Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BT1804

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/03114
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT1804
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Poging tot afpersing, gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen. Geklaagd wordt dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verdachte “die X en Y meermalen heeft geslagen en/of getrapt en (daarbij) die X heeft toegevoegd “geef me het geld, ik heb de sleutel ook al, geef me het geld” of woorden van soortgelijke aard of strekking”. Het Hof heeft de tenlastelegging kennelijk aldus opgevat, dat verdachte daarin (mede) wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met (een) ander(en) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf de in het middel bedoelde handelingen heeft verricht. Die uitleg van de tenlastelegging, zoals klaarblijkelijk ook de verdediging deze heeft opgevat, is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Hetgeen het Hof op de grondslag van die aldus opgevatte tenlastelegging heeft bewezenverklaard sluit de mogelijkheid in dat de bedoelde handelingen door verdachtes mededaders zijn gepleegd. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, houdt de bewezenverklaring dus niet in dat het verdachte is geweest die die handelingen heeft verricht. Het middel berust dus op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat het feitelijke grondslag mist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1365

Uitspraak

1 november 2011

Strafkamer

nr. 10/03114

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 december 2009, nummer 20/001595-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat de verdachte "[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen heeft geslagen en/of getrapt en (daarbij) [slachtoffer 1] heeft toegevoegd "geef me het geld, ik heb de sleutel ook al, geef me het geld" of woorden van soortgelijke aard of strekking".

2.2.1. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, primair tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 9 maart 2007 te Bocholtz, in de gemeente Simpelveld, op de openbare weg, het Bongerdplein, in elk geval in een aan/nabij het Bongerdplein gelegen park/bossage, in elk geval op (een) openbare weg(en) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met voornoemd opzet

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen althans eenmaal heeft geslagen en/of getrapt en/of (daarbij)

- [slachtoffer 1] heeft toegevoegd "geef me het geld, ik heb de sleutel ook al, geef me het geld" of woorden van soortgelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2. Daarvan is bewezen verklaard dat:

"hij op 9 maart 2007 te Bocholtz, in de gemeente Simpelveld, op de openbare weg, een aan het Bongerdplein gelegen park, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met voornoemd opzet

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen heeft geslagen en/of getrapt en (daarbij)

- [slachtoffer 1] heeft toegevoegd "geef me het geld, ik heb de sleutel ook al, geef me het geld" of woorden van soortgelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2.

2.2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

"Aan [verdachte] is ten laste gelegd primair het medeplegen van een poging afpersing (...). Door de politierechter te Maastricht is hij vrijgesproken van de poging tot afpersing. Ik ben van mening dat die uitspraak juist is geweest en in hoger beroep dient te worden bevestigd (...). Ten aanzien van het medeplegen herhaal ik dat van een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering niet kan worden gesproken.

(...)

Ik verzoek u [verdachte] van het primair telastelegde (...) vrij te spreken (...)."

2.2.5. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs nader onder meer het volgende overwogen:

"De verdediging heeft gesteld dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking.

Het hof stelt op basis van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen het navolgende vast:

I. Op 9 maart 2007 rijden [betrokkene 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [betrokkene 3] en [verdachte] in de blauwe Seat Ibiza van [medeverdachte 2] naar coffeeshop [A] in Heerlen.

II. Buiten bij coffeeshop [A] staan twee Duitse mannen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zij zijn daar gekomen in de zwarte Renault Clio van [slachtoffer 1].

III. [Betrokkene 1] heeft een gesprek met één van de Duitsers, waarbij de Duitse man zegt dat hij voor EUR 750,-- wiet wil kopen. Er wordt gezegd dat er wiet geleverd kan worden en dat de Duitse mannen even moeten wachten.

IV. De zes onder I genoemde personen rijden met de Seat richting Bocholtz, gemeente Simpelveld. In de auto opperen [betrokkene 1 en 2] het plan om de Duitsers te 'rippen'. Afgesproken wordt dat [betrokkene 1 en 2] bij het Bongerdplein te Bocholtz zullen wachten op de andere vier. Er wordt gesproken over verdeling van de buit.

V. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden weer teruggebracht naar de Duitsers in Heerlen. Zij stappen bij de Duitse mannen in de auto om hen naar Bocholtz te loodsen. De auto met daarin [medeverdachte 2], [medeverdachte 3],

[verdachte] en [betrokkene 3] rijdt via een andere route naar Bocholtz dan de auto met daarin de Duitse mannen en [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Onderweg belt [verdachte] met [betrokkene 1] om te vragen waar zij zijn. De Renault Clio arriveert als eerste bij het park aan het Bongerdplein te Bocholtz.

VI. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] nemen de Duitse mannen mee het park in. [betrokkene 2] stuurt vervolgens een sms-bericht aan [betrokkene 1] met de tekst: "We pakken ze gewoon alleen." [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] raken in gevecht met de Duitse mannen. Tijdens het gevecht bemachtigt [betrokkene 1] de autosleutel van de Renault Clio van [slachtoffer 1] en roept in de trant van: "Dein Auto oder dein Geld".

[Slachtoffer 1] weigert het geld te geven.

VII. [Medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte] en [betrokkene 3] zijn op dat moment ook bij het park aan het Bongerdplein gearriveerd. Zij horen geschreeuw.

[Medeverdachte 3] en [verdachte] gaan op het geschreeuw af.

VIII. De Duitse mannen zien op enig moment kans weg te rennen.

Het hof' stelt voorts vast dat - zoals ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard - verdachte en de anderen (het hof begrijpt:

[betrokkene 3], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]) aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hadden toegezegd dat zij naar het parkje zouden komen. Hij is vervolgens met zijn vrienden naar hun vaste hangplek nabij dat parkje gegaan. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij met de andere verdachten in de richting van het geschreeuw is gelopen. Hij zag dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de twee Duitse mannen over de grond rolden. Verdachte is vervolgens naar [betrokkene 2] toegelopen.

Op grond van alle boven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en bezien in samenhang met wat overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, is het hof van oordeel dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3], [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] het vooropgezette plan de Duitse mannen van hun geld te ontdoen door hun handelen hebben opgevolgd en ondersteund. Zij zijn naar de afgesproken plaats gereden en zijn afgegaan op het geschreeuw in het park. Het feit dat zij aanwezig waren op de plaats van de 'rip', terwijl die nog gaande was, zorgde voor een getalsmatige versterking, waardoor een meer dreigende situatie is ontstaan. Daarbij wijst het hof op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] die heeft verklaard dat hij zag dat er meerdere personen in zijn richting kwamen, dat hij niet de indruk had dat dit passanten waren en dat dit op hem een bedreigende indruk maakte. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat er drie à vier personen bij kwamen en dat hij erg bang was en om hulp schreeuwde. Toen hij en [slachtoffer 1] wegrenden, werden zij nog even achtervolgd door een persoon. Dit was een andere persoon dan de twee jongens waarmee zij even tevoren in het feitelijk gevecht waren verwikkeld.

Het verweer dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking wordt verworpen."

2.2.6. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "poging tot afpersing, gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen".

2.3. Het Hof heeft, naar moet worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, de nadere bewijsoverweging en de kwalificatie, de tenlastelegging kennelijk aldus opgevat, dat de verdachte daarin (mede) wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf de bedoelde handelingen heeft verricht. Die uitleg van de tenlastelegging, zoals klaarblijkelijk ook de verdediging deze heeft opgevat, is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Hetgeen het Hof op de grondslag van die aldus opgevatte tenlastelegging heeft bewezenverklaard sluit de mogelijkheid in dat de bedoelde handelingen niet door de verdachte zelf maar door zijn mededaders zijn gepleegd. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, houdt de bewezenverklaring dus niet in dat het de verdachte is geweest die die handelingen heeft verricht. Het middel berust daarom op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat het feitelijke grondslag mist en niet tot cassatie kan leiden.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 1 november 2011.