Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT2915

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/02395
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Schorsing en hervatting; art. 225-227 Rv. Onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in art. 226 lid 1 Rv. valt mede te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van disciplinaire maatregel, hetzij op andere wettelijke grond. Indien schorsing voor korte tijd, dan kan rechter zaak aanhouden tot schorsing voorbij is. Duurt schorsing langer, dan dient schorsing kenbaar te worden gemaakt aan wederpartij door mededeling op of via rol. Wederpartij kan geding dan onmiddellijk weer doen hervatten (art. 228 Rv.). Benadeling vereist voor geslaagd beroep op nietigheid van na schorsing verrichte rechtshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/18
RvdW 2011/1545
NJ 2012/514 met annotatie van H.B. Krans
JWB 2011/603
JBPR 2012/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2011

Eerste Kamer

10/02395

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 250971/HA ZA 05-3396 van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2006, 30 augustus 2006 en 9 januari 2008;

b. het arrest in de zaak 105.007.847 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 maart 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Blijkens het arrest van het hof was de advocaat van [eiser] c.s. ten tijde van het wijzen van dat arrest geschorst. Dit wordt vermeld bij de namen van partijen en hun advocaten en in rov. 9 overweegt het hof dit met zoveel woorden. Middel I klaagt, naar de Hoge Raad begrijpt, dat het hof heeft miskend dat door de schorsing van de advocaat van [eiser] c.s. het geding op grond van art. 226 lid 1 Rv. van rechtswege was geschorst en dat het hof om die reden geen uitspraak kon doen, nu de schorsing van de advocaat reeds was ingegaan op het in art. 226 lid 2 in verbinding met 225 lid 4 Rv. genoemde tijdstip dat de dag was bepaald voor het arrest van het hof.

3.2 De aan het middel ten grondslag liggende opvatting is juist. Art. 226 lid 1 Rv. bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, het geding van rechtswege wordt geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest. Ratio van deze bepaling is de desbetreffende partij te beschermen tegen de gevolgen van het feit dat zij niet langer in de procedure is vertegenwoordigd ten gevolge van een van de beide in het artikel genoemde omstandigheden. Van dit feit zal zij niet altijd op de hoogte zijn, zonder dat haar dit valt toe te rekenen, hetgeen rechtvaardigt dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt, anders dan bij de schorsingsoorzaken die genoemd worden in art. 225 lid 1 Rv., waarbij de schorsing eerst intreedt na betekening van de schorsingsgrond aan de wederpartij. Gelet op deze ratio - die opgeld doet onafhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt voortduurt -, dient art. 226 lid 1 Rv. aldus te worden uitgelegd dat onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in die bepaling mede valt te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van een disciplinaire maatregel die is ingegaan, hetzij op een andere wettelijke grond, zoals faillissement (art. 16 Advocatenwet). Genoemde ratio doet zich immers ook bij deze schorsing voor.

Hierbij tekent de Hoge Raad met het oog op de eisen van de praktijk het volgende aan. Indien de schorsing van een advocaat slechts voor korte tijd is uitgesproken, zal de rechter de zaak kunnen aanhouden tot die schorsing voorbij is. Met het einde van de schorsing van de advocaat eindigt ook van rechtswege de schorsing van het geding op grond van art. 226 lid 1 Rv. Hetzelfde geldt als zich een andere advocaat voor de betrokken partij stelt. Duurt de schorsing van de advocaat, naar het oordeel van de (rol)rechter, langer dan gelet op de aard van de procedure of de belangen van de wederpartij aanvaardbaar is, zonder dat die advocaat vervangen wordt, dan dient de schorsing van de procedure ten gevolge van de schorsing van de advocaat door de (rol)rechter kenbaar te worden gemaakt aan de wederpartij - voor zover deze daarvan niet reeds op de hoogte is -, bijvoorbeeld door mededeling op of via de rol. De wederpartij heeft dan op grond van art. 228 Rv. de mogelijkheid het geding onmiddellijk weer te doen hervatten in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond, door een exploot uit te brengen waarin dit wordt aangezegd aan de partij van wie de advocaat is geschorst, onder (i) oproeping op de voet van art. 227 lid 2 Rv. tegen de zitting waarop de zaak zal worden voorgezet, (ii) mededeling van de schorsing van het geding en de reden daarvan, en (iii) aanzegging dat een andere advocaat gesteld moet worden.

3.3 De stelling van het middel dat de schorsing van de advocaat van [eiser] c.s. reeds was ingegaan op het tijdstip dat de dag was bepaald voor het arrest van het hof - en het geding dus op grond van art. 226 Rv. geschorst was -, mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof en in de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. Uit een en ander blijkt niet meer dan dat de advocaat geschorst was. Indien echter in cassatie aanstonds als vaststaand kan worden aangenomen, of door eisers tot cassatie aanstonds voldoende wordt aangetoond, dat genoemd feit zich heeft voorgedaan en bij het hof bekend was ten tijde van het wijzen van zijn arrest, kan dat feit toch als grondslag dienen van een cassatieklacht. [Eiser] c.s. hebben in cassatie genoemde stelling op geen enkele wijze nader aannemelijk gemaakt door bescheiden of anderszins. Evenwel blijkt uit de door de Advocaat-Generaal ambtshalve opgevraagde rolkaart van het hof en brief van de geschorste advocaat van [eiser] c.s. van 4 december 2009 aan het hof - op welke beide stukken het middel een beroep doet, maar die [eiser] c.s. verzuimd hebben in cassatie over te leggen -, genoegzaam dat de advocaat van [eiser] c.s. al geruime tijd voor de datum waarop de dag is bepaald voor het arrest van het hof, was geschorst. In cassatie kan daarom worden uitgegaan van de juistheid van genoemde stelling van het middel.

3.4 Op grond van art. 226 lid 2 in verbinding met art. 225 lid 3 Rv. zijn proceshandelingen die verricht zijn nadat de schorsing bedoeld in deze artikelen is ingetreden, nietig. Voor een geslaagd beroep op deze nietigheid valt echter de eis te stellen dat degene die dat beroep doet, gemotiveerd stelt dat hij benadeeld is door het feit dat de procedure niet is stilgelegd en dat hij aldus is getroffen in het belang dat art. 226 Rv. beoogt te beschermen. Doet hij dat niet of met een motivering waaruit dit niet kan volgen, of is wat hij in dit verband aanvoert niet aannemelijk, dan kan de rechter aan het beroep op nietigheid van de in strijd met genoemde bepalingen plaatsgevonden hebbende proceserrichtingen voorbijgaan.

Aan genoemd vereiste is hier voldaan nu het middel aanvoert dat [eiser] c.s. de zaak in hoger beroep wensten te laten bepleiten door hun advocaat en dat pleidooi - waarvoor al een datum was bepaald - geen doorgang heeft gevonden als gevolg van de schorsing van die advocaat, en die stelling steun vindt in hetgeen is genoteerd op de hiervoor vermelde rolkaart van het hof.

3.5 Uit het vorenstaande volgt dat het middel gegrond is en dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. Middel II behoeft geen behandeling.

3.6 Nu [verweerder] c.s. de beslissing van het hof hebben uitgelokt noch verdedigd, worden de kosten van het cassatieberoep gereserveerd tot de einduitspraak.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 maart 2010;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] c.s. op € 287,86 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerder] c.s. op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 december 2011.