Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BS1729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10/00612
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BS1729
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Binnentreden in woning. Art. 2.3 Algemene wet op het binnentreden. ’s Hofs oordeel dat de politieambtenaren in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten aannemen dat er sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond in de woning moest worden binnengetreden a.b.i. art. 2.3. Awbi geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, de voordeur van de woning van verdachte inmiddels ruim tien minuten openstond en sprake was van braakschade, zodat een gerede kans bestond dat in de woning van verdachte was of werd ingebroken en iemand (daardoor) hulp behoefde. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/507
RvdW 2011/1329
NJB 2011/2062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2011

Strafkamer

nr. 10/00612

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 februari 2010, nummer 22/002402-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer dat op onrechtmatige wijze in de woning van de verdachte is binnengetreden en aldus op onrechtmatige wijze bewijs is verkregen.

2.2. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd. Dat vonnis houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer het volgende in:

"Binnentreden.

De raadsman heeft bepleit dat de verbalisanten onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning van verdachte, aangezien zij zonder machtiging de woning hebben betreden. Artikel 2 van de Politiewet biedt geen wettelijke grondslag om een woning zonder machtiging binnen te treden. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Politiewet heeft de politie de bevoegdheid elke plaats te betreden voorzover dat voor het verlenen van hulp noodzakelijk is. Alleen ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen (artikel 2, derde lid, van de Algemene wet op het binnentreden; hierna: Awbi) kan van die bevoegdheid gebruik worden gemaakt. Zowel melder [betrokkene 2] als de verbalisanten hebben geen geluiden uit de woning van verdachte horen komen. De verbalisanten hadden dus geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de vermoedelijke dader zich nog in de woning bevond. Het feit dat een deur openstaat, maakt niet dat er sprake is van een noodsituatie. De verbalisanten zijn derhalve onrechtmatig binnengetreden. Dit betreft een onherstelbaar verzuim, zodat de tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen en de (naar aanleiding van de confrontatie met die aangetroffen goederen afgelegde) verklaringen van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten.

(...)

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van artikel 8, tweede lid, van voornoemde wet heeft de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Awbi is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Op grond van het derde lid van genoemde wetsbepaling is een dergelijke machtiging niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.

De rechtbank overweegt dat er op het moment dat de verbalisanten de beslissing tot al dan niet binnentreden moesten nemen een gerede kans bestond dat in de woning van verdachte was of werd ingebroken en iemand (daardoor) hulp behoefde. Niet alleen stond de voordeur van de woning van verdachte inmiddels ruim tien minuten open, doch ook was er sprake van braakschade. Redelijkerwijs konden de politieambtenaren op grond van deze omstandigheden aannemen dat er mogelijk sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor een of meer personen in de woning. Het gegeven dat er geen geluiden uit de woning van verdachte werden waargenomen, kon erop duiden dat de betreffende persoon niet in staat was alarm te slaan en doet aldus aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het vorenstaande waren de verbalisanten op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 8, tweede lid, van de Politiewet 1993 bevoegd de woning te betreden. Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, Awbi was een schriftelijke machtiging daarvoor niet vereist."

2.3. Het middel faalt. Het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat de politieambtenaren in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten aannemen dat sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond in de woning moest worden binnengetreden als bedoeld in art. 2, derde lid, Algemene wet op het binnentreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, de voordeur van de woning van de verdachte inmiddels ruim tien minuten openstond en sprake was van braakschade, zodat een gerede kans bestond dat in de woning van de verdachte was of werd ingebroken en iemand (daardoor) hulp behoefde.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 oktober 2011.