Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT1876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
11/02108
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT1876
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

’s Hofs oordeel dat bij de behandeling in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is - gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de gang van zaken in appel - niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1371

Uitspraak

1 november 2011

Strafkamer

nr. 11/02108

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 9 november 2010, nummer 24/001172-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Ter Apel" te Ter Apel.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de berechting in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

2.2. Het Hof heeft omtrent het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman heeft het hof verzocht, indien het tot oplegging van een straf komt, rekening te houden met de omstandigheid dat de strafvervolging van de verdachte in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en dat er dientengevolge een strafvermindering van 5% dient plaats te vinden. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte is op 14 juli 2008 in verzekering gesteld en heeft hieraan in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. In eerste aanleg is op 23 april 2009 vonnis gewezen. De berechting heeft aldus in eerste aanleg binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

Het openbaar ministerie en verdachte hebben op 6 mei 2009 hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 20 oktober 2009 waarna zittingen hebben plaatsgevonden op 23 maart 2010, 29 maart 2010, 24 juni 2010, 17 september 2010, 5 oktober 2010 en 26 oktober 2010.

Het hof hanteert als uitgangspunt dat de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Nu het hof op 9 november 2010 arrest zal wijzen, is de berechting niet binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel afgerond met een einduitspraak.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is - onder meer - afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waartoe kan worden gerekend het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

De behandeling in hoger beroep heeft extra tijd in beslag genomen doordat het hof op de regiezitting d.d. 20 oktober 2009 een aantal onderzoekswensen van de verdediging heeft gehonoreerd en ook ambtshalve nader onderzoek heeft bevolen. Dit nader onderzoek heeft de nodige tijd in beslag genomen. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de raadsman van verdachte, nadat er een wisseling van raadsman heeft plaatsgevonden, verzocht een aantal getuigen ter terechtzitting te horen.

De behandeling in hoger beroep is aangehouden teneinde de getuigen en deskundigen ter terechtzitting te kunnen horen.

Van inactiviteit is derhalve naar het oordeel van het hof geen sprake.

Op grond van vorenstaande acht het hof bijzondere omstandigheden aanwezig die de overschrijding van de termijn rechtvaardigen. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is naar het oordeel van het hof niet geschonden."

2.3. Het oordeel van het Hof dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is - gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de gang van zaken in appel - niet onbegrijpelijk.

2.4. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 1 november 2011.