Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT6412

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/03095 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT6412
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Niet is voldaan aan het vereiste ex art. 511g.2 jo. 415 en 359.3 Sv, dat de uitspraak op een vordering a.b.i. art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend (vgl. HR LJN BK2125). Weliswaar heeft het Hof delen van het i.h.k.v. het strafrechtelijk financieel onderzoek opgemaakte rapport als bewijsmiddel gebezigd, doch die delen behelzen wat betreft de inkomsten en uitgaven, waaruit zou moeten worden afgeleid tot welk bedrag betrokkene onverklaarde inkomsten heeft verkregen, slechts conclusies van de verbalisanten die het rapport hebben opgemaakt en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 6
NBSTRAF 2012/6
RvdW 2011/1481

Uitspraak

22 november 2011

Strafkamer

nr. 10/03095 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juli 2010, nummer 23/005616-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van EUR 32.887,67 heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bovengenoemde bewezenverklaarde feiten.

Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en gaat uit van de volgende berekening. Blijkens het financieel rapport van 17 mei 2005 is het wederrechtelijk genoten voordeel in 2001 gesteld op EUR 37.275,17.

Het hof is van oordeel dat op dit bedrag in mindering dient te worden gebracht:

- Correcties over het jaar 2001 -EUR 733,31

Totaal:EUR 36.541,86

Aandeel medeveroordeelde [medeveroordeelde] (10%)-EUR 3.654,19

Wederrechtelijk verkregen voordeelEUR 32.887,67."

2.3. De aanvulling houdende bewijsmiddelen houdt het volgende in:

"1. Een geschrift, zijnde een rapport strafrechtelijk financieel onderzoek, d.d. 17 november 2005, naar waarheid opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk financieel specialist en hoofd BEO, beiden werkzaam bij het Bureau Financiële Ondersteuning van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op verzoek van de officier van justitie, mr. M.C. Hollander, werd door ons uitvoering gegeven aan het instellen van SFO's (het hof begrijpt: een strafrechtelijk financieel onderzoek) tegen de veroordeelden [betrokkene] en [medeveroordeelde]. [Medeveroordeelde] is de vriendin/partner van [betrokkene]. Zij hebben samen twee kinderen. [Betrokkene] staat in 2001 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] en [medeveroordeelde] staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats].

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend op basis van een uitgebreide kasopstelling.

Uit het onderzoek is niet gebleken dat [betrokkene] legale inkomsten heeft genoten. Wel heeft hij na zijn aanhouding op 13 november 2001 verklaard neveninkomsten te hebben tot een bedrag van NLG 3000,- (het hof begrijpt: EUR 1361,34, dat als legale inkomsten op het totaalbedrag aan uitgaven in mindering is gebracht). Verder wilde hij niet over zijn financiën praten. Hoewel niet onderbouwd zijn genoemde neveninkomsten als zakelijke ontvangsten in de kasopstelling verwerkt. Bij de belastingdienst zijn geen inkomensgegevens van [betrokkene] bekend.

In het onderzochte tijdvak genoot [medeveroordeelde] een uitkering van de gemeente Hilversum ingevolge de Algemene Bijstandswet. Het totaal ontvangen bedrag is (inclusief Kinderbijslag en tegemoetkoming studiekosten) als legaal inkomen verantwoord middels de bankrekening (het hof begrijpt: EUR 10.549,94 dat als legale inkomsten op het totaalbedrag aan uitgaven in mindering is gebracht).

Gerubriceerde weergave (Grootboek)

In het hierna volgende overzicht is de verdeling in jaren dan wel periode te zien van de inkomsten en bestedingenpatroon:

gr. bk. code 2001

1 Beginsaldi Fin. Rek -0,12

115 Aankoop diversen-11.893,11

131 Privé diverse -10.678,10

132 Privé verzekeringen -3.057,73

134 Woonlasten/huur -4.694,22

135 Nutsbedrijven -5.327,33

137 Loterijen -161,09

140 Autokosten/mutaties -5.383,90

145 Kstn boten/mutaties -912,31

165 Intrest/kosten -35,75

180 Loon/ salaris/kb 10.549,94

182 Beslag 94a Sv -6.971,40

197 Ontvangsten zakelijk 1.361,34

331 Belastingen -10,44

999 Eindsaldi -60,95

Totaal:-37.275,17

2. Een geschrift, zijnde een aanvulling op het rapport strafrechtelijk financieel onderzoek d.d. 29 mei 2006, naar waarheid opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk financieel specialist en hoofd BEO, beiden werkzaam bij het Bureau Financiële Ondersteuning van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

In dit rapport geven wij een aanvulling op het Rapport Strafrechtelijk Financieel onderzoek (SFO) d.d. 17 november 2005, uitgebracht contra:

[betrokkene] en [medeveroordeelde].

Ter zake van het 'rapport aanvullende kasmutaties' wordt het volgende opgemerkt:

Post C-006

Abusievelijk werd in de opstelling van de reserveringskosten en huishoudelijke uitgaven één maand teveel berekend. Verschil derhalve NLG 794,00 + NLG 822,00 = NLG 1.616,00 (EUR 733,31). Er is nu uitgegaan van 10,5 maand in plaats van 11,5 maand in 2001."

2.4. Ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 359, derde lid, Sv dient de uitspraak op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend (vgl. HR 12 januari 2010, LJN BK2125). De bestreden uitspraak voldoet niet aan dit vereiste.

Weliswaar heeft het Hof delen van de inhoud van het in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek opgemaakte rapport als bewijsmiddel gebezigd, doch die delen behelzen wat betreft de inkomsten en uitgaven waaruit zou moeten worden afgeleid tot welk bedrag de betrokkene onverklaarde inkomsten heeft verkregen, slechts de conclusies van de verbalisanten die het desbetreffende rapport hebben opgemaakt en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. De bestreden uitspraak is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 november 2011.