Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT2173

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
10/02816
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2173
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6816, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM cassatie. 1. Art. 57 Sv. Rechtmatigheid inverzekeringstelling, ‘weekendarrangement’. 2. niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging. Ad 1. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de uitreiking van een mededeling over de strafzaak aan verdachte in persoon niet zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden a.b.i. art. 57.5 tweede volzin Sv. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat op 11 oktober 2009 omstreeks 16.00 uur de laatste onderzoekshandeling door de politie is verricht, dat na 16.00 uur geen pogingen in het werk zijn gesteld om aan verdachte mededelingen over de strafzaak uit te reiken en dat verdachte op maandag 12 oktober 2009 om 11.55 uur in vrijheid is gesteld nadat hem de dagvaarding was uitgereikt. Het oordeel van het Hof dat op grond daarvan het voortduren van de inverzekeringstelling van verdachte op 11 oktober 2009 na 16.00 uur onrechtmatig is geweest, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. De onrechtmatige toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen op een verdachte in het kader van het voorbereidend onderzoek in zijn strafzaak, is een vormverzuim. Daarop is art. 359a Sv van toepassing indien, zoals in het onderhavige geval, dit vormverzuim door verdachte niet aan de Rechter-Commissaris kon worden voorgelegd. Het Hof heeft dit miskend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 57
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/16
NJB 2012/107
NJ 2012/299 met annotatie van J.M. Reijntjes
AA20120225 met annotatie van T. Kooijmans
NBSTRAF 2012/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2011

Strafkamer

nr. 10/02816

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 juni 2010, nummer 24/003170-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft in dit kader - kort gezegd - aangevoerd dat nu verdachte in het kader van een 'weekendarrangement' langer dan noodzakelijk in verzekering heeft gezeten, er sprake is van een zodanige fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat hieraan voornoemde consequentie dient te worden verbonden.

De feiten

Het hof gaat - voor zover voor de behandeling van dit verweer van belang - uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte is op (...) 11 oktober 2009 om 3:10 uur aangehouden op verdenking van vernieling van een raam. Om 4:00 uur is verdachte voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Vervolgens is verdachte om 9:45 uur ter zake van mishandeling, dan wel poging tot zware mishandeling in verzekering gesteld. Om 11:15 uur is verdachte voor de laatste maal gehoord. Omstreeks 16.00 uur is er nog contact geweest met de aangever van de mishandeling. Op maandag 12 oktober 2009 is verdachte om 11.55 uur in vrijheid gesteld, nadat hem de dagvaarding was uitgereikt.

Dit alles heeft blijkens een hieromtrent in het proces-verbaal opgenomen mededeling plaatsgevonden in het kader van het project 'weekendarrangement'. Dit project houdt met zoveel woorden in dat diegenen die in het weekend worden aangehouden wegens gewelddelicten, het gehele weekend in verzekering wordt gesteld. De verdachten zullen pas na het weekend in vrijheid worden gesteld. Op deze manier wordt getracht te bewerkstelligen dat het aantal geweldsdelicten in het weekend wordt teruggedrongen.

Het wettelijk kader

Niemand kan zijn vrijheid worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Op grond van de artikelen 57 en 58 van het Wetboek van Strafvordering kan iemand in het belang van het onderzoek in verzekering worden gesteld ter zake van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Artikel 57, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering schrijft evenwel voor dat zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, de officier van justitie de invrijheidsstelling van verdachte gelast.

De beoordeling

Het hof stelt vast dat het contact met aangever, op 11 oktober 2009 omstreeks 16.00 uur de laatste door de politie verrichte onderzoekshandeling is. Bij het openbaar ministerie bestond niet het voornemen om bij de rechter-commissaris het geven van een bevel tot bewaring van verdachte te vorderen. Weliswaar wordt onder onderzoeksbelang in de zin van de artikelen 57 en 58 van het Wetboek van Strafvordering mede verstaan het belang van het aan verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak, maar dit rechtvaardigt slechts het voortduren van de inverzekeringstelling gedurende een korte tijdspanne. Niet is gebleken dat op 11 oktober 2009, na 16.00 uur, pogingen in het werk zijn gesteld om aan verdachte mededelingen over de strafzaak uit te reiken. Dit is eerst op 12 oktober 2009 het geval geweest.

Het hof stelt op grond hiervan vast, dat de inverzekeringstelling vanaf 11 oktober 2009, 16.00 uur onrechtmatig is geweest.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke consequentie aan deze onrechtmatigheid verbonden dient te worden.

Het hof beschouwt de hier aan de orde zijnde onrechtmatigheid niet als een verzuim van vormen dat op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering moet worden beoordeeld. De onrechtmatigheid raakt het wettelijk systeem in de kern. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat het recht op vrijheid en veiligheid dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden tracht te beschermen, een fundamenteel, zo niet het meest fundamentele, recht is dat een burger heeft. Op dit recht kan ter bescherming hiervan door de overheid slechts onder strikte - in de wet voorziene - voorwaarden inbreuk worden gemaakt.

Hieraan dient onverkort de hand te worden gehouden. Niet alleen met het oog op het in het geding zijnde recht van de burger, die het betreft, ook de gemeenschap moet erop kunnen vertrouwen dat het Openbaar Ministerie, bij de toepassing van vrijheidsbenemende maatregelen, handelt in overeenstemming met dit wettelijk kader. In onderhavige zaak heeft naar het oordeel van het hof het openbaar ministerie met (grove) veronachtzaming van vorenbedoeld - fundamentele - wettelijke kader verdachte van zijn vrijheid beroofd gehouden. Op het moment dat verdachte werd aangehouden stond immers al vast dat verdachte - ongeacht of het belang van het onderzoek daartoe zou nopen en derhalve ongeacht of daarvoor een wettelijke basis is - tot na het weekend in verzekering gesteld zou blijven. Door aldus te handelen heeft het openbaar ministerie fundamentele - de grondslag van het strafproces rakende - beginselen geschonden.

Hierop dient te worden gereageerd met het verval van de bevoegdheid van het openbaar ministerie om de verdachte voor de onderhavige feiten te vervolgen."

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inverzekeringstelling van de verdachte vanaf 11 oktober 2009, 16.00 uur onrechtmatig is geweest, althans dat het Hof dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Art. 57 Sv luidt:

"1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld. Inverzekeringstelling vindt plaats in het belang van het onderzoek, waaronder mede wordt verstaan het belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak.

(...)

5. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Indien het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een mededeling over de strafzaak, wordt deze mededeling zo spoedig mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld."

3.3. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de uitreiking van een mededeling over de strafzaak aan de verdachte in persoon niet zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden als bedoeld in art. 57, vijfde lid tweede volzin, Sv. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat op 11 oktober 2009 omstreeks 16.00 uur de laatste onderzoekshandeling door de politie is verricht, dat na 16.00 uur geen pogingen in het werk zijn gesteld om aan de verdachte mededelingen over de strafzaak uit te reiken en dat de verdachte op maandag 12 oktober 2009 om 11.55 uur in vrijheid is gesteld nadat hem de dagvaarding was uitgereikt. Het oordeel van het Hof dat op grond daarvan het voortduren van de inverzekeringstelling van de verdachte op 11 oktober 2009 na 16.00 uur onrechtmatig is geweest, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.4. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel keert zich tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Het klaagt in dat verband onder meer over het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een verzuim van vormen dat op de voet van art. 359a Sv moet worden beoordeeld.

4.2. De onrechtmatige toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen op een verdachte in het kader van het voorbereidend onderzoek in zijn strafzaak, is een vormverzuim. Daarop is art. 359a Sv van toepassing indien, zoals in het onderhavige geval, dit vormverzuim door de verdachte niet aan de Rechter-Commissaris kon worden voorgelegd. Door te oordelen dat "de hier aan de orde zijnde onrechtmatigheid niet als een verzuim van vormen dat op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering moet worden beoordeeld", dient te worden beschouwd, heeft het Hof het voorgaande miskend.

4.3. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 december 2011.