Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT2551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10/01695
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweerexces. Het Hof laat in het ongewisse of het de f&o die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk acht dan wel die f&o het beroep op noodweerexces niet rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1440
NJB 2011/2220

Uitspraak

15 november 2011

Strafkamer

nr. 10/01695

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 8 april 2010, nummer 21/001195-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 18 maart 2007 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die ander - terwijl die ander op de grond lag - meermalen tegen diens lichaam heeft getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 23 maart 2007 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, district Eemland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2007 (PL0940/07-091233, dossierpagina 28 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2007 zag ik dat er in de Haversteeg in Amersfoort kennelijk twee groepen met elkaar in gevecht waren. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 2] uitstapte en liep in de richting van de Haversteeg. Ik zag dat een mij onbekende lange man op een man die op de grond lag aan het intrappen was. Ik zag dat deze man dit met kennelijke kracht deed met zijn rechter been. lk zag dat mijn collega [verbalisant 2] zijn pepperspray ter hand nam en de dader direct in het gezicht sprayde.

Ik sprak de verdachte die was gepepperd door collega [verbalisant 2] aan en deelde hem mede dat hij was aangehouden. De verdachte bleek te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende [a-straat 1] te [woonplaats].

2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 23 maart 2007 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, district Eemland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2007 (PL0940/07-091233, dossierpagina 31 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 18 maart 2007 bevond ik mij met collega [verbalisant 1] op het Hof te Amersfoort. Wij stonden voor de Haversteeg. Ik zag dat een grote groep van ongeveer 12 à 14 mannen betrokken was bij een massale vechtpartij. Ik zag dat er twee afzonderlijke groepen waren waarin geslagen en geschopt werd.

Ik liep de Haversteeg in en zag dat de later aangehouden verdachte [verdachte] voor een jongen stond die op de grond lag. Ik zag dat twee andere mannen deze jongen bij zijn armen en benen vasthielden. Ik zag dat verdachte [verdachte], twee keer, met kracht en opzet tegen het bovenlichaam, hoofdstreek van het op de grond liggende slachtoffer schopte. Ik zag dat het slachtoffer twee keer een zeer harde schop incasseerde op zijn bovenlichaam/hoofd. Ik zag dat verdachte [verdachte] een donkere jas en bruine schoenen droeg.

Ik schreeuwde: "Politie, stop". Ik zag dat de verdachte [verdachte] nog steeds in de richting van het slachtoffer keek en ik zag dat de verdachte op het bovenlichaam van het slachtoffer stampte met de zool van zijn voet.

Ik besefte dat het slachtoffer mogelijk dood kon worden getrapt en dat verdachte [verdachte] niet reageerde op mijn geschreeuw om te stoppen met het gebruiken van geweld. Ik pakte mijn pepperspray en ik sprayde in de richting van het gezicht van de verdachte [verdachte].

Ik was er van overtuigd dat de verdachte [verdachte] het slachtoffer zou doodschoppen door telkens op de hoofdstreek te trappen.

3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 25 maart 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde op 18 maart 2007 bij de groep "grote mannen". De stapavond was al zo'n beetje voorbij. Ik stond na te praten op de Hof in Amersfoort. Mijn broer liep de steeg in. Ik hoorde lawaai. Er was een vechtpartij. Mijn broer lag op de grond. Ik ben toen mijn broer gaan helpen en kwam ook in de vechtpartij terecht. Het duurde circa één minuut. Toen de politie kwam, werd ik in het gezicht gespoten met pepperspray.

4. De getuigenverklaring van [verbalisant 1], afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op 22 oktober 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik herinner me nog van de zaak dat er twee groepen tegenover elkaar stonden en dat de ene groep uit lange mannen bestond en de ander uit kleine mannen. Ik zag een man op de grond liggen en daar omheen stonden 20 à 30 mannen. Ik kan me enigszins herinneren dat de benen en armen van het slachtoffer werden vastgehouden. Het kan ook zijn dat het slachtoffer aan zijn kleding is vastgehouden. Ik zag dat de verdachte trappende bewegingen maakte in de richting van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer daar op reageerde. Ik heb gezien dat de verdachte uithaalde met zijn been naar het slachtoffer.

5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 23 maart 2007 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Utrecht, district Eemland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van 18 maart 2007 (PL0940/07-091233, dossierpagina 38 e.v), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Terwijl wij met zijn vieren door een steeg liepen, liepen ons een paar jongere jongens tegemoet. Ineens was er iets waardoor ik een klap of iets dergelijks kreeg. Ik heb geen idee hoe dat is gegaan. Ik weet zelf niet meer dat ik op de grond gevallen ben, maar ik hoorde later van mijn vrienden dat ze mij van de grond hebben moeten tillen.

Ik heb van [betrokkene 2 en 3] gehoord dat [verdachte] toen zoiets had van: "nu moet er wat gebeuren" en dat [verdachte] vervolgens ook bovenop één van die jongens gedoken is. Ik heb hier niets van gemerkt of gezien. Ik heb ook geen politieagent met wapenstok of pepperspray gezien.

6. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 23 maart 2007 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Utrecht, district Eemland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van 18 maart 2007 (PL0940/07-091233, dossierpagina 50), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb wel gezien dat een jongen van de andere partij op de grond lag. Ik weet niet meer of ik deze jongen op dat moment heb geschopt. Ik schopte en sloeg om me heen uit zelfbescherming. Het kan zijn dat ik daarbij een jongen op de grond heb geraakt."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweerexces onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Komt uw Hof toch tot een bewezenverklaring van een van de ten laste gelegde feiten, dan is artikel 41 Sr van toepassing. Cliënt handelde uit noodweer en/of noodweerexces. Er was sprake van de noodzakelijke verdediging van eigen en van eens anders lijf (dat van zijn broer) tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Er was sprake van een aanranding. Zijn broer [betrokkene 1] wordt tegen de grond geschopt en geslagen door 4 a 5 man, zie verklaring [betrokkene 1], [betrokkene 4 t/m 6] en verklaring cliënt. Aan de eis van ogenblikkelijkheid is ook voldaan. De aanranding door 4 a 5 man vond op dat moment plaats. Direct ingrijpen was noodzakelijk, want zoals cliënt het bij de hulpofficier tijdens het verhoor inverzekeringstelling verwoord en ik citeer: "ik heb geslagen om mijn broer te redden. Had ik niets gedaan, dan was hij dood geweest denk ik". (p. 17) Ook uit de andere verklaring volgt de ernst van de aanranding en de noodzakelijkheid om in te grijpen. Vervolgens wordt cliënt belaagd, en door middel van schoppen en slaan probeert hij de belagers van zich af te houden. Ook dit is noodzakelijk. Cliënt kan geen kant op, wordt van alle kanten belaagd, zijn broer ligt nog half op de grond, dus weggaan is om deze redenen geen optie. Ik wijs u in dit verband ook op een uitspraak van de Hoge Raad van 21 november 2006, NbSr 2006/467, waarin de Hoge Raad overweegt dat, mede in het licht van de agressieve houding van de andere partij, in bepaalde omstandigheden niet van iemand gevergd kan worden om weg te gaan. Nog even daargelaten de vraag of het objectief gezien wel mogelijk was voor cliënt om weg te gaan. De plaats waar het gebeurde is smal. Hij en zijn broer worden door meerdere mensen aangevallen. Er waren nog meer mensen betrokken. Het was chaos. Cliënt kon geen kant op. (zie verklaring aangever en [betrokkene 5] bij RC). De verdediging van cliënt voldoet derhalve aan de eis van subsidiariteit. Overigens ook aan de eis van proportionaliteit. De verhouding tussen het gekozen middel, het slaan en schoppen, staan in verhouding met de aanranding, eveneens slaan en schoppen. Indien uw Hof van oordeel is dat cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging dan doet cliënt een beroep op noodweerexces. Door het geweld tegen en het gevaar voor zijn broer en cliënt zelf en het feit dat cliënt voor het eerst in een dergelijke situatie terecht kwam, was hij overstuur, boos, bang en geëmotioneerd waardoor hij door deze heftige gemoedsbeweging misschien te ver is gegaan in zijn verdediging.

Ik verzoek u cliënt dan ook te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van een geslaagd beroep op artikel 41 Sr."

3.2.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Door de verdediging is betoogd dat verdachte handelde uit noodweer of dat er sprake was van putatief noodweer of noodweer-exces omdat hij zijn broer, [betrokkene 1], die in een vechtpartij verwikkeld was, te hulp wilde komen.

Het hof verwerpt dit verweer. [Betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij een klap kreeg en op de grond is gevallen. Hij weet zelf niet meer dat hij gevallen is, maar heeft van zijn vrienden gehoord dat ze hem van de grond hebben opgetild. Verdachte zou hebben gezegd: "Nu moet er wat gebeuren". Waar [betrokkene 1] zich bevond op het moment dat verdachte zich met de vechtpartij bemoeide, is niet duidelijk. Er werd door verschillende mensen gevochten.

Het hof is van oordeel dat er in elk geval geen sprake was van een noodweersituatie op het moment dat het slachtoffer op de grond lag en werd vastgehouden. Op dat moment was die situatie onder controle en had verdachte weg kunnen lopen. In plaats daarvan koos verdachte ervoor om de liggende persoon te schoppen. Dat er sprake was van putatief noodweer of

noodweer-exces, is evenmin aannemelijk geworden."

3.3. De verwerping van het beroep op noodweerexces laat in het ongewisse of het Hof de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden acht, dan wel naar het oordeel van het Hof die feiten en omstandigheden een beroep op noodweerexces niet rechtvaardigen. Het verweer is dus onvoldoende gemotiveerd verworpen.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 15 november 2011.