Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT7123

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10/04999
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT7123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Voorwaardelijk opzet. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AE9049. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte eenmaal met kracht een duw heeft gegeven tegen de linkerschouder van de aangever. Het daarop steunende oordeel van het Hof dat verdachte, ook afgezien van de vraag of hij weet had van de bijzondere gevoeligheid van de linkerschouder van de aangever, door met kracht een duw tegen die schouder te geven bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor letsel en/of pijn zou ondervinden, is - gelet op hetgeen de algemene ervaring leert - niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/12
RvdW 2012/22
NJB 2012/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2011

Strafkamer

nr. 10/04999

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 februari 2010, nummer 20/002989-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte opzettelijk [verbalisant 1] heeft mishandeld.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks 25 augustus 2007 te 's-Hertogenbosch opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Brabant Noord), met kracht heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering, met weglating van de voetnoten waarop deze steunt:

"Aangever [verbalisant 1] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard:

(...) Tevens doe ik aangifte van mishandeling (...).

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben - zakelijk weergegeven - het volgende bevonden:

Op 25 augustus 2007 waren wij, [verbalisant 1] (hoofdagent van politie regio Brabant Noord) en [verbalisant 2] (brigadier van politie regio Brabant Noord) belast met algemeen toezicht in de gemeente 's-Hertogenbosch. Omstreeks 23.23 uur kregen wij de melding dat er zojuist op de Cypresstraat een man getracht had de melder neer te steken. Wij zijn daarop naar de Cypresstraat gereden.

Er werd besloten over te gaan tot aanhouding van [medeverdachte]. Ik, [verbalisant 1], schermde de aanhouding van de verdachte [medeverdachte] af. Ik zag dat er meerdere jongeren uit de groep op de aanhouding afkwamen.

Ik duwde hierbij een jongen weg. Ik voelde dat deze persoon mij met kracht en opzet tegen mijn linkerschouder duwde, alwaar ik een stekende pijn voelde. Ik ben op 12 april jl. aan deze schouder geopereerd omdat die schouder in het verleden viermaal uit de kom is geweest.

(...)

Ik zag dat deze persoon in het aangezicht erg veel leek op de verdachte [medeverdachte]. Ik heb derhalve het vermoeden dat deze persoon een broer is van de verdachte [medeverdachte], vermoedelijk een oudere broer.

(...)

Gedurende mijn nachtdienst van 25 op 26 augustus heb ik pijn in mijn linkerschouder gevoeld.

Verdachte [verdachte] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard:

Op 25 augustus 2007 omstreeks 23.30 uur ben ik met twee vrienden in een auto naar het Marokkaans buurthuis gereden, waar ik allemaal Marokkaanse jongens buiten zag staan. Even daarna kwam de politie en gebeurde er erg veel. Ik zag dat mijn broertje genaamd [medeverdachte] (veel later) door de politie werd aangehouden. Een aantal buurtvaders probeerde ons tegen en rustig te houden. Ik was het niet eens met de aanhouding van mijn broertje. Ik wilde niet hebben dat mijn broertje [medeverdachte] werd aangehouden. Ik riep tegen de politie dat ze mijn broertje los moesten laten. Dat schreeuwde ik naar de politie.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft - zakelijk weergegeven - bevonden:

Op 26 augustus (het hof begrijpt in het jaar 2007) stopte er een personenauto bij het politiebureau te 's-Hertogenbosch waaruit een Marokkaanse man van ongeveer 20-25 jaar oud stapte. Ik zag dat hij kort zwart haar had en dat hij veel leek op de mij ambtshalve bekende [medeverdachte].

Toen wij later die nacht op het politiebureau een gesprek hadden met de Marokkaanse jongeren en de buurtvaders was deze man ook aanwezig. Deze man gaf toen te kennen de oudere broer van [medeverdachte] te zijn.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft - zakelijk weergegeven - bevonden:

Aan mij werd een pasfoto getoond. Ik herkende de persoon op de foto als de persoon die mij heeft mishandeld (...). Ik heb van dit feit op 26 augustus 2007 aangifte gedaan.

Ik zag dat de persoon op de foto was genaamd:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].

(...)

Getuige [getuige] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard:

De mogelijkheid bestond dat [verdachte] de persoon was waar collega [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal over sprak.

Ik heb toestemming gekregen van de officier van justitie om een foto op te vragen bij de burgerlijke stand van [verdachte], ter fine van confrontatie met collega [verbalisant 1].

Ik heb collega [verbalisant 1] de foto van [verdachte] die wij hadden ontvangen van de burgerlijke stand voorgehouden. Collega [verbalisant 1] herkende onmiddellijk bij het zien van de foto de persoon waarover hij sprak in zijn proces-verbaal.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(...)

Ten slotte heeft de verdediging ten aanzien van de mishandeling vrijspraak bepleit om reden dat het vereiste opzet ontbreekt op het toebrengen van pijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] geeft in zijn proces-verbaal van bevindingen aan dat de verdachte hem met kracht en opzet een duw tegen zijn linkerschouder gaf en dat hij daarvan pijn heeft ondervonden.

Het hof is van oordeel dat verdachte door het met kracht geven van een duw willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] daarvan pijn zou ondervinden.

Voor zover de raadsman het verweer heeft gevoerd dat verdachte geen weet had van de bijzondere gevoeligheid van de linkerschouder van aangever, is het hof van oordeel dat ook afgezien van deze omstandigheid verdachte door met kracht tegen het lichaam van aangever te duwen het risico van toebrengen van pijn op de koop toe heeft genomen.

Het verweer wordt mitsdien - in al haar onderdelen - verworpen."

3.4. Blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof het opzet van de verdachte op het toebrengen van letsel en/of pijn in voorwaardelijke vorm bewezen geacht. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het toebrengen van letsel en/of pijn - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003/552).

3.5. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte eenmaal met kracht een duw heeft gegeven tegen de linkerschouder van de aangever. Het daarop steunende oordeel van het Hof dat de verdachte, ook afgezien van de vraag of hij weet had van de bijzondere gevoeligheid van de linkerschouder van de aangever, door met kracht een duw tegen die schouder te geven bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor letsel en/of pijn zou ondervinden, is - gelet op hetgeen de algemene ervaring leert - niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is derhalve in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 december 2011.