Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT2683

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
11/00716 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2683
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering naar de VS. De HR verwijst naar zijn arrest van 31 mei 2011 (LJN BQ4306) waarbij onder meer is bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting om te worden gehoord. Bij het onderzoek ter zitting van 30 augustus 2011 is onvoldoende aannemelijk geworden dat, naar de raadsman aldaar heeft gesteld, de opgeëiste persoon in verband met een medische behandeling in Italië verblijft en zich dus niet (meer) in Nederland bevindt, hetgeen in de weg zou staan aan zijn uitlevering door Nederland. De HR is ook overigens niet gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering zodat de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1218
NJB 2011/1895
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2011

Strafkamer

nr. S 11/00716

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:Pino [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1933, wonende te [woonplaats].

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 31 mei 2011. In dat arrest is de uitspraak van de Rechtbank te Middelburg van 20 december 2010, waarbij de verzochte uitlevering ontoelaatbaar was verklaard, vernietigd. Voorts is in dat arrest bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 28 juni 2011 is de opgeëiste persoon gehoord, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen. Op die zitting zijn de opgeëiste persoon en zijn raadsman op de voet van art. 26, tweede lid, Uitleveringswet in de gelegenheid gesteld tot het maken van ter zake dienende opmerkingen. Vervolgens is op vordering van de Advocaat-Generaal Silvis de verdere behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden tot de zitting van 30 augustus 2011.

1.3. Op laatstvermelde zitting is de opgeëiste persoon niet verschenen. De raadsman heeft aldaar verklaard op de voet van art. 29 Uitleveringswet in verbinding met art. 279 Sv door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd hem te verdedigen. Op die zitting heeft de Advocaat-Generaal Silvis een schriftelijke samenvatting van zijn opvatting omtrent het verzoek tot uitlevering overgelegd. Deze strekt tot de toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering.

2. Het verzoek tot uitlevering

2.1. Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij de nota nr. 130/10 van 18 augustus 2010 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage.

Door de verzoekende Staat zijn onder meer overgelegd:

a. een Affidavit in support of request for extradition van 21 juli 2010 van Judy A. Newcomb, District Attorney in Baldwin County District (Alabama);

b. een Affidavit van 21 juli 2010 van [getuige 1], Sergeant bij het Baldwin County Sheriff's Office;

c. een Indictment van november 1997 van de Grand Jury van het Circuit Court van Baldwin County (Alabama);

d. een Writ of arrest van 13 april 1998 van een Magistrate in voormeld Circuit Court;

e. de tekst van de relevante Amerikaanse wetsbepalingen.

3. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering

3.1. Op het verzoek is van toepassing het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) alsmede de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de Overeenkomst).

3.2. De persoon die is gehoord ter zitting van de Hoge Raad van 28 juni 2011, heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], voornoemd - de persoon op wie het uitleveringsverzoek betrekking heeft - en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

3.3. Het verzoek strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van de in de hiervoor onder 2.1 sub c vermelde Indictment omschreven feiten.

3.4. Deze feiten zijn krachtens het recht van de verzoekende Staat strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht kunnen zij op grond van de art. 242, 245, 246, 247 en/of 249 Sr eveneens worden bestraft met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Aan de vereisten van art. 4 van de Overeenkomst inzake de dubbele strafbaarheid is dus voldaan.

3.5.1. Ingevolge art. 9, derde lid onder b, van het Verdrag dient bij een verzoek tot uitlevering van een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging, het bewijsmateriaal te worden gevoegd dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd. De Hoge Raad is van oordeel dat - in aanmerking genomen dat het te dezen gaat om een verzoek tot uitlevering in het kader van een tegen de opgeëiste persoon ingesteld en nog lopend strafrechtelijk onderzoek - de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van art. 9, derde lid aanhef en sub b, van het Verdrag omtrent de bij het uitleveringsverzoek te voegen bescheiden. Zij voldoen ook aan de overige eisen van art. 9.

3.5.2. Hetgeen door de raadsman te dien aanzien is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

3.6.1. De raadsman heeft, met een beroep op art. 7, tweede lid, van het Verdrag en art. 10, tweede lid, Uitleveringswet, aangevoerd dat de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon aan uitlevering in de weg staat.

3.6.2. Het aangevoerde kan niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. Blijkens de tekst en geschiedenis van art. 10, tweede lid, Uitleveringswet is het de Minister van Justitie die - in de gevallen waarin het toepasselijk verdrag of een door Nederland bij toetreding gemaakt voorbehoud daartoe ruimte biedt - heeft te beslissen of zich het geval voordoet dat de gevolgen van de uitlevering voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met diens slechte gezondheidstoestand (vgl. HR 29 oktober 1985, LJN AC9078, NJ 1986/298).

3.7.1. De raadsman heeft onder verwijzing naar de straffen die blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde wetsbepalingen zijn bedreigd tegen de feiten ter zake waarvan de uitlevering is verzocht, waaronder "imprisonment, which imprisonment includes hard labor", gesteld dat de uitlevering in strijd is met art. 4, tweede lid, EVRM, inhoudende "No one shall be required to perform forced or compulsory labor".

3.7.2. De raadsman heeft - behoudens zijn enkele voormelde stelling - niets aangevoerd omtrent de aard van de op de feiten gestelde straf noch omtrent de wijze waarop zij wordt tenuitvoergelegd, in het bijzonder niet wat betreft de mogelijk te verrichten "hard labor". Zonder een dergelijke onderbouwing kan niet worden beoordeeld of en in hoeverre de oplegging van de bedreigde straf, met name wat betreft het in dat kader verrichten van "hard labor", in strijd zou zijn met het verbod van art. 4, tweede lid, EVRM inzake het verrichten van "forced or compulsory labor".

3.7.3. Opmerking verdient overigens dat ook hier de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, meebrengt dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 4 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 4 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.

4. Slotsom

Bij het onderzoek ter zitting van 30 augustus 2011 is onvoldoende aannemelijk geworden dat, naar de raadsman aldaar heeft gesteld, de opgeëiste persoon in verband met een medische behandeling in Italië verblijft en zich dus niet (meer) in Nederland bevindt, hetgeen in de weg zou staan aan zijn uitlevering door Nederland. De Hoge Raad is ook overigens niet gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart toelaatbaar de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika ter strafvervolging ter zake van de feiten zoals omschreven in de hiervoor onder 2.1 sub c vermelde Indictment.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 27 september 2011.