Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BS1722

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/00055
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BS1722
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafoplegging is ondeugdelijk wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Nu de strafmotivering ook geen uitsluitsel geeft omtrent de door het Hof beoogde duur, kan de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 3
NBSTRAF 2012/3
RvdW 2011/1477

Uitspraak

22 november 2011

Strafkamer

Nr. 10/00055

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 december 2009, nummer 21/002379-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.W.E. Hoezen, advocaat te Winterswijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het bestreden arrest geen ondubbelzinnige beslissing inhoudt ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straf.

2.2. Het bestreden arrest houdt in:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte binnen een tijdsbestek van slechts enkele weken tweemaal een personenauto heeft bestuurd, terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de rijbevoegdheid was ontzegd en hij daarvan op de hoogte was. Verdachte heeft aldus het belang van de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en beslissingen van de rechter genegeerd. Het hof acht deze feiten dermate ernstig dat het, anders dan door de raadsvrouw is betoogd en door de advocaat-generaal gevorderd, van oordeel is dat ditmaal niet kan worden volstaan worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf danwel een taakstraf. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel justitiƫle documentatie van 17 november 2009, bij thans onherroepelijke uitspraken, eerder voor verkeersmisdrijven is veroordeeld (tot voorwaardelijke gevangenisstraffen), hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om dergelijke feiten opnieuw te plegen. Niet kan worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf van de hierna vermelde duur. Die straf is passend en geboden."

(...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (twee) weken."

2.3. Die strafoplegging is ondeugdelijk wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Nu de aan die beslissing gegeven motivering ook geen uitsluitsel geeft omtrent de door het Hof beoogde duur van die straf, kan de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 22 november 2011.