrokkene 3] ten behoeve van zes families, onder wie de familie [E] - als onderdeel het totale terrein dat door [betrokkene 3] is overgedragen - is daartoe onvoldoende. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het Eilandgebied jegens de erven onrechtmatig handelt door geen uitvoering geven aan de gestelde wil van [betrokkene 3].

Ook overigens hebben de erven onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een onrechtmatige daad (rov. 2.11). De erven hebben aangeboden bewijs te leveren van al hun stellingen. Het hof passeert dit bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd (rov. 2.14).

3.3 De in het middel aangevoerde klachten tegen de verwerping door het hof van de primaire grondslag van de vordering, kunnen niet tot cassatie leiden.

Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4.1 Wat betreft de klachten die zijn gericht tegen de verwerping door het hof van de subsidiaire grondslag van de vordering, wordt het volgende vooropgesteld (vgl. HR 25 juni 2010, LJN BN0930, NJ 2010/371).

3.4.2 Weliswaar was het Bestuurscollege zonder toestemming van de Eilandsraad onbevoegd het Eilandgebied te verbinden tot doorlevering van de onderhavige grond aan de desbetreffende zes families, onder wie [E], welke onbevoegdheid kenbaar was uit de wet, in dit geval de Eilanden Regeling Nederlandse Antillen (ERNA).

Maar dit neemt niet weg dat op grond van

- het doel van de overdracht van de grond door [betrokkene 3] aan het Eilandgebied, waarover ook hierna in 3.4.4,

- de daarbij aansluitende geruststellende verklaringen van achtereenvolgende gezagsdragers van het Eilandgebied - aanvankelijk, in 1965, het toenmalige Bestuurscollege en daarna, in 2001 en 2004, in de hiervoor in 3.1 onder (iv) en (v) aangehaalde brieven, het Bestuurscollege in zijn latere samenstelling en de Lt. Governor en de Adj. Island Secretary - en

- de daarmee strokende uitvoeringshandelingen van het doen opmeten van de aan ieder van de betrokken zes families toekomende grond en het doen uitgeven van meetbrieven, tegenover de betrokkenen, onder wie aanvankelijk [E] en nadien diens erven, zodanig concrete verwachtingen kunnen zijn gewekt dat het onrechtmatig is het daarop gebaseerde vertrouwen te beschamen, hetgeen dan een onrechtmatige daad van het Eilandgebied zelf zou opleveren. Daarvoor is in de eerste plaats noodzakelijk dat die gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van het Eilandgebied zelf hebben te gelden.

3.4.3 Uit de volgende feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld:

- dat de bevoegdheidsverdeling in de toenmalige ERNA onmiskenbaar is,

- dat in een democratische rechtsstaat groot gewicht toekomt aan een zodanige bevoegdheidsverdeling,

- dat, zoals het hof heeft overwogen, het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen, en

- dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens vertrouwen dat is gewekt door een onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling, ook al moet deze worden bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, met een en ander niet gemakkelijk is te rijmen, volgt dat slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor het oordeel dat de gedragingen waarop de subsidiaire grondslag van de vordering is gebaseerd, als gedragingen van het Eilandgebied zelf, jegens [verzoekers] onrechtmatig zijn.

3.4.4 In dit verband is echter ook van belang dat in dit geding vaststaat dat de hiervoor in 3.4.2 bedoelde verwachtingen met name waren gebaseerd op de in diezelfde overweging al genoemde omstandigheid dat de grond door [betrokkene 3] in 1965 aan het Eilandgebied is overgedragen om een conflict op te lossen dat bestond tussen hem en degenen die aanvankelijk mede-eigenaren waren, dat het Bestuurscollege klaarblijkelijk aan de oplossing van dit conflict wilde bijdragen door aan [betrokkene 3] toe te zeggen deze grond door te leveren aan degenen die daarop in verhouding tot [betrokkene 3] rechthebbenden waren, en dat het Eilandgebied als grondeigenaar aldus in een bijzondere vertrouwenspositie kwam te staan tegenover enerzijds [betrokkene 3] en anderzijds de vorenbedoelde rechthebbenden.

3.5 In het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.1-3.4.4 is overwogen, is het oordeel van het hof in rov. 2.11 dat [verzoekers] onvoldoende feiten of omstandigheden hebben gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van een onrechtmatige daad, hetzij gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onbegrijpelijk gemotiveerd. Dit oordeel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting als het hof het hiervoor in 3.4.1-3.4.4 overwogene heeft miskend. Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel tegenover de hiervoor in 3.2.4 weergegeven stellingen van de erven, in samenhang met de hiervoor in 3.1 aangehaalde feiten en omstandigheden, onbegrijpelijk. Ook het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod van de erven onvoldoende is gespecificeerd, is in dit licht onbegrijpelijk.

3.6 De hierop gerichte klachten van het middel treffen doel. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 29 januari 2010;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt het Eilandgebied in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 23 december 2011.