Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT6456

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/04257 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT6456
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Openlijke geweldpleging in een tram. Aanhoudingsverzoek. De afwijzing door het Hof van het verzoek van de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden en hem een kopie van de camerabeelden te doen verstrekken, zodat hij deze voorafgaand aan een nadere zitting kan bekijken, is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 281
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 8
NBSTRAF 2012/8
NJ 2011/562
RvdW 2011/1472
NJB 2011/2265

Uitspraak

22 november 2011

Strafkamer

nr. 10/04257 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 september 2010, nummer 22/004455-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 03 april 2009 te Delft met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een tram, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het

- trappen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en trappen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] en

- stompen/slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 1] en

- liggen bovenop [slachtoffer 1] en

- plaatsen van de vingers in het oor en de neus van [slachtoffer 1] en

- trappen tegen de rug van [slachtoffer 2]."

2.2. Het middel klaagt dat het Hof onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden, heeft afgewezen.

2.3. De procesgang in deze zaak is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest:

(i) de zaak is in eerste aanleg door de Kinderrechter behandeld ter terechtzitting van 7 juli 2009 en 27 augustus 2009. De van die zittingen opgemaakte processen-verbaal houden in dat de verdachte werd bijgestaan door mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage;

(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juli 2009 houdt in dat de Kinderrechter aldaar heeft medegedeeld dat zij "de originele beelden van de beveiligingscamera's wil zien om duidelijkheid te krijgen over de rol van verdachte"

en daartoe het onderzoek heeft geschorst "tot de terechtzitting van 27 augustus 2009 te 11.45 uur teneinde de Officier van Justitie in de gelegenheid te stellen op deze zitting de originele beelden van de beveiligingscamera's te tonen";

(iii) het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 augustus 2009 houdt in dat de Officier van Justitie aldaar de beelden van de beveiligingscamera's bij de tram heeft getoond in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman;

(iv) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2010 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat er camerabeelden zijn van hetgeen zich op 3 april 2009 in de tram heeft afgespeeld. De advocaat-generaal heeft de beelden opgevraagd en het hof heeft deze voorafgaand aan de onderhavige terechtzitting bekeken.

De raadsman deelt hierop mede dat hij heeft begrepen dat er van meerdere camera's beelden zijn en dat hij wenst te weten welke beelden het hof precies heeft bekeken.

De voorzitter deelt mede dat er afspeelapparatuur klaarstaat en dat de beelden nu zullen worden bekeken.

De advocaat-generaal deelt mede dat op de beelden van de camera's nummer 5 en nummer 8 het beste te zien is wat er in de tram is gepasseerd. De advocaat-generaal toont vervolgens eerst de door camera nummer 5 opgenomen beelden en daarna de door camera nummer 8 opgenomen beelden. Bij het bekijken van de beelden van camera nummer 5 verklaart de verdachte als volgt:

Het gevecht begon met [betrokkene 1] en de beveiliger (hof: [slachtoffer 1]) en ik wilde daar niet bij zijn. Ik wilde langs het gevecht, naar voren in de tram gaan. Het klopt dat de beveiliger met zijn arm voor mij langs stond. Ik wilde erlangs want ik wilde naar voren. Ik duwde de beveiliger niet.

De raadsman deelt hierop mede dat het hem opvalt dat hij op het beeld een mevrouw met een witte hoed ziet die ook naar voren in de tram wil gaan. Hij weet niet of deze mevrouw één van de medeverdachten is, maar hij denkt van niet omdat de groep van de verdachte uit alleen mannen bestond. De raadsman deelt mede dat hij aldus vaststelt dat ook personen buiten de groep van de verdachte naar voren in de tram wilden gaan.

De voorzitter deelt mede dat op de beelden kan worden waargenomen dat een persoon met een wit hoofddeksel een beweging naar voren maakt, maar dat niet goed te zien is of het een vrouw dan wel een man betreft.

Na het bekijken van de beelden deelt de raadsman mede dat hij het hof verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden en hem een kopie van de camerabeelden te doen verstrekken, zodat hij deze voorafgaand aan een nadere zitting kan bekijken. Ter toelichting op zijn verzoek deelt de raadsman mede dat hij merkt dat er nogal wat verschillen zitten tussen de interpretatie van de beelden door het hof en de advocaat-generaal enerzijds en de interpretatie van de verdediging anderzijds. Daar wenst de raadsman in zijn pleitnota puntsgewijs op te kunnen reageren.

De advocaat-generaal, door de voorzitter naar haar standpunt gevraagd, deelt mede dat zij zich verzet tegen het verzoek van de raadsman, daar de eigen waarneming van het hof niet door de verdediging kan worden ingevuld.

De raadsman deelt hierop mede dat hij nog wenst toe te voegen dat het hof en de advocaat-generaal de beelden al voorafgaand aan de zitting hebben bekeken, terwijl hij en zijn cliënt de beelden nu voor het eerst zien, op een flits van de beelden ter terechtzitting in eerste aanleg na.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof de behandeling van de zaak voor vijfenveertig minuten zal onderbreken, in welk tijdsbestek de raadsman de zittingszaal tot zijn beschikking krijgt om daar samen met de verdachte de beelden te bekijken. Het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden wordt afgewezen, omdat het een jeugdzaak betreft en in verband daarmee een voortvarende afdoening van de behandeling van de zaak moet worden nagestreefd.

De raadsman deelt hierop mede:

De verdediging wenst geen gebruik te maken van het aanbod, omdat het volstrekt ontoereikend is. Het doel van mijn verzoek is iets anders dan het beeld voor beeld kunnen bekijken van de camerabeelden. Waar het om gaat is dat een eventueel cassatieberoep wegens onvoldoende feitelijke grondslag zou falen indien mijn opmerkingen over de beeldafdrukken niet in mijn pleitnota dan wel in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zijn terug te lezen.

De voorzitter deelt de raadsman hierop mede dat hij bij pleidooi kan aangeven of hij de beelden nog nader wenst te bestuderen, dan wel daarover opmerkingen kan maken.";

(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2010 houdt voorts in dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt geen hernieuwd verzoek in tot aanhouding teneinde de camerabeelden nader te bestuderen noch enige opmerking daaromtrent. Ook het proces-verbaal bevat dienaangaande geen opmerkingen.

2.4. De raadsman heeft het Hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en hem een kopie van de camerabeelden te doen verstrekken, zodat hij deze voorafgaand aan een nadere zitting kan bekijken. De raadsman heeft zijn verzoek aldus toegelicht dat hij in zijn pleitnota wenst te kunnen reageren op de door het Hof en de Advocaat-Generaal ter terechtzitting in hoger beroep gegeven interpretatie van de getoonde beelden. Het Hof heeft de afwijzing van dat verzoek kennelijk daarop gebaseerd dat het belang van een voortvarende afdoening van de behandeling van de onderhavig jeugdzaak in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan de belangen die de verdediging blijkens hetgeen de raadsman daartoe ter terechtzitting heeft aangevoerd met het verzoek nastreeft.

Dat oordeel is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raadsman, aan wie reeds ter terechtzitting in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdachte de camerabeelden waren getoond van hetgeen zich op 3 april 2009 in de tram heeft afgespeeld, ter terechtzitting in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte beelden van die gebeurtenis heeft bekeken en daarover opmerkingen heeft gemaakt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de raadsman in de gelegenheid is gesteld tijdens een onderbreking van de behandeling samen met de verdachte de beelden (nader) te bekijken, van welke gelegenheid de raadsman geen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij bij pleidooi niet te kennen heeft gegeven dat hij de beelden nog nader wenst te bestuderen en over die beelden ook geen opmerkingen heeft gemaakt, hoewel hij door het Hof nog eens uitdrukkelijk op die mogelijkheid was gewezen.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 22 november 2011.