Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT2667

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10/02931
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2667
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afzien oproeping getuige. Art. 288.1 aanhef en onder b Sv. In ’s Hofs oordeel dat een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid van de getuige door het afleggen van een verklaring t.t.z. in gevaar zou worden gebracht, a.b.i. art. 288.1 aanhef en onder b Sv, ligt besloten dat dit gevaar voor de gezondheid van de getuige ook bestaat in geval van een verhoor door de R-C. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van een brief van de cardioloog en gelet op de door het Hof in aanmerking genomen kwaal van de getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

Strafkamer

nr. 10/02931

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 12 juli 2010, nummer 21/000238-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft afgezien van het oproepen van de getuige [getuige].

2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat de getuige [getuige] niet is verschenen nu de advocaat-generaal op 25 juni 2010 de oproeping van deze getuige heeft ingetrokken naar aanleiding van de brief van cardioloog J.M. Hartog van 21 juni 2010 met medische informatie over haar en de mededeling dat het medisch gezien onverantwoord is haar deel te laten nemen aan een rechtszitting.

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik heb afgelopen vrijdag 25 juni 2010 pas het faxbericht van de advocaat-generaal ontvangen met daarin de mededeling dat de oproeping van de getuige [getuige] voor deze terechtzitting is ingetrokken. Hierbij heb ik geen medische informatie over deze getuige aangetroffen.

De voorzitter overhandigt de raadsman een kopie van de medische informatie van getuige [getuige] en geeft de raadsman de gelegenheid dit stuk te bestuderen.

De raadsman vervolgt, zakelijk weergegeven:

Ik heb hierover nog geen contact gehad met mijn cliënt omdat hij moeilijk te bereiken is en ik vrijdagmiddag elders zittingsverplichtingen had.

Ik wil graag de gelegenheid krijgen om met mijn cliënt te overleggen of hij het verzoek tot het horen van getuige [getuige] wenst te handhaven of niet. Ik heb namelijk wel begrip voor het op dit moment afzien van het horen van deze getuige gelet op de medische verklaring.

Ik mis echter wel in de medische informatie of deze getuige voor altijd ziek is. Ik vraag mij af of deze getuige niet op een ander moment kan worden gehoord.

Ook vraag ik mij af of getuige [getuige] wel juist is geïnformeerd over de zwaarte van een dergelijke zitting aangezien ik slechts enkele vragen aan haar wil stellen. Misschien kan deze getuige wel door de rechter-commissaris worden gehoord.

Als de zaken worden gesplitst, kunnen vandaag de feiten met betrekking tot de incidenten van 29 oktober 2008 worden afgedaan. De feiten van 1 juli 2008 kunnen dan worden aangehouden.

De advocaat-generaal merkt op dat voor de voortgang van het onderzoek ter terechtzitting het haar verstandig lijkt als de raadsman uitgaat van de meest verstrekkende vorm van het verzoek, namelijk het handhaven van het verzoek tot het horen van getuige [getuige].

De raadsman deelt mede dat hij zich hierin kan vinden en wijzigt zijn standpunt in zoverre dat hij het verzoek tot het horen van getuige [getuige] handhaaft. De raadsman verzoekt het hof hierover een beslissing te nemen.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Naar mijn oordeel is de oproeping terecht ingetrokken vanwege de gezondheid en het welzijn van getuige [getuige]. Uit het dossier komt naar voren dat zij als gevolg van de incidenten van 1 juli 2008 zwaar is getroffen. Hierbij komt nu het bericht van de cardioloog Hartog. Het is algemeen bekend dat iemand niet snel beter wordt van hartfalen. Gelet hierop acht ik het onverantwoord haar te laten deelnemen aan de terechtzitting, ook bij de rechter-commissaris. De medische toestand van een getuige is een wettelijke weigeringsgrond om van het horen af te zien en daarom verzoek ik het hof dan ook om op die grond het verzoek tot het horen van deze getuige af te wijzen.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede dat de medische informatie voldoende duidelijk is en dat het hof het verzoek van de raadsman tot het horen van getuige [getuige] afwijst, nu de aard van de kwaal van deze getuige niet de verwachting rechtvaardigt dat haar medische situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging.

Voorafgaande aan zijn pleidooi heeft de raadsman als primaire standpunt nogmaals verzocht om aanhouding van de zaak teneinde getuige [getuige] te horen. De raadsman deelt hierbij onder meer mede dat hij bezwaren heeft tegen de conclusie van het hof dat iemand niet beter wordt van hartfalen. Tevens acht de raadsman het hof onvoldoende deskundig om tot een dergelijke conclusie te komen."

2.2.2. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande het volgende in:

"De raadsman heeft voorafgaande aan zijn pleidooi ter terechtzitting van het hof als primair standpunt verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de getuige [getuige] te horen.

Het hof zal dit verzoek afwijzen op dezelfde grond als in het (verkorte) proces-verbaal is vermeld."

2.2.3. De in voormeld proces-verbaal genoemde brief van de cardioloog J.M. Hartog van 21 juni 2010 houdt onder meer het volgende in:

"Betreft:

(...)

[Getuige]

(...)

Naar aanleiding van onderstaande is het voor patiente medisch gezien onverantwoord om aan de rechtszitting deel te nemen.

Voorgeschiedenis:

Cardiaal:

CABG juni 2005: LIMA op de LAD, veneuze jumpgraft

MO-RDP.

10 september 2008 PCI RCA + LAD

Rest angina pectoris NYHA II

Niet Cardiaal:

DMII

Hypertensie

Adipositas

Status na cholecystectomie

Astmatische bronchitis

(...)

Controle: 3 maanden."

2.3. De beslissing van het Hof om af te zien van het oproepen van de getuige [getuige] komt erop neer dat een gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheid van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar zou worden gebracht, zoals bedoeld in art. 288, eerste lid aanhef en onder b, Sv. Daarin ligt besloten dat dit gevaar voor de gezondheid van de getuige ook bestaat in geval van een verhoor door de rechter-commissaris. Dit oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de hiervoor onder 2.2.3 vermelde brief en gelet op de door het Hof in aanmerking genomen aard van de kwaal van de getuige.

2.4. Voor zover het middel ertoe strekt te betogen dat het Hof de belangen van de getuige en de verdachte niet heeft afgewogen mist het feitelijke grondslag nu in het oordeel van het Hof ligt besloten dat het voorkomen van voormeld gevaar voor de gezondheid van de getuige zwaarder weegt dan het belang van de verdachte om de getuige ter terechtzitting te kunnen (doen) ondervragen.

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 december 2011.