Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR7049

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/03765
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR7049
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3299, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5.5 en 5.6 IB 2001. Art. 56 van het EG-Verdrag. Heffingvrij vermogen en ouderentoeslag vormen voordelen die voortvloeien uit de in aanmerkingneming van de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2241
V-N Vandaag 2011/3020
V-N 2011/64.9 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2012/2.3
BNB 2012/45 met annotatie van J.P. Boer
FED 2012/35 met annotatie van Mr. drs. M.H. van Schaik
FutD 2011-3014 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/03765

9 december 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 juli 2010, nr. 09/00197, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/1727) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 2 augustus 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende woont in België. Zij bezit in Nederland gelegen onroerende zaken.

3.1.2. Voor het jaar 2004 heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan. Zij heeft daarbij geen gebruik gemaakt van de in artikel 2.5, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 neergelegde mogelijkheid om te worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtige.

3.1.3. Bij de berekening van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft belanghebbende bij haar aangifte het heffingvrije vermogen, vermeerderd met de ouderentoeslag, op de gemiddelde rendementsgrondslag in mindering gebracht.

3.1.4. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het heffingvrije vermogen en de ouderentoeslag niet in aanmerking genomen.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de zogenoemde prorata-regeling van artikel 26 van het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 in strijd is met het EG-verdrag.

3.3. Middel III stelt onder meer de vraag aan de orde of het heffingvrije vermogen en de ouderentoeslag behoren tot de belastingvoordelen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene, als bedoeld in arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof is er in zijn uitspraak van uitgegaan dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.

3.4. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. De toepassing van het heffingvrije vermogen is afhankelijk van de omvang van het totale voor het vaststellen van de rendementsgrondslag in aanmerking te nemen vermogen van de betrokkene. Dit heffingvrije vermogen strekt ertoe dat belastingplichtigen niet vanaf de eerste euro in de heffing over een forfaitair rendement van dat vermogen worden betrokken. Deze tegemoetkoming heeft naar de bedoeling van de wetgever met name effect voor beleggers en spaarders met kleine vermogens (zie Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 237-238). Aldus knoopt deze aftrek niet aan bij (de aard van) enige activiteit van de belastingplichtige of bij (de exploitatie van) bepaalde vermogensbestanddelen, zodat zij niet rechtstreeks verband houdt met bepaalde inkomsten of met de bron waaruit deze afkomstig zijn in die zin dat zij daarmee onlosmakelijk is verbonden (vgl. HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09 (Schröder), V-N 2011/19.27). Door zijn koppeling aan het totale ter bepaling van de rendementsgrondslag in aanmerking te nemen vermogen, houdt het heffingvrije vermogen in algemene zin verband met de fiscale draagkracht van de belastingplichtige. Daarom moet worden aangenomen dat het een belastingvoordeel is dat voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene als hiervoor in 3.3 bedoeld. Hetzelfde heeft te gelden voor de verhoging van vorenbedoeld heffingvrije vermogen met de ouderentoeslag. Voor zover het middel berust op een andere rechtsopvatting faalt het derhalve.

3.5. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2011.