Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BS1721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/00014
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BS1721
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onderzoek als bedoeld in art. 163.4 WVW 1994. Van “een onderzoek” is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort ingevolge art. 163.9 WVW 1994 dat een onderzoek van het afgenomen bloedmonster niet plaatsvindt dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Indien de rechter tot het oordeel komt dat bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd (vgl. HR LJN AD6940). Art. 359a Sv is hier niet van toepassing (vgl. HR LJN BM4412). In aanmerking genomen dat in onderhavige zaak het onderzoek van het bloedmonster naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol eerst is afgerond nadat de verdachte zijn toestemming had verleend voor het uitvoeren van dat onderzoek, getuigt het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat sprake is van “een onderzoek” als bedoeld in art. 163.4 jo. 163.9 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek is aangevangen “op 5 februari 2006, vóórdat de verdachte zijn toestemming daartoe had gegeven”, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2012, afl. 1, p. 41
NJB 2011/2278
RvdW 2011/1513
NJ 2011/580
VR 2013/26

Uitspraak

29 november 2011

Strafkamer

nr. 10/00014

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 november 2009, nummer 23/003804-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een gevoerd verweer.

2.2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is bewezenverklaard dat de verdachte:

"omstreeks 30 januari 2006 te Zaandam, gemeente Zaanstad, binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), terwijl aan verdachte voor het eerst op 10 januari 2006 een rijbewijs was afgegeven en hij derhalve is te kwalificeren als een beginnende bestuurder daarmede rijdende over de weg, de Vermiljoenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden, immers als bestuurder, terwijl hij verkeerde onder een zodanige invloed van een cannabisprodukt (door het Nederlands Forensisch Instituut aangegeven met een bloedconcentratie THC-COOh van 0,05 mg per liter van zijn bloed, en een bloedconcentratie THC van 0,004 mg per liter), waarvan hij wist dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, en terwijl hij reed met een snelheid van meer dan 68 km per uur in elk geval met een zeer hoge, gezien de situatie ter plaatse onverantwoorde, snelheid, rijdend over de rijstrook voor rechtsafslaand verkeer, niet is afgeslagen de Koningsgeelstraat in en rechtdoor is blijven rijden, terwijl hij niet behoorlijk de rijbaan van die weg, de Vermiljoenweg, heeft gevolgd, doch na tegen een uitstekend/breed uitlopend stuk trottoir te zijn gebotst, met dat motorrijtuig die Vermiljoenweg nagenoeg dwars is overgereden om vervolgens tot stilstand te komen tegen een, gezien zijn oorspronkelijke rijrichting, aan de linkerzijde van de rijbaan van die weg geplaatste boom, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], is overleden en waardoor anderen, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een onderarmbotbreuk, links, en een wervelbreuk en een bovenbeenbreuk, links, en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken kaak en een gebroken enkel en een gescheurde milt en een schedelfractuur en een hersenschudding en het verlies van 11 tanden en kiezen."

2.2.2. Het Hof heeft omtrent het in het middel bedoelde verweer onder meer het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de resultaten van het toxicologisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI), zoals neergelegd in het rapport van Dr. I.J. Bosman, gedateerd 10 april 2006, niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs, en dat dit dient te leiden tot, in het kort gezegd, vrijspraak van het rijden onder invloed van cannabis.

(...)

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de resultaten van het bloedonderzoek niet mogen worden gebezigd voor het bewijs primair - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het bloedonderzoek is verricht zonder dat de verdachte daarvoor voorafgaand toestemming heeft gegeven, hetgeen in strijd is met artikel 163, negende lid, wegenverkeerswet 1994.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties en uit de stukken van het dossier is het volgende komen vast te staan.

Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op 29 januari 2006 omstreeks 22:55 uur (proces-verbaal verkeersongeval, politiedossier p. 17-20).

Op 30 januari 2006 te 02:00 uur is door een arts van de GGD, [de arts], bloed afgenomen van de verdachte. Daar de verdachte op dat moment niet in staat was zijn wil kenbaar te maken, heeft deze bloedafname met toestemming van de hulpofficier van justitie J. van Dorp plaatsgevonden. Het bloed is vervolgens opgestuurd naar het NFI (proces-verbaal verkeersongeval, politiedossier p. 19).

Op 2 februari 2006 wordt door het NFI gerapporteerd dat het bloed op 31 januari 2006 is ontvangen en dat het is onderzocht op de aanwezigheid van alcoholsporen (politiedossier p. 5).

In een bijlage bij dit zogenaamde 'bloedalcoholrapport' staat vermeld dat een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van geneesmiddelen en/of drugs die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden nog dient te worden verricht en dat de resultaten van dat onderzoek afzonderlijk zullen worden gerapporteerd (politiedossier p. 6).

De verdachte wordt op 11 februari 2006 voor het eerst gehoord. In dit verhoor verklaart de verdachte er geen bezwaar tegen te hebben dat het van hem afgenomen bloed wordt onderzocht op alcohol- en/of drugsgebruik (proces-verbaal van verhoor, politiedossier p. 40).

De resultaten van het toxicologisch onderzoek zijn op 10 april 2006 neergelegd in een Toxicologisch rapport, opgesteld door de gerechtelijke deskundige dr. I.J. Bosman, werkzaam als apotheker-toxicoloog, verbonden aan de afdeling Toxicologie van het NFI.

De deskundige heeft ter terechtzitting in hoger beroep in aanvulling op het voorgaande onder meer verklaard dat op 2 februari 2006 het bloedalcoholonderzoek heeft plaatsgevonden en dat op 5 februari 2006 is begonnen met het tweede onderzoek naar de aanwezigheid van andere stoffen in het bloed van de verdachte. Volgens de deskundige is dit onderzoek op 15 februari 2006 voortgezet en afgerond en is daaruit naar voren gekomen dat de cannabinoïden in het bloed van de verdachte erg hoog waren. Op grond van deze bevindingen is op 16 februari een vervolgonderzoek gestart om de concentraties te bepalen, welk onderzoek op 10 maart 2006 is uitgevoerd en waarvan de resultaten in het NFI-rapport van 10 april 2006 zijn neergelegd, aldus de deskundige Bosman.

Het hof maakt bij de beoordeling van het verweer van de raadsman onderscheid tussen enerzijds het onderzoek naar het alcoholpromillage in het bloed van de verdachte en anderzijds het onderzoek naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden.

(...)

Ten aanzien van het tweede bloedonderzoek overweegt het hof dat uit de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting in beide instanties is verhandeld, met name gelet op hetgeen door de deskundige dr. I.J. Bosman ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent is verklaard, aannemelijk is geworden dat het bloedonderzoek naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol reeds was aangevangen op 5 februari 2006, doch eerst nadat de verdachte zijn toestemming had gegeven tot het onderzoek naar de aanwezigheid in zijn bloed van andere stoffen dan alcohol, op 15 februari 2006 is voortgezet en is afgerond.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij het vragen van toestemming voor dit onderzoek aan de verdachte een onjuiste voorstelling van zaken door de politiebeambten is gegeven en zo al daar sprake van zou zijn geweest, niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daardoor zou zijn beïnvloed in zijn beslissing tot het geven van toestemming.

Het aanvangen van dit onderzoek op 5 februari 2006, vóórdat de verdachte zijn toestemming daartoe had gegeven levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het voorgaande volgt dat voordat de verdachte had verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat het van hem afgenomen bloed zou worden onderzocht op alcohol- en/of drugsgebruik, en - zo begrijpt het hof - derhalve toestemming gaf tot dit onderzoek, met het bloedonderzoek enkel een aanvang was gemaakt. De voortzetting van dit onderzoek en de afronding daarvan vonden plaats op 15 februari 2006, en mitsdien na het geven van de zojuist genoemde toestemming. Daarop volgde een vervolgonderzoek, waarvan het NFI-rapport van 10 april 2006 het resultaat was.

Gelet op het voorgaande wordt de schending van voornoemd vormverzuim naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd door de hoogte van de eventueel op te leggen straffen in verhouding tot de ernst van het verzuim op de voet van artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder a, te verlagen."

2.3. Van "een onderzoek" als bedoeld in art. 163, vierde lid, WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd.

Tot die waarborgen behoort ingevolge art. 163, negende lid, WVW 1994 dat een onderzoek van het afgenomen bloedmonster niet plaatsvindt dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven.

Indien de rechter tot het oordeel komt dat bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd (vgl. HR 14 maart 1978, NJ 1978/385). Art. 359a Sv is hier niet van toepassing (vgl. HR 21 september 2010, LJN BM4412, NJ 2010/519).

2.4.1. Het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek van het bloedmonster naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol is aangevangen op 5 februari 2006, dat de verdachte op 11 februari 2006 toestemming heeft verleend tot het onderzoeken van het bloedmonster op - onder meer - "drugsgebruik" en dat het onderzoek van het bloedmonster is voortgezet en afgerond op 15 februari 2006.

2.4.2. In aanmerking genomen dat het onderzoek van het bloedmonster naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol eerst is afgerond nadat de verdachte zijn toestemming had verleend voor het uitvoeren van dat onderzoek, getuigt het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat sprake is van "een onderzoek" als bedoeld in art. 163, vierde lid, in verbinding met art. 163, negende lid, WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek is aangevangen "op 5 februari 2006, vóórdat de verdachte zijn toestemming daartoe had gegeven", doet daaraan niet af.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 228 uren, subsidiair 114 dagen hechtenis, bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 november 2011.