Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR6598

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
09/03090
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR6598
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2796, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:BK8758, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 8 en 9 (oud) wet Oorlogsstrafrecht. Bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte als bedoeld in art. 9 (oud) wet Oorlogsstrafrecht heeft het Hof terecht aansluiting gezocht bij het internationale recht ter zake. Daarbij heeft het ook kunnen betrekken de doctrine van ‘command responsibility’. Die doctrine is onder meer terug te vinden in art. 7.3 Statuut van het Joegoslaviëtribunaal en art. 6.3 Statuut Rwandatribunaal en de daarop betrekking hebbende rechtspraak; beide artikelen spreken in dat verband over het geval dat de meerdere “knew or had reason to know that the subordinate was about to commit such acts or had done so and the superior failed to take the necessary and reasonable measures to prevent such acts or to punish the perpetrators thereof”. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vorm van dergelijke ‘command responsibility’ is vereist dat de meerdere ‘effective control’ heeft over de ondergeschikte die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. In dat verband wijst de HR op ICTY 30-6-2006, IT-03-68-T, waarin het Joegoslaviëtribunaal een beschouwing over deze begrippen heeft gegeven en factoren heeft genoemd die indicatief kunnen zijn voor het bestaan van ‘effective control’.

Het Hof heeft zijn oordeel dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte uit hoofde van zijn functie de taak had om de afdeling onderzoek en verhoor te controleren, betrokken bij het uiteindelijke oordeel dat de verdachte niet daadwerkelijk in staat was om de tenlastegelegde feiten te voorkomen. Mede gelet op de door de HR genoemde factoren die bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte in aanmerking kunnen worden genomen, geeft dat oordeel in zoverre geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Ook de feitelijke vaststellingen van het Hof dat het procesdossier onvoldoende informatie bevat voor de vaststelling dat de verdachte een zodanige positie had dat hij daadwerkelijk in staat was veranderingen aan te brengen in de structuur van de MID, dat gedetailleerde gegevens ontbreken t.a.v. de tijdstippen waarop de in de tenlastelegging genoemde misdrijven zijn gepleegd en dat gegevens ontbreken omtrent de bekendheid van de verdachte met details van voornoemde misdrijven, heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen betrekken bij het uiteindelijke oordeel dat geen sprake was van ‘effective control’.

Wetsverwijzingen
Besluit Buitengewoon Strafrecht 27a
Besluit Buitengewoon Strafrecht
Wet oorlogsstrafrecht
Wetboek van Militair Strafrecht 91
Wetboek van Militair Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 379
NBSTRAF 2011/379
RvdW 2011/1402
NJB 2011/2160
NJ 2012/202

Uitspraak

8 november 2011

Strafkamer

nr. 09/03090

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juli 2009, nummer 22/004581-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde - is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel richt zich tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.

2.2.1. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"Leden van de militaire inlichtingendienst (de Khad-e-Nezami) in Afghanistan, in elk geval (een) perso(o)n(en), (allen) werkzaam voor en/of ondergeschikt aan de hierna te noemen verdachte [verdachte] (en zijn mededader(s))

Op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1981 tot en met 1 januari 1987 te Kabul, althans in Afghanistan, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) de wetten en gebruiken van de oorlog heeft/hebben geschonden

Terwijl dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft gehad en/of

Terwijl dat feit/die feiten (telkens) geweldpleging met verenigde krachten tegen een (of meer) pers(o)n(en) dan wel geweldpleging tegen een zieke en/of gewonde

Hierin bestaande dat voornoemde leden van de militaire inlichtingendienst (de Khad-e-Nezami), in elk geval deze perso(o)n(en), (allen) werkzaam voor en/of ondergeschikt aan verdachte (en zijn mededader(s)) toen en aldaar in strijd met

Het internationaal gewoonterecht en/of

Het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949,

Als lid/leden van de militaire inlichtingendienst de Khad-e-Nezami van Afghanistan, althans als optredend voor het (geldend) openbare gezag, behorend tot één van de strijdende partijen in een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Afghanistan

(meermalen) lichamelijke geweldpleging en/of verminking en/of wrede (onmenselijke) behandeling en/of marteling heeft/hebben gepleegd ten aanzien van één (of meer) perso(o)n(en) die (toen en aldaar) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten (een) burger(s) en/of zij die buiten gevecht waren gesteld door gevangenschap of andere oorzaak)

Te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (zoon van [betrokkene 1]) en/of (één of meer) anderen,

welke lichamelijke geweldpleging en/of verminking en/of wrede (onmenselijke) behandeling en/of marteling onder meer hierin bestonden dat genoemde lid/leden, althans genoemde perso(o)n(en) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

Op (één of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 1985 tot en met 1 maart 1986 in (of nabij) het gebouw van de Khad-e-Nezami in Kabul, in ieder geval in Afghanistan

- meermalen, althans eenmaal (telkens)

[slachtoffer 1] tegen het scheenbeen en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde [slachtoffer 1] dagen (en nachten) achtereen wakker heeft/hebben gehouden en/of voornoemde [slachtoffer 1] gedurende deze dag(en) (en nachten) gedwongen heeft/hebben om buiten te blijven staan terwijl het buiten koud was en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer vinger(s) van voornoemde [slachtoffer 1] met kracht tussen een deur en het bij die deur behorende kozijn heeft/hebben gehouden, en of (vervolgens) met kracht voornoemde deur heeft/hebben dichtgegooid terwijl een of meer vinger(s) van voornoemde [slachtoffer 1] nog tussen voornoemde deur en voornoemd kozijn zat(en) en/of

- zonder verdoving een gedeelte van de vinger van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben afgeknipt en/of

Tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] pijn en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft ondervonden en/of

Op (één of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 1985 tot en met 1 juni 1986 in (of nabij) het gebouw van de Khad-e-Nezami in Kabul, in ieder geval in Afghanistan

- meermalen, althans eenmaal (telkens) één of meer electriciteitsdra(a)d(en) heeft/hebben bevestigd aan de tenen, althans aan het lichaam van [slachtoffer 3] en (vervolgens) via voornoemde electriciteitsdra(a)d(en) stroom heeft/hebben toegediend aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] heeft/hebben geschopt en/of geslagen

Tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] pijn en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft ondervonden en/of

Op (één of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 1985 tot en met 1 mei 1986 in (of nabij) het gebouw van de Khad-e-Nezami in Kabul, in ieder geval in Afghanistan

- meermalen, althans eenmaal (telkens) tegen het lichaam van [slachtoffer 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde [slachtoffer 2] dagen (en nachten) achtereen wakker heeft/hebben gehouden en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) één of meer electriciteitsdra(a)d(en) heeft/hebben bevestigd aan de tenen, althans aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en (vervolgens) via voornoemde electriciteitsdra(a)d(en) stroom heeft/hebben toegediend aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal (telkens) voornoemde [slachtoffer 2] aan de voeten heeft/hebben opgehesen en/of vervolgens met (natte) takken, althans met een (hard) voorwerp tegen de (blote) voeten, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] pijn en/of (zwaar) lichamelijk letsel heeft ondervonden

Ten aanzien van welke (vorenomschreven) lichamelijk geweldpleging(en), (waarvan tenminste één) zwaar lichamelijk letsel, althans lichamelijk letsel tengevolge hebbende, hij, verdachte [verdachte] op (een of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1981 tot en met 1 januari 1987 in Afghanistan meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft toegelaten dat (een) aan hem, verdachte onder(ge)schikte(n) deze heeft/hebben begaan,

Te weten dat hij, verdachte (en zijn mededader(s)) geen en/of onvoldoende maatregelen heeft genomen om deze lichamelijk geweldpleging(en) en/of zwaar lichamelijk letsel, althans lichamelijk letsel te voorkomen en/of de ondergeschikte(n) verantwoordelijke(n) te bestraffen."

2.2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Het Hof heeft daartoe - met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - onder meer het volgende overwogen:

"7.2 'Command responsibility'

130. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe wordt, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat artikel 9 WOS duidt op een formele gezagsrelatie of bevelsstructuur tussen meerdere en ondergeschikte en niet ook op een relatie in feitelijke zin. De verdachte stond evenwel niet in een formele bevelsrelatie tot de personen van de afdeling verhoor en ondervraging c.q. de verhoorders zelf. Deze (formele) bevelsstructuur werd bovendien doorkruist door Russische adviseurs. Ook wordt betwist dat er sprake was van zogeheten 'effective control' van de verdachte over de verhoorders. Daarnaast wordt een beperkt opzetbegrip bepleit. Tot slot betoogt de verdediging dat artikel

9 WOS alleen spreekt over 'hij die opzettelijk toelaat' en dus niet strafbaar stelt het nalaten een ondergeschikte te bestraffen, zoals aan de verdachte ook is tenlastegelegd. Voor dit laatste element in de tenlastelegging zal dus ontslag van alle rechtsvervolging moeten volgen, aldus de verdediging.

131. Het hof stelt allereerst vast dat het openbaar ministerie bij de toepasbaarheid van artikel 9 WOS uitgaat van de stelling, dat voldoende uit de wetsgeschiedenis terzake van de Wet Oorlogsstrafrecht kan blijken, dat zowel de formele (de jure), als de feitelijke (de facto) gezagsverhouding de relatie 'meerdere - ondergeschikte' kan bepalen. Voorts bepleit het openbaar ministerie aansluiting te zoeken bij het internationale recht, waar het gaat om de invulling van 'effective control' en 'actual or reasonable knowledge'. Ten aanzien van die wetenschap, de zogeheten mens rea, stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt, dat het Nederlands opzetbegrip toepasselijk is, inclusief voorwaardelijk opzet.

Tenslotte heeft het openbaar ministerie zich verenigd met de stelling van de verdediging dat voor het element 'nalaten een ondergeschikte te bestraffen' ontslag van rechtsvervolging moet volgen.

7.2.1 De reikwijdte van artikel 9 WOS

132. De verdachte is onder feit 2 van de tenlastelegging het misdrijf van artikel 9 in verbinding met artikel 8 WOS tenlastegelegd.

De delictsomschrijving van artikel 9 WOS luidde -als eerder weergegeven- ten tijde van de tenlastelegging als volgt:

"Met gelijke straf als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat, dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat."

De delictsomschrijving van artikel 8 WOS is hierboven in § 5.1 van dit arrest reeds opgenomen.

Het juridisch beoordelingskader voor feit 2 van de tenlastelegging bestaat uit de bestanddelen van de artikelen 8 en 9 WOS. Gelet op het verweer door de verdediging gevoerd, liggen primair de bestanddelen 'een aan hem ondergeschikte' en 'opzet' ter bespreking voor. Indien het bestaan van een relatie van ondergeschiktheid niet kan worden aangetoond, komt het hof evenwel aan de beoordeling van het vereiste opzetbegrip niet meer toe. Daarom behoeft bedoelde gezagsrelatie tussen de meerdere en zijn ondergeschikte eerst bespreking. Het hof stelt hier voorts met de verdediging en het openbaar ministerie vast dat de delictsomschrijving van artikel 9 WOS slechts spreekt over 'hij die opzettelijk toelaat' en, anders dan elders in het internationaal recht, derhalve niet strafbaar stelt het nalaten een ondergeschikte te bestraffen.

133. Bewezen zal moeten worden dat 'een ondergeschikte' zich schuldig heeft gemaakt aan feiten als bedoeld in artikel 8 WOS. Er dient, met andere woorden, een relatie van ondergeschiktheid tussen de feitelijke dader(s) van de geweldplegingen en de in artikel 9 WOS bedoelde meerdere te bestaan. Onder die relatie vallen in ieder geval personen die men onder zijn bevel heeft; men behoort toe te zien op hun gedrag en men is als meerdere gehouden bepaalde gedragingen te voorkomen en te corrigeren, indien nodig. Uit de Memorie van Toelichting op de WOS blijkt, dat de strekking van artikel 9 WOS overeenkomt met die, zoals opgenomen in het 3e lid van artikel 27a van het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS), dat op zijn beurt ontleend is aan het 2e lid van artikel 91 van het Wetboek van Militair Strafrecht, dat is komen te vervallen door de inwerkingtreding van artikel 9 WOS. Het BBS heeft betrekking op misdrijven "gedurende den tijd van den huidigen oorlog begaan".

Artikel 27a BBS betreft de verhouding meerdere - mindere en luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Hij die gedurende den tijd van den huidigen oorlog in krijgs-, staats-, of publieken dienst bij of van den vijand zich schuldig maakt aan eenig oorlogsmisdrijf of eenig misdrijf tegen de menschelijkheid als bedoeld in artikel 6 onder (b) of (c) van het handvest, behoorende bij de overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945 [...] wordt, indien zoodanig misdrijf tevens bevat bestanddeelen van een strafbaar feit waarop dit Besluit of het Wetboek van Militair Strafrecht van toepassing is, gestraft met de daarop gestelde straf.

(...)

3. Met gelijke straf als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt gestraft de meerdere, die opzettelijk toelaat, dat een zijner minderen zich aan een zoodanig misdrijf schuldig maakt."

134. Voormelde bepaling, die voorzag in een lacune in de rechtsmacht van Nederland ten aanzien van buitenlandse militairen die hadden gehandeld binnen het bereik van hun formele bevoegdheden, houdt een mengvorm in van toepassing van nationale en internationale normen.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van artikel 27a BBS blijkt voorts dat de verhouding van meerdere tot mindere in de zin van de bepaling niet alleen betrekking heeft op militaire verhoudingen, doch in verband met het bepaalde in het eerste lid ook op iedere vorm van ondergeschiktheid in staat- of publieke dienst. Gelet hierop is het hof van oordeel, anders dan de verdediging, dat ook de latere wetgever, in het kader van artikel 9 WOS naast een formele militaire bevelsstructuur de mogelijkheid heeft opengelaten voor een op andere basis gestoelde gezagsrelatie.

7.2.2 De verhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte in internationale context

135. Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat waar het gaat om de beoordeling van de gezagsrelatie tussen de meerdere en zijn ondergeschikte, bij de invulling van het bestanddeel 'ondergeschikte' in artikel 9 WOS, sprake moet zijn van een hiërarchische verhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte. Daarbij dient zowel gekeken te worden naar de op wetten en besluiten gebaseerde hiërarchische verhoudingen binnen de organisatie waarin zij werkzaam zijn, de zogeheten de jure verhouding, als naar de meer feitelijke gezagsverhouding, de zogeheten de facto verhouding, tussen de meerdere en zijn ondergeschikte. Voorts moet de meerdere op grond van deze hiërarchische verhouding feitelijk de mogelijkheid hebben in te grijpen wanneer zijn ondergeschikte zich misdraagt, althans strafbare feiten pleegt als bedoeld in artikel 8 WOS.

136. Bij de verdere juridische invulling van de gezagsverhouding meerdere - ondergeschikte heeft het hof aansluiting gezocht bij het internationaal oorlogsrecht, niet alleen bij het geschreven recht zoals dat in internationale overeenkomsten is neergelegd, maar ook bij het internationaal gewoonterecht, voor zover op oorlog betrekking hebbende. In verband hiermee kan worden verwezen naar de eerdergenoemde doctrine van de 'command responsibility' die, onder andere, is terug te vinden in eerdervermeld artikel 7 derde lid van het ICTY Statuut en artikel 6 derde lid van het ICTR Statuut, alsmede naar de uitspraken van locale rechtbanken en de ad hoc tribunalen in dit verband.

137. Het hof wijdt hieronder enige algemene overwegingen aan het leerstuk van de 'command responsibility', alvorens te dien aanzien in de onderhavige zaak tot een conclusie te komen.

138. Teneinde als meerdere strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor opzettelijk toelaten (het niet ingrijpen daaronder begrepen) van de tenlastegelegde misdrijven door ondergeschikten gepleegd, moet de meerdere, zoals hiervoor reeds werd overwogen, in een hiërarchische relatie staan of hebben gestaan, middellijk of onmiddellijk, tot degenen die de tenlastegelegde martelingen, geweldplegingen feitelijk hebben gepleegd. Het kan hierbij als gezegd gaan om een zogeheten de jure of een de facto gezagsrelatie.

139. Een de jure gezagsrelatie tussen de meerdere en de ondergeschikte vindt haar formele (be)vestiging in wet of besluit. De de jure bevoegdheden kunnen zowel schriftelijk als mondeling toegekend worden. Het enkele feit dat een verdachte een hogere rang of positie heeft in een hiërarchische (militaire) organisatie, wil overigens op zichzelf niet zeggen dat hij ook de jure van ieder, lager in rang, meerdere is, indien zijn positie niet tevens gepaard gaat met de materiële bevoegdheden en autoriteit die normaal gesproken aan die positie verbonden zijn. Bij de vaststelling van de aansprakelijkheid is het derhalve noodzakelijk om naar de effectieve uitoefening van die bevoegdheden of macht te kijken en niet strikt naar de formele titel. Het gaat daarbij om 'actual authority or control' zoals die door de meerdere wordt uitgeoefend.

140. Een de facto gezagsrelatie kan worden gedefinieerd als een relatie waarbij de ene partij -de meerdere- genoeg autoriteit of gezag heeft over een of meer andere personen om hen te beletten om misdaden te begaan (of om hen nadien daarvoor te bestraffen). Het betreft hier een feitelijke gezagsrelatie, die niet gebaseerd is op (interne) wet- en regelgeving. Wil er sprake zijn van een de facto gezag dan moet er zowel aan de kant van de meerdere de verwachting van gehoorzaamheid aan zijn bevelen zijn als een parallelle verwachting van ondergeschiktheid aan zijn gezag aan de kant van diegenen die onder dat gezag vallen.

141. Niet alleen moet de meerdere in dezelfde gezagsketen staan als de feitelijke plegers van de onderliggende schendingen van het humanitaire recht, ook moet die meerdere in die keten verticaal boven de daders staan. De kwalificatie meerdere is niet een theoretisch concept dat iedere meerdere in de gezagslijn treft, het betreft slechts de meerdere die een individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft met betrekking tot de daders van de desbetreffende handelingen, aangezien deze laatsten, omdat zij zijn ondergeschikten zijn, onder zijn feitelijke controle of zeggenschap staan. De plaats van de meerdere in de hiërarchie kan voorts evident relevant zijn om de aard en de reikwijdte van zijn plichten vast te stellen en om te bezien of hij deze plichten is nagekomen nadat hij bekend is geworden met het begaan of het mogelijk begaan van misdaden door zijn ondergeschikten. Als in de hiërarchische structuur de gezagsketen wordt verbroken, kan de meerdere in beginsel niet aansprakelijk worden gehouden voor misdaden door individuen gepleegd, tenzij de meerdere desondanks 'effective control' had, middellijk of onmiddellijk, over het handelen van de daders. De posities van de meerdere en van de daders in de gezagsketen kunnen ook relevant zijn om vast te stellen of de meerdere het tweede vereiste van mens rea had. Of de meerdere wetenschap had van (op handen zijnde) misdaden door zijn ondergeschikten, is moeilijker vast te stellen naar mate de meerdere op grotere afstand stond van de daders, zowel fysiek als hiërarchisch in de gezagsketen.

142. Niet slechts moet vaststaan dat er sprake is van een de jure of de facto positie van autoriteit, voorts moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat op het relevante tijdstip, te weten het tijdstip waarop of de periode waarin de onderliggende misdrijven zijn/zouden worden gepleegd, de meerdere daadwerkelijk in een positie was om zogeheten 'effective control', ofwel feitelijke controle of gezag uit te oefenen over de ondergeschikten die de onderliggende (tenlastegelegde) schendingen van internationaal humanitair recht hebben begaan en dat hij naliet zulks te doen. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de meerdere betekent dit dat hij de concrete mogelijkheid moet hebben gehad om -voorzover in casu van belang- de misdrijven te voorkomen. Immers: "where there is no 'effective control", there is no 'superior responsibility'. Het is derhalve de macht en de autoriteit van de meerdere om de daden van zijn ondergeschikten te beheersen en daarop toezicht te houden ("to control"), die de basis vormt van de doctrine van 'command responsibility'.

Deze meerdere-aansprakelijkheid geldt bovendien voor misdaden gepleegd door individuen die formeel niet zijn (directe) ondergeschikten zijn, mits hij 'effective control' over hen heeft uitgeoefend.

143. Het vereiste van 'effective control' benadrukt bovendien het feit dat een persoon die formeel benoemd is om bevel te voeren of leiding te geven over/aan anderen, doch in de praktijk niet in staat is zijn gezag uit te oefenen, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdaden die begaan zijn door personen die weliswaar formeel maar niet effectief onder zijn autoriteit stonden. 'Effective control' drukt een feitelijke, wezenlijke, doeltreffende of operationele gezagsrelatie uit. De ene kant beveelt en de andere kant gehoorzaamt. Bij iedere relatie die niet aan die standaard voldoet, bijvoorbeeld als de een de ander moet overtuigen of moet vragen om op een bepaalde manier te handelen, is er in de doctrine van 'command responsibility' geen sprake van 'effective control'. Het gaat om de afdwingbare macht om misdaden van ondergeschikten te voorkomen (en te bestraffen).

144. 'Effective control' houdt voorts een minimum drempel van toezicht in beneden welke geen strafrechtelijke aansprakelijkheid overeenkomstig de doctrine van 'command responsibility' kan worden aangenomen.

De ICTY Trial Chamber in de zaak Halilovic overwoog hierover, voor zover relevant, als volgt:

"a degree of control which falls short of the threshold of 'effective control" is insufficient for liability to attach under Article 7(3). "Substantial influence" over subordinates which does not meet the threshold of 'effective control" is not sufficient under customary law to serve as a means of exercising command responsibility and, therefore, to impose criminal liability."

7.2.3 Feitelijke vaststellingen door het hof

145. Zoals hiervoor reeds is overwogen neemt het hof als vaststaand aan, dat het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor van de MID, [betrokkene 2], zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan lichamelijke geweldpleging, wrede en onmenselijke behandeling en marteling van [slachtoffer 1]. Het hof stelt voorts met de rechtbank vast dat [betrokkene 2] hierin is bijgestaan door personen werkzaam bij de afdeling onderzoek en verhoor althans bij de Afghaanse militaire veiligheidsdienst. Het hof neemt onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent eerder werd overwogen tevens als vaststaand aan dat ook jegens [slachtoffer 3] in de tenlastegelegde periode gekwalificeerd geweld is gepleegd door medewerkers van de MID.

In dit verband overweegt het hof dat uit de processtukken voorts voldoende aannemelijk is geworden dat er bij de MID (veelvuldig) gemarteld werd, hetgeen ook door de verdachte, die stelt eerder ook zelf door de MID gemarteld te zijn, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg niet wordt ontkend. Het hof betrekt bij die beoordeling onder meer het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Staatsveiligheidsdiensten d.d. 29 februari 2000, het rapport van Amnesty International uit 1986, het rapport van de deskundige dr. A. Giustozzi van 31 augustus 2005, en diens verklaring al getuigedeskundige, alsmede de verklaringen van diverse getuigen, in onderling verband en samenhang bezien.

146. Voorts stelt het hof, eveneens zonder nadere beproeving, met de rechtbank vast dat binnen de MID het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor ([betrokkene 2]) de meerdere was van de medewerkers van die afdeling en dat het hoofd van de MID ([betrokkene 3]) de meerdere was van het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor. Tenslotte kan, gelet op de verklaring van [betrokkene 3] alsmede op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat hij ten tijde van de regering van Najibullah naar Kunduz is overgeplaatst, worden vastgesteld dat de verdachte in ieder geval ten tijde van de onder 2 tenlastegelegde feiten, een van de plaatsvervangers van het hoofd van de MID in Kabul is geweest.

147. Het hof neemt bovendien als vaststaand aan dat de verdachte en het hoofd van de afdeling verhoor en onderzoek, [betrokkene 2], in de tenlastgelegde periode kantoor hielden in hetzelfde gebouw van de MID in Kabul en dat hun kamers naast elkaar gelegen waren op de eerste verdieping van het gebouw. Het gebouw lag samen met nog twee andere gebouwen en bijbehorende opstallen op een compound. Tenslotte stelt het hof vast dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft bevestigd dat de gevangenen na arrestatie voor verhoor naar dit complex werden overgebracht.

148. Tegen het licht van het hiervoor geschetste beoordelingskader dient verdere invulling te worden gegeven aan de positie en verantwoordelijkheid van [betrokkene 2] en zijn verhoorders enerzijds en de verdachte als (tweede) plaatsvervanger van het hoofd van de MID anderzijds. Het hof heeft ter beoordeling van (de verhouding tussen) die posities gelet op de inhoud van het procesdossier, waaronder een groot aantal getuigenverklaringen en verdere stukken van overtuiging, alsmede op het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Allereerst moet worden bezien of er sprake was van een de jure of de facto meerdere - ondergeschikte gezagsverhouding tussen de verdachte enerzijds en [betrokkene 2] en zijn verhoorders als plegers van de litigieuze marteling/geweldpleging anderzijds. Het hof zal aansluitend de vraag dienen te beantwoorden in hoeverre de verdachte daadwerkelijk 'effective control' had over de ondergeschikten die die feiten hadden gepleegd. De ter beantwoording van deze vragen gebruikte getuigenverklaringen, voor zover relevant, zijn zakelijk weergegeven.

a. Gezagsverhouding

149. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat in de tenlastgelegde periode [betrokkene 3] directeur (hof: Rais) van de MID in Kabul was en dat hij zijn tweede plaatsvervanger was, alsmede hoofd/directeur (hof: Modir) van de afdeling inlichtingen van deze organisatie. Hij heeft voorts verklaard dat hij eerst de rang van kolonel had en later die van generaal en dat hij hoger in rang stond dan het hoofd van de afdeling onderzoek/verhoor, [betrokkene 2].

i. De getuige [betrokkene 3]

150. [Betrokkene 3], die in de tenlastegelegde periode werkzaam was als hoofd van de Militiare Khad, heeft, als verdachte gehoord in de zaak RL 5051, niet over de verdachte gesproken. In de zaak tegen de verdachte is [betrokkene 3] op 7 februari 2007 als getuige gehoord door de rechter-commisaris. In het kader van dit verhoor heeft [betrokkene 3] onder meer verklaard dat de verdachte één van zijn plaatsvervangers was. De verdachte was belast met de veiligheidstaken binnen het leger en hij verzamelde inlichtingen binnen de legereenheden. [Betrokkene 3] verklaarde voorts dat hij opdrachten aan de verdachte gaf die te maken hadden met de veiligheid in het leger en dat hij altijd vergaderde met zijn plaatsvervangers waarbij gezamenlijk over de zaken werd gesproken. Voorts verklaarde [betrokkene 3] dat het niet tot de taken van de verdachte behoorde om gevangenen te verhoren.

Hij verklaarde tenslotte dat het wel zou kunnen dat de verdachte bij verhoorruimtes is langs geweest voor controle maar dat hij dit de verdachte nooit heeft zien doen en hem daartoe ook nimmer opdracht heeft gegeven.

ii. De getuige [betrokkene 2]

151. De getuige [betrokkene 2] heeft in de zaak tegen de verdachte een uitvoerige verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 10 en 11 maart 2008. Hij verklaarde dat [betrokkene 3], de Rais, zijn directe baas was binnen de MID en dat hij met betrekking tot verhoren van arrestanten en de voortgang van de dossiers verantwoording aan hem aflegde. De Rais had de bevoegdheid om bij het verhoor aanwezig te zijn. Hij heeft verder verklaard dat de verdachte, die hij kent vanaf 27 december 1979 toen de verdachte bij de MID kwam werken, tweede plaatsvervanger van [betrokkene 3] was. Hij verklaarde voorts dat alle plaatsvervangers boven hem stonden. Met betrekking tot de taakomschrijving van de tweede plaatsvervanger heeft [betrokkene 2] verklaard dat de taakverdeling tussen de plaatsvervangers werd bepaald door de Rais, [betrokkene 3], waarbij de eerste plaatsvervanger meer bevoegdheden had dan de anderen. Als [betrokkene 3] er niet was, dan verving de eerste plaatsvervanger hem. Als beiden er niet waren, dan zou de Rais een persoon aanwijzen als zijn plaatsvervanger in zijn afwezigheid. Als de Rais er niet was, dan mocht de eerste plaatsvervanger instructies of een taak aan hem, [betrokkene 2], geven. Dit, omdat hij de plaatsvervanger van de Rais was. Een wettelijke opdracht van de plaatsvervanger zou hij moeten opvolgen. De plaatsvervanger had de bevoegdheid om hem opdracht te geven martelingen uit te zoeken of te stoppen, aldus de getuige. De getuige heeft de verdachte beschreven als een plaatsvervanger met goede eigenschappen.

iii. De getuige [betrokkene 4]

152. De getuige [betrokkene 4] heeft op 31 januari 2008 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode werkzaam was bij de MID onder meer als medewerker bij de afdeling verhoor en onderzoek. Hij verklaarde verder dat [betrokkene 3] in 1983 werd aangesteld als directeur en dat de verdachte vanaf 1983 of 1984 tot 1986 of 1987 tweede plaatsvervanger was. Hij gaf voorts aan dat binnen de MID sprake was van een hiërarchie tussen de plaatsvervangers. In militaire opzichten mocht de verdachte bevel geven aan [betrokkene 2] omdat hij in rang een positie hoger was. Hij verklaarde bovendien dat verdachte zich eventueel met verhoren kon bemoeien indien de directeur hem instructies zou hebben gegeven of indien hij een overleg met een adviseur of officier van justitie zou hebben gehad. [betrokkene 4] verklaarde tenslotte dat hij gezien had dat de verdachte soms één of twee keer per week het kantoor van zijn Modir, [betrokkene 2], binnenging.

iv. De getuige [betrokkene 5]

153. De getuige [betrokkene 5], die in de periode tussen 1980 en 1985 als officier van justitie in Afghanistan werkzaam was en belast was met de naleving van de wet, heeft op 6 februari 2007 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij gedurende het eerste jaar van zijn werkzaamheden toezicht hield op de Khad.

Tijdens dit eerste jaar werd de verdachte tot plaatsvervangend directeur van de MID benoemd. Hij verklaarde voorts dat [betrokkene 3] directeur was, dat de verdachte hoger in rang stond dan [betrokkene 2], dat [betrokkene 2] hoofd was van de afdeling verhoren en dat die afdeling onder de bevoegdheid van de verdachte viel. Het hof overweegt dat dit laatste geen steun vindt in enige andere verklaring.

v. De getuige [betrokkene 6]

154. In zijn verklaring bij de rechter-commissaris van 7 mei 2007 heeft de getuige [betrokkene 6], die volgens zijn verklaring toezicht hield op de opsporingsorganen van de Staatsveiligheidsdienst, waaronder de MID, aangegeven dat hij de verdachte kende en dat deze in zijn positie, volgens de wet, verhoren van de afdeling verhoor en onderzoek mocht bijwonen. Hij verklaarde voorts dat [betrokkene 2] hoofd van die afdeling was.

vi. De getuige [betrokkene 7]

155. De getuige [betrokkene 7] heeft op 6 september 2006 tegenover de politie een verklaring afgelegd. In die verklaring heeft hij aangegeven dat hijzelf Modir was bij de MID en dat de verdachte plaatsvervanger was bij de MID. Hij heeft verder verklaard dat het hoofd van de MID, diens plaatsvervanger en het hoofd van de afdeling verhoor in een driehoeksoverleg de dossiers met bewijsmateriaal over personen die propaganda maakten en daarmee het personeel van de eenheid ontmoedigden, coördineerden. Zij bespraken ook te nemen maatregelen, zoals het arresteren van de persoon in kwestie.

[Betrokkene 7] verklaarde voorts dat de plaatsvervangers, wettelijk gezien, de arrestatiebevelen moesten tekenen als [betrokkene 3] er niet was en dat de plaatsvervangers en het hoofd van de afdeling verhoor nauw samenwerkten. Het hoofd van de afdeling verhoor stelde het hoofd van de MID en zijn plaatsvervanger op de hoogte van de vorderingen van het verhoor van een arrestant. [betrokkene 7] heeft aansluitend volhard in zijn, door tussenkomst van een tolk, afgelegde verklaring en hem ondertekend. [Betrokkene 7] is nadien op 7 februari 2008 door de rechter-commissaris gehoord. De rechter-commissaris heeft dit verhoor voortijdig beëindigd omdat hij de getuige geestelijk niet in staat achtte om een verklaring af te leggen. In zoverre is ook de verdediging niet (meer) in de gelegenheid geweest deze getuige vragen te (doen) stellen en zodoende zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Nu de eerdere verklaring van [betrokkene 7], op relevante onderdelen, ondersteuning vindt in de andere hier aangehaalde getuigenverklaringen, acht het hof die verklaring desondanks bruikbaar voor het bewijs.

vii. De getuige [betrokkene 8]

156. Met betrekking tot de door het openbaar ministerie in dit verband aangehaalde verklaring van de getuige [betrokkene 8] merkt het hof het volgende op. De getuige [betrokkene 8] is op 20 mei 2008 door de politie en op 26 en 27 juli 2008 door de rechter-commissaris gehoord. Hij verklaarde dat hij de opvolger van [betrokkene 3] als directeur van de MID was in de periode tussen 1370 en 1371 (het hof begrijpt: tussen 1991 - 1992). [betrokkene 8] heeft tegenover de politie uitvoerig verklaard over de functie en verantwoordelijkheden van de verdachte als eerste plaatsvervanger. Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene 8] verklaard dat hij zich tijdens het eerdere gesprek met de Nederlandse politie heeft vergist in de functie van de verdachte en dat, anders dan zijn eerdere verklaring, de verdachte tweede plaatsvervanger van de directeur van de MID was. Voorts heeft [betrokkene 8] verklaard dat hij niet gelijktijdig met de verdachte werkzaam was bij de MID in Kabul. In de periode waarin de verdachte bij de MID werkzaam was, werkte [betrokkene 8] buiten Kabul en op het moment dat [betrokkene 8] directeur werd van de MID in Kabul was de verdachte reeds vertrokken. In antwoord op de vraag welke taken een tweede plaatsvervanger had, heeft [betrokkene 8] verklaard dat hij dat niet nauwkeurig kan aangeven. Gelet op de inhoud van de laatste verklaring, alsmede op het feit dat de (eerste) verklaring van de getuige voor zover deze betrekking heeft op de functie en verantwoordelijkheden van de verdachte als eerste plaatsvervanger geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat het hof aan dit onderdeel van die eerste verklaring voorbij.

157. Voormelde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, leiden het hof tot de volgende beschouwingen. Het hof constateert dat de getuige [betrokkene 3] in grote lijnen bevestigt hetgeen de verdachte over zijn taken heeft verklaard. Anders dan door de verdachte eerst ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, heeft [betrokkene 3] niet verklaard dat die taken veelvuldig afwezigheid van de verdachte uit Kabul met zich meebrachten.

Voorts heeft de getuige [betrokkene 3] weinig inzicht gegeven in de taken en verantwoordelijkheden van de verdachte en daarmee in de werkelijke verhouding tussen de verdachte en het hoofd van de afdeling verhoor en onderzoek, [betrokkene 2], ofschoon hij anderzijds niet heeft kunnen uitsluiten dat de verdachte voor controle bij de verhoorkamers is langs geweest, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat dit (mede) tot zijn verantwoordelijkheden behoorde. Dit laatste volgt ook meer expliciet uit de verklaring van de getuige [betrokkene 4], onder andere inhoudende dat de hoger in rang geplaatste verdachte in militair opzicht aan het hoofd van de afdeling verhoor bevelen mocht geven en zich tevens met de verhoren mocht bemoeien. Het meest expliciet is evenwel het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor zelf, de getuige [betrokkene 2], volgens wie de verdachte als plaatsvervanger hiërarchisch boven hem stond en een wettelijke opdracht van de plaatsvervanger door hem, [betrokkene 2], moest worden opgevolgd. Deze verklaring vindt verder steun in de verklaringen van de getuige [betrokkene 5], inhoudende dat de afdeling verhoor en ondervraging onder de bevoegdheid van de verdachte viel, alsmede van de getuige [betrokkene 6], volgens wie de verdachte in zijn positie volgens de wet verhoren mocht bijwonen en, in soortgelijke zin, de getuige [betrokkene 7], die heeft verklaard dat het hoofd van de MID, diens plaatsvervanger en het hoofd van de afdeling verhoor een driehoeksoverleg hadden en dat de plaatsvervangers en het hoofd van de afdeling verhoor nauw samenwerkten.

158. Als medewerkers en daarmee ondergeschikten van [betrokkene 2], voor zover die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan schendingen van internationaal humanitair recht, worden door diverse getuigen meer specifiek de volgende personen genoemd. [slachtoffer 1] noemt in zijn eerdergenoemde verklaring in de zaak RL5051 een zekere [betrokkene 9] als een van de verhoorders die hem hebben geschopt en geslagen. De getuige [betrokkene 10] heeft tegenover de rechter-commissaris op 28 februari 2007 en eerder op 3 februari 2005 tegenover de politie in de zaak RL5051 verklaard tijdens zijn verhoor bij de MID gewond te zijn geraakt door toedoen van een zekere [betrokkene 11]. Ook de getuige [betrokkene 12] heeft tegenover de rechter-commissaris een zekere [betrokkene 13] genoemd als een van zijn verhoorders, en voorts de namen [betrokkene 14 t/m 18] genoemd als verhoorders. Getuige [betrokkene 18] was volgens zijn eigen verklaring tegenover de politie op 10 oktober 2006 in de periode tussen 1981 en 1991 werkzaam bij de MID, aanvankelijk als secretaris van de jongerenorganisatie en later als hoofd van de afdeling propaganda. Andere getuigen, onder wie [betrokkene 2] - in zijn verklaring van 7 december 2004 -, verklaren dat [betrokkene 18] één van de verhoorders was die onder de verantwoordelijkheid van [betrokkene 2] werkzaam waren. Dit laatste wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 19] tegenover de politie van 25 mei 2006, inhoudende dat hij door [betrokkene 18] is geslagen en geschopt nadat hij werd gearresteerd op 26 Ghaus 1364 (hof: 17 december 1985). De getuige [betrokkene 20] noemt in zijn verklaring bij de politie van 7 juli 2006 voorts de naam van een zekere [betrokkene 21].

159. Bij deze stand van zaken acht het hof, voorgaande verklaringen in samenhang bezien, boven redelijke twijfel verheven dat er in de tenlastegelegde periode een de jure gezagsrelatie bestond tussen de verdachte als meerdere enerzijds en het hoofd van de afdeling [betrokkene 2] en zijn medewerkers anderzijds.

b. 'Effective control', bevoegdheid en taak

160. Thans ligt ter beoordeling voor de vraag of de verdachte 'effective control' had. Met andere woorden: had de verdachte feitelijke zeggenschap over de ondergeschikten die de tenlastegelegde misdaden hebben gepleegd? Met inachtneming van hetgeen hierover reeds is overwogen acht het hof voor het vaststellen van 'effective control' de navolgende vragen relevant:

1. Wat was de feitelijke relatie tussen de verdachte en [betrokkene 2] en zijn verhoorders als ondergeschikten?

2. Had de verdachte zeggenschap over hen voorafgaande en ten tijde van de gepleegde strafbare feiten en, zo ja, had hij de materiële mogelijkheid om de misdaden te voorkomen (of de daders te bestraffen)?

161. Het hof benadrukt dat vaststelling van 'effective control' slechts kan geschieden met inachtneming van de tijdstippen waarop de onderliggende strafbare feiten zijn gepleegd. Er moet immers 'effective control' zijn ten tijde van de door de ondergeschikten gepleegde strafbare feiten in casu -gelet op de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] genoemde detentieperiode- in de periode van 1 december 1985 tot en met 1 juni 1986.

162. De verdachte heeft als getuige in de zaak RL 5051 tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op 8 september 2005 tegenover de rechter-commissaris onder meer verklaard dat hij weliswaar in hetzelfde gebouw kantoor hield als [betrokkene 2] maar geen inhoudelijke contacten met hem had. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat er tussen [betrokkene 2] en hem geen zakelijke relatie bestond, dat de taken van [betrokkene 2] niet tot die van hem behoorden en dat hij niet de taak had om [betrokkene 2] in de gaten te houden.

163. Dat de verdachte de bevoegdheid had om [betrokkene 2] te controleren, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, kan naar het oordeel van het hof uit de hierboven genoemde getuigenverklaringen worden opgemaakt. Omtrent het vraagpunt van de 'effective control' acht het hof de volgende getuigenverklaringen van belang, voor zover hier zakelijk weergegeven.

i. De getuige [betrokkene 2]

164. De getuige [betrokkene 2] heeft in zijn eerdergenoemde verhoor tegenover de rechter-commissaris van 10 en 11 maart 2008 verklaard dat hij in zijn werk met de verdachte te maken had. Volgens hem stond de verdachte als plaatsvervanger boven hem en werden alle brieven naar andere instanties getekend door de Rais (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) of diens plaatsvervangers. Als de Rais er niet was, mocht de plaatsvervanger hem instructies of een taak geven. In geval van problemen legde hij deze voor aan de plaatsvervanger.

Hij verklaarde voorts dat de plaatsvervanger de bevoegdheid had om hem opdracht te geven martelingen uit te zoeken of te stoppen. Daar staat tegenover dat [betrokkene 2] niets heeft verklaard dat erop wijst dat hij ooit van de verdachte enige opdracht heeft gekregen in het kader van zijn werkzaamheden als hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor, hetgeen een contra-indicatie is voor 'effective control'.

ii. De getuige [betrokkene 7]

165. Op 6 september 2006 heeft [betrokkene 7], als gezegd, verklaard dat het hoofd van de MID, diens plaatsvervanger en het hoofd van de afdeling verhoor in een driehoeksoverleg de dossiers met bewijsmateriaal over personen die propaganda maakten en daarmee het personeel van de eenheid ontmoedigden, coördineerden. Zij bespraken ook te nemen maatregelen, zoals het arresteren van de persoon in kwestie. [Betrokkene 7] verklaarde voorts dat de plaatsvervangers, wettelijk gezien, de arrestatiebevelen moesten tekenen als [betrokkene 3] er niet was en dat de plaatsvervangers en het hoofd van de afdeling verhoor nauw samenwerkten. Het was volgens [betrokkene 7] niet zo dat de plaatsvervangers niets te doen hadden als het hoofd er niet was. Het hoofd van de afdeling verhoor stelde het hoofd van de MID en zijn plaatsvervanger op de hoogte van de vorderingen van het verhoor van een arrestant. Het was wel mogelijk dat het hoofd van de MID en zijn plaatsvervangers bij het verhoor van een arrestant aanwezig waren. De getuige gaf aan niet te weten óf het hoofd van de MID controle hield over de omstandigheden waaronder de arrestanten daar verbleven.

iii. De getuige [betrokkene 12]

166. Dat de verdachte uit hoofde van zijn functie van (een van de) plaatsvervanger(s) van het hoofd van de MID ook de taak had om [betrokkene 2] te controleren, zou kunnen worden afgeleid uit de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [betrokkene 12], die volgens zijn verklaring in de periode tussen 1359 (1980) en 24 Jawza 1364 (14 juni 1985) werkzaam was bij de MID in Kabul. Deze getuige heeft tegenover de rechter-commissaris op 27 februari 2007 verklaard dat de verdachte het hoofd was van [betrokkene 2] en hem instructies gaf en dat de verdachte toezicht hield op verhoren waarbij ook mensen werden gemarteld. Blijkens zijn verklaring doelt deze getuige daarbij in het bijzonder op de rol van de verdachte bij de verhoren van een tiental arrestanten die naar aanleiding van een bomaanslag op de luchthaven in 1363 (1984/1985) waren aangehouden.

Anders dan in zijn verklaring van 2 juni 2005 tegenover de politie in de zaak RL5051, waarin hij zegt dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] verantwoordelijk waren voor deze verhoren, verklaart [betrokkene 12] in bovengenoemd verhoor tegenover de rechtercommissaris dat de verdachte de leiding had over de verhoren van deze arrestanten.

iv. De getuige [betrokkene 4]

167. Deze verklaring vindt steun in die van de eerdergenoemde getuige [betrokkene 4] op 31 januari 2008 tegenover de rechter-commissaris inhoudende dat de verdachte zich eventueel met verhoren kon bemoeien indien de directeur hem instructies zou hebben gegeven of een overleg met een adviseur of officier van justitie zou hebben gehad. [Betrokkene 4] verklaarde tenslotte dat hij gezien had dat de verdachte soms één of twee keer per week het kantoor van zijn Modir, [betrokkene 2], binnenging. Hij memoreerde meer in het bijzonder eveneens de gebeurtenis rond een luchtaanval in Kabul in 1983, waarbij een groot aantal slachtoffers viel. Met betrekking tot de gebeurtenissen die volgden op die bomaanslag, zoals het aanhouden en overbrengen van verdachten naar het Moderiat onderzoek en verhoor, verklaarde hij dat bij deze zaak de plaatsvervangers een rol hebben gespeeld. Hij verklaarde zelf indertijd in het gebouw van het Moderiat onderzoek/verhoor te hebben gewerkt en er zelf getuige van te zijn geweest dat de verdachte, die kantoor hield naast het kantoor van het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor, [betrokkene 2], diens kantoor binnenkwam. Er waren, naast ander personeel, ook 10 à 11 verhoorders aanwezig.

v. De getuige [betrokkene 5]

168. Met betrekking tot het controleren door de verdachte van [betrokkene 2] heeft eerdergenoemde getuige [betrokkene 5] tegenover de rechter-commissaris op 6 februari 2007 verklaard dat de verdachte tot plaatsvervangend directeur van de MID was benoemd met het doel om de Khalqi's, onder wie [betrokkene 2], in de gaten te houden.

169. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep beaamd dat hij als enige van de plaatsvervangers zijn werkkamer in hetzelfde gebouw op het terrein van de MID had als het hoofd van de afdeling onderzoek en verhoor [betrokkene 2]; de werkkamers bevonden zich zelfs op dezelfde gang. Dit laatste is ten overstaan van de rechter-commissaris ook bevestigd door de bewaker, schoonmaker en chauffeur van de verdachte, [betrokkene 22]. Deze getuige, die in de periode voordat de verdachte naar Kunduz werd overgeplaatst enkele maanden als bewaker en chauffeur van de verdachte werkzaam was, heeft op 6 maart 2007 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat er sprake was van geschillen tussen de verdachte en [betrokkene 2]. De oorzaak van deze geschillen was volgens deze getuige het feit dat verdachte en [betrokkene 2] tot twee verschillende fracties behoorden. Hoewel zij beiden een kamer op dezelfde gang hadden, gingen zij niet bij elkaar langs en daaruit bleek dat ze geen goede relatie hadden, aldus deze getuige.

170. Met de inhoud van deze verklaringen is de vraag of de verdachte uit hoofde van zijn functie ook de taak had om [betrokkene 2] te controleren nog niet overtuigend beantwoord. Immers de getuige [betrokkene 12], die indertijd een medewerker was van afdeling 2, baseert zich slechts op wat hij heeft waargenomen bij gebeurtenissen in 1984, bijna anderhalf jaar vóór de tenlastgelegde gebeurtenissen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] betreffende. Met de rechtbank constateert het hof voorts dat slechts de hiervoor genoemde [betrokkene 12] verklaart dat de verdachte tijdens verhoren instructies heeft gegeven aan [betrokkene 2].

171. Het hof zal echter geen bewijswaarde aan deze verklaring toekennen nu deze niet alleen op zichzelf staat maar bovendien kennelijk betrekking heeft op gebeurtenissen die buiten de tenlastelegging vallen. Hetzelfde geldt voor de getuigenis van [betrokkene 4] die verdachtes specifieke bemoeienis met betrekking tot een gebeurtenis uit 1983 beschrijft. Daarnaast kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de waarde van de verklaring van [betrokkene 5] over de taak van de verdachte [betrokkene 2] in de gaten te houden. Uit een dergelijke meer spionerende opdracht - als daarvan al sprake was - vloeit niet per definitie voort dat de verdachte ook tot taak had [betrokkene 2] te controleren op andere zaken dan zijn loyaliteit, laat staan dat daarmee is komen vast te staan dat de verdachte als meerdere ook 'effective control' had over het handelen van [betrokkene 2] en anderen voorafgaande en ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde gedragingen.

Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg nog heeft gewezen op de ook door het hof niet onaannemelijk geachte mogelijkheid dat bij de verhoren van getuigen, welke alle door tussenkomst van een tolk zijn geschied, onvoldoende oog is geweest voor het onderscheid tussen de 'afdeling onderzoek en verhoor' en de verhoorruimtes.

172. Ook het enkele feit dat de getuige [betrokkene 3] in zijn meergenoemde verklaring bij de rechter-commissaris van 7 februari 2007 heeft aangegeven dat het zou kunnen zijn dat de verdachte wel eens bij de verhoorruimtes van de afdeling onderzoek en verhoor langs is geweest, dat de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben verklaard dat de verdachte krachtens zijn positie de verhoren van de arrestanten door medewerkers van de afdeling onderzoek en verhoor mocht bijwonen en afnemen en dat volgens de verklaringen van de getuige [betrokkene 23] van 24 mei 2006 hij na zijn arrestatie door de MID op 29 oktober 1364 (hof: 1985) door de onderdirecteur van de Khad, een zekere [betrokkene 24], is geslagen, kan niet tot vorenstaande conclusies leiden.

173. Het hof stelt vast dat het procesdossier onvoldoende informatie bevat voor de vaststelling dat de verdachte een zodanige positie had dat hij daadwerkelijk in staat was om veranderingen aan te brengen in de structuur van de MID, inclusief het stoppen van martelingen en andere misdaden tegen de menselijkheid. Het voorafgaande geldt ook voor de vraag in hoeverre de verdachte de bevoegdheid had [betrokkene 2] en zijn verhoorders te bestraffen, te arresteren, te ontslaan of te vervangen, eveneens factoren die van belang kunnen zijn om vast te stellen dat er sprake was van 'effective control'.

174. Het hof heeft hierboven vastgesteld, dat tussen de verdachte -als (tweede) plaatsvervanger van [betrokkene 3]- en [betrokkene 2] en zijn medewerkers een gezagsrelatie bestond. Als eveneens eerder door het hof vastgesteld, zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] slachtoffer geweest van geweldplegingen van de zijde van [betrokkene 2] cum suis in de tenlastegelegde periode, die vallen onder de bepaling van artikel 8 WOS. Ten aanzien van de tijdstippen waarop zulks is geschied, ontbreken gedetailleerde gegevens. Evenmin zijn gegevens bekend geworden over de periodes waarin of de tijdstippen waarop de verdachte, naast zijn taak als modir van de afdeling inlichtingen van de MID, zijn taak als tweede plaatsvervanger van [betrokkene 3] daadwerkelijk heeft uitgevoerd of diende uit te voeren. Er is geen bewijs voorhanden, waaruit het hof met voldoende zekerheid kan opmaken, dat de gezagsverhouding tussen de verdachte en [betrokkene 2] cum suis inhield dat de verdachte te allen tijde, ook bij aanwezigheid van [betrokkene 3], bedoeld gezag kon uitoefenen en/of de taak had zulks te doen.

175. Tevens ontbreken in de onderhavige zaak gegevens omtrent de bekendheid van de verdachte met de aanwezigheid ter plaatse van voornoemde slachtoffers, omtrent zijn bekendheid met hun verhoren of de tijdstippen daarvan en omtrent hun bereidheid aan het onderzoek deel te nemen. In het dossier bevinden zich, als eerder overwogen, aanwijzingen dat er bij de MID gemarteld werd en dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Die algemene omstandigheid is echter, gelet op voormeld gebrek aan gegevens van feitelijke aard en gelet op hetgeen het hof hiervoor in algemene zin omtrent de bewijswaardering en omtrent de relevante getuigenverklaringen heeft overwogen, onvoldoende voor de noodzakelijke vaststelling, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde misdaden, daadwerkelijk in de positie verkeerde dat hij 'effective control' te dien aanzien kon uitoefenen. Daarmee is niet voldaan aan één van de vereisten voor de vaststelling dat de verdachte als meerdere aansprakelijk kan worden gesteld voor de tenlastegelegde schendingen van het internationale humanitaire recht.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden bewezen, dat de verdachte opzettelijk heeft toegelaten, dat (een) aan hem ondergeschikte(n) feiten als bedoeld in artikel 8 WOS heeft/hebben begaan en dient hij van het hem onder feit 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

176. Het hof laat gezien deze vaststelling het verweer van de verdediging dat de Russische adviseurs de formele bevelsstructuur binnen de MID substantieel hadden doorkruist onbesproken.

177. Bij deze stand van zaken ten aanzien van feit 1 en feit 2 komt het hof aan de bespreking van het bestanddeel 'opzet', al dan niet in voorwaardelijke vorm, en andere resterende verweren en standpunten over de bewijsvraag niet (meer) toe."

2.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 8 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht:

"1. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:

1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is;

2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt;

3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden;

4°. indien het feit plundering inhoudt.

3. Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:

1° . indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt;

2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde;

3° . indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;

4° . indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten;

5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan;

6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst;

7 °. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij."

- art. 9 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht:

"Met gelijke straf als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat, dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat."

2.4.1. Bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte als bedoeld in art. 9 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht heeft het Hof terecht aansluiting gezocht bij het internationale recht ter zake. Daarbij heeft het ook kunnen betrekken de doctrine van 'command responsibility'. Die doctrine is onder meer terug te vinden in art. 7, derde lid van het Statuut van het Joegoslavië-tribunaal en art. 6, derde lid van het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de daarop betrekking hebbende rechtspraak; beide artikelen spreken in dat verband over het geval dat de meerdere "knew or had reason to know that the subordinate was about to commit such acts or had done so and the superior failed to take the necessary and reasonable measures to prevent such acts or to punish the perpetrators thereof".

2.4.2. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vorm van dergelijke 'command responsibility' is vereist dat de meerdere 'effective control' heeft over de ondergeschikte die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op ICTY 30 juni 2006 (Prosecutor v. Oric), IT-03-68-T, waarin het Joegoslavië-tribunaal een beschouwing over deze begrippen heeft gegeven en factoren heeft genoemd die indicatief kunnen zijn voor het bestaan van 'effective control':

"3. 'Superior-Subordinate Relationship'

307. As stated by the Trial Chamber in the Celebici case, "the doctrine of command responsibility is ultimately predicated upon the power of the superior to control the acts of his subordinates". This has two implications.

308. First, Article 7(3) of the Statute does not differentiate between 'commander' and 'superior' as was later done in Article 28 of the Rome Statute, but instead uses exclusively the generic term of 'superior'. Consequently, the scope of Article 7(3) of the Statute extends beyond classical 'command responsibility' to a truly 'superior criminal responsibility', and does not only include military commanders within its scope of liability, but also political leaders and other civilian superiors in possession of authority.

309. The second implication is that, in relation to the power of the superior to control, it is immaterial whether that power is based on a de jure or a de facto position. Although formal appointment within a hierarchical structure of command may still prove to be the best basis for incurring individual criminal responsibility as a superior, the broadening of this liability as described above is supported by the fact that the borderline between military and civil authority can be fluid. This is particularly the case with regard to many contemporary conflicts where there may be only de facto self-proclaimed governments and/or de facto armies and paramilitary groups subordinate thereto.

310. Thus, regardless of which chain of command or position of authority the superiorsubordinate relationship may be based, it is immaterial whether the subordination of the perpetrator to the accused as superior is direct or indirect, and formal or factual. In the same vein, the mere ad hoc or temporary nature of a military unit or an armed group does not per se exclude a relationship of subordination between the member of the unit or group and its commander or leader.

311. Within this rather broad platform, however, proof of a superior-subordinate relationship ultimately depends on the existence of effective control which requires that the superior must have had the material ability to prevent or punish the commission of the principal crimes. On the one hand, this needs more than merely having 'general influence' on the behaviour of others. Likewise, merely being tasked with coordination does not necessarily mean to have command and control. On the other hand, effective control does not presuppose formal authority to issue binding orders or disciplinary sanctions, as the relevant threshold rather depends on the factual situation, i.e., the ability to maintain or enforce compliance of others with certain rules and orders. Whether this sort of control is directly exerted upon a subordinate or mediated by other subsuperiors or subordinates is immaterial, as long as the responsible superior would have means to prevent the relevant crimes from being committed or to take efficient measures for having them sanctioned. In the same vein, proof of the existence of a superior-subordinate relationship does not require the identification of the principal perpetrators, particularly not by name, nor that the superior had knowledge of the number or identity of possible intermediaries, provided that it is at least established that the individuals who are responsible for the commission of the crimes were within a unit or a group under the control of the superior.

312. Although it is obvious that the requisite level of control is a matter to be determined on the basis of the evidence presented in each case, the jurisprudence of the tribunal provides certain criteria that are more or less indicative of the existence of some authority in terms of effective control. This is in particular true with regard to the formality of the procedure used for appointment of a superior, the power of the superior to issue orders or take disciplinary action, the fact that subordinates show in the superior's presence greater discipline than when he is absent, or the capacity to transmit reports to competent authorities for the taking of proper measures. Likewise, the capacity to sign orders is an indicator of effective control, provided that the signature on a document is not purely formal or merely aimed at implementing a decision made by others, but that the indicated power is supported by the substance of the document or that it is obviously complied with. An accused's high public profile, manifested through public appearances and statements or by participation in high-profile international negotiations, although not establishing effective control per se, is an additional indicator of effective control. On the other hand, effective control does not necessarily presuppose a certain rank, so that even a rank-less individual commanding a small group of men can have superior criminal responsibility. Nor is it required that the superior generally exercises the trappings of de jure authority."

2.5. Het middel klaagt in het bijzonder dat het Hof de in het internationale recht ontwikkelde maatstaf bij de uitleg van de begrippen 'command responsibility' en 'effective control', te weten de 'material ability to prevent or punish criminal conduct', niet op de juiste wijze heeft toegepast.

2.6. Het middel bevat als eerste klacht dat het Hof in dit verband ten onrechte de voorwaarde stelt dat het tot de taak van de verdachte behoorde om de afdeling onderzoek en verhoor van de MID te controleren op het voorkomen van feiten zoals die onder feit 2 zijn tenlastegelegd. Die klacht berust echter op een verkeerde lezing van de overwegingen van het Hof. Het Hof heeft immers niet meer gedaan dan zijn oordeel dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte uit hoofde van zijn functie de taak had om de afdeling onderzoek en verhoor te controleren, te betrekken bij het uiteindelijke oordeel dat de verdachte niet daadwerkelijk in staat was om de tenlastegelegde feiten te voorkomen. Mede gelet op de hiervoor onder 2.4.2 weergegeven factoren die bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte in aanmerking kunnen worden genomen, geeft dat uiteindelijke oordeel in zoverre geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is dat evenmin onbegrijpelijk.

2.7. Datzelfde geldt voor de voorts in het middel bestreden oordelen van het Hof dat het procesdossier onvoldoende informatie bevat voor de vaststelling dat de verdachte een zodanige positie had dat hij daadwerkelijk in staat was om veranderingen aan te brengen in de structuur van de MID, dat gedetailleerde gegevens ontbreken ten aanzien van de tijdstippen waarop de in de tenlastelegging onder 2 genoemde misdrijven zijn gepleegd en dat gegevens ontbreken omtrent de bekendheid van de verdachte met details van voornoemde misdrijven. Ook die feitelijke vaststellingen heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen betrekken bij het uiteindelijke oordeel dat geen sprake was van 'effective control'.

2.8. Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 november 2011.

8 November 2011

Criminal Division

no. 09/03090

Supreme Court of the Netherlands

Judgment

in the appeal in cassation from the judgment of 16 July 2009 handed down by The Hague Court of Appeal, no. 22/004581-07, in the criminal proceedings against:

[defendant], born in [place of birth] on [date of birth] 1950, at the time of the service of the writ without any known permanent or temporary place of residence in this country.

1. Appeal in cassation

The appeal - which is evidently not directed against the defendant's acquittal on count 1 of the indictment - was lodged by the Advocate General at the Court of Appeal, who submitted written grounds for appeal in cassation. These grounds are appended to the present judgment and form part of it.

The defendant's legal counsel, G.G.J. Knoops, attorney-at-law in Amsterdam, has contested the appeal.

Advocate General Vegter has moved that the appeal be dismissed.

2. Assessment of the grounds

2.1. The grounds for appeal challenge the defendant's acquittal on count 2.

2.2.1. Count 2 of the indictment alleges as follows:

"That members of the KhAD-e-Nezami, the Afghan military intelligence service, in any event a person or persons, (all) working for and/or subordinate to the defendant [defendant] (and his co-perpetrator(s)),

on one or more occasions in or around the period from 1 January 1981 to 1 January 1987, in Kabul, or in any event in Afghanistan, did together and in association with one or more others, or alone, (on each occasion) violate the laws and customs of war,

this offence / these offences (on each occasion) having caused serious bodily injury to one or more persons, and/or

this offence / these offences having involved (on each occasion) the joint commission of acts of violence against one or more persons, or against a sick and/or wounded person, consisting in the fact that the above-mentioned members of the military intelligence service (KhAD-e-Nezami), in any event this person or these persons, (all) working then and there for and/or subordinate to the defendant (and his co-perpetrator(s)), in violation of international customary law and/or

the provisions of 'common' article 3 of the Geneva Conventions of 12 August 1949,

as a member/members of the military intelligence service (the KhAD-e-Nezami) of Afghanistan, or acting on behalf of the public authorities, belonging to one of the warring factions in a non-international armed conflict within the territory of Afghanistan,

did on several occasions commit acts of physical violence and/or mutilation and/or cruel and/or inhuman treatment and/or torture, on one or more persons who was/were not then taking any direct part in the hostilities (namely one or more civilians and/or those placed hors de combat by detention or some other cause),

namely persons including [victim 1] and/or [victim 2] and/or [victim 3] (the son of [the first person concerned]), and/or one or more other persons,

such acts of physical violence and/or mutilation and/or cruel (inhuman) treatment and/or torture consisting in, among other things, the fact that the said member or members, or the aforementioned persons, together and in association with one or other persons, or alone,

on one or more occasions in or around the period from 1 December 1985 to 1 March 1986, in or near the premises of the KhAD-e-Nezami in Kabul, or in any event in Afghanistan,

- kicked and/or beat [victim 1] on the shinbone and/or about the body on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion)

- kept the above-mentioned [victim 1] awake for days and nights on end and/or forced the above-mentioned [victim 1] to remain outside for one or more of these days (and nights) during a period of cold weather, and/or

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion) forcibly held one or more of the fingers of the above-mentioned [victim 1] between a door and the door jamb and then slammed the door shut while the finger or fingers of the above-mentioned [victim 1] were still between the door and the jamb and/or

- cut off part of a finger of the above-mentioned [victim 1] without anaesthetic,

causing the above-mentioned [victim 1] pain and/or serious bodily injury, and/or

on one or more occasions in or around the period from 1 December 1985 to 1 June 1986 in or near the premises of the KhAD-e-Nezami in Kabul, or in any event in Afghanistan,

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion) attached one or more electric wires to the toes, or in any event to the body of [victim 3] and (subsequently) administered an electric current to the body of the above-mentioned [victim 3] through said electric wire(s), and/or

- kicked and/or beat [victim 3] on the shinbone and/or about the body on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion)

causing the above-mentioned [victim 3] pain and/or serious bodily injury, and/or

on one or more occasions in or around the period from 1 December 1985 to 1 May 1986, in or near the premises of the KhAD-e-Nezami in Kabul, or in any event in Afghanistan,

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion), kicked and/or beat and/or punched the body of [victim 2], and/or

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion), kept the said [victim 2] awake for days and nights on end, and/or

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion) attached one or more electric wires to the toes, or in any event to the body of the abovementioned [victim 2] and (subsequently) administered an electric current to the body of the abovementioned [victim 2] through said electric wire(s), and/or

- on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion) hung the abovementioned [victim 2] by the feet and/or subsequently struck him with (wet) branches, in any event with a (hard) object on his (bare) feet, or in any event on the body of said [victim 2],

causing the above-mentioned [victim 2] pain and/or serious bodily injury in respect of which above-mentioned acts of physical violence, at least one of which resulted in serious bodily injury, or in any event bodily injury, he, the defendant [defendant], on one or more occasions in or around the period from 1 October 1981 to 1 January 1987 in Afghanistan, intentionally permitted persons subordinate to him, the defendant, to commit these offences on several occasions, or in any event on one occasion (on each occasion),

to wit, that he, the defendant (and his co-perpetrator(s)), took no or insufficient measures to prevent these acts of physical violence and/or serious bodily injury, or in any case bodily injury, and to punish the subordinates responsible for them."

2.2.2. The Court of Appeal acquitted the defendant of the charges alleged in count 2 of the indictment. In so doing, the Court of Appeal held inter alia as follows (including the footnotes, which are omitted here):

"7.2 'Command responsibility':

130. The defence maintains that the defendant should be acquitted of the charges described in count 2. The defence argues, in brief, that section 9 of the Wartime Offences Act (WOS) refers to a formal relationship of authority or command structure between superior and subordinate and does not include a de facto relationship. But the defendant had no formal command relationship with the persons in the investigation and interrogation division or with the interrogators themselves. What is more, the existing (formal) command structure was further complicated by Russian advisors. It is also disputed that the defendant exercised 'effective control' over de interrogators. The defence also argues that the concept of intent should be construed narrowly. Finally, the defence argues that section 9 WOS refers only to someone who 'intentionally permits' certain acts, and hence does not make it a criminal offence to fail to punish a subordinate, with which the defendant has also been charged. The defendant must therefore be acquitted of this latter charge, according to the defence counsel.

131. The Court of Appeal notes first and foremost that in applying section 9 of the WOS, the Public Prosecution Service proceeds on the assumption that it is sufficiently clear from the legislative history of the WOS that the relationship between 'superior' and 'subordinate' may be determined by factual (de facto) as well as formal (de jure) relations of authority. The Public Prosecution Service also suggests deriving support here from international law, which refers to 'effective control' and 'actual or reasonable knowledge'. In relation to this knowledge, or mens rea, the Public Prosecution Service takes the view that the Dutch concept of intent is applicable, including recklessness.

Finally, the Public Prosecution Service agrees with the defence proposition that the defendant should be acquitted of the charge of 'failure to punish a subordinate'.

7.2.1 The scope of section 9 of the Wartime Offences Act (WOS)

132. In count 2 of the indictment, the defendant is charged with having breached section 9 in conjunction with section 8 of the WOS. At the time of the indictment, the description of the offence punishable under section 9 of the WOS read as follows:

'Any person who wilfully permits an offence as described in the previous section to be committed by a subordinate shall be liable to the same sentence as that carried by such offences.'

The description of the offence punishable under section 8 of the WOS is given above, in section 5.1 of this judgment.

The legal framework in which count 2 of the indictment must be assessed consists of the elements of sections 8 and 9 of the WOS. In the light of the arguments put forward by the defence, it is primarily the elements 'subordinate' and 'wilfully' that require consideration. If the existence of a relationship of superior/subordinate cannot be demonstrated, however, the Court of Appeal will not go on to assess the required concept of intentionality. The Court must therefore begin by discussing the relationship of authority between superior and subordinate. The Court of Appeal concurs with the defence and the Public Prosecution Service in noting that the offence described in section 9 of the WOS relates exclusively to someone who 'wilfully permits' certain acts, and, in contrast to relevant provisions of international law, does not define it as a criminal offence to fail to punish a subordinate.

133. It must be proven that 'a subordinate' has committed acts within the meaning of section 8 of the WOS. In other words, a relationship of subordination must exist between the actual perpetrators of the acts of violence and the superior referred to in section 9 of the WOS. This relationship includes, in any event, all those who are under the person's command; the superior is obliged to supervise their behaviour and as their superior, to prevent and correct certain kinds of conduct, if necessary. From the Explanatory Memorandum accompanying the WOS, it is clear that the tenor of section 9 of the WOS corresponds to the text incorporated into article 27a, para. 3 of the Criminal Law (Wartime Occupation) Decree (BBS), which in turn derives from article 91, para. 2 of the Military Criminal Code, which ceased to apply when section 9 of the WOS entered into effect. The BBS related to criminal offences committed 'during the present war'.

Article 27a of the BBS relates to the relationship between superior and subordinate, and the relevant passage of this article reads as follows:

'1. Anyone who, during the present war, while in military, government or public service with or under the auspices of the enemy, is guilty of any war crime or any crime against humanity within the meaning of article 6 (b) or 6 (c) of the Charter attached to the London Agreement of 8 August 1945 ... shall be liable, if the crime contains elements of a criminal offence to which this Decree or the Military Criminal Code applies, to the sentence carried by that offence.

(...)

3. Any superior who wilfully permits an offence as referred to in paragraphs 1 and 2 to be committed by a subordinate shall be liable to the same sentence as that carried by such offences.'

134. The aforementioned provision, which filled a gap in the Netherlands' jurisdiction in respect of the members of foreign armed forces who had acted within the scope of their formal powers, constitutes a hybrid form of the application of national and international norms.

It further appears from the Explanatory Memorandum accompanying the draft of article 27a of the BBS that the relationship between superior and subordinate within the meaning of the provision does not relate exclusively to military relationships, but in the context of the provision in para. 1, also relates to any form of subordinate relationship in government or public service. In view of this, the Court of Appeal holds, contrary to the submissions of the defence, that subsequently the legislator, in the context of section 9 of the WOS, likewise allowed for the possibility of a relationship of authority based on a structure other than that of a formal military command structure.

7.2.2 The relationship between the superior and his subordinate in an international context

135. The above leads the Court of Appeal to conclude that in assessing the relationship of authority between superior and subordinate, the element 'subordinate' in section 9 of the WOS must be interpreted within the context of a hierarchical relationship between superior and subordinate. Here it is necessary to consider de facto relations between superior and subordinate, as well as the de jure relationship - the hierarchical relations based on laws and decrees within the organisation within which these persons are employed. In addition, the superior must be actually capable of intervening on the basis of this hierarchical relationship if his subordinate misbehaves, in any event if the latter commits criminal offences within the meaning of section 8 of the WOS.

136. The Court of Appeal had recourse to the international laws of war, not only in written law as enshrined in international agreements, but also in international customary law, where this relates to war, in order to flesh out the legal interpretation of the relationship of authority between superior and subordinate. In this connection, reference may be made to the aforementioned doctrine of 'command responsibility', which can be found inter alia in the above-mentioned article 7, para. 3 of the Statute of the ICTY and article 6, para. 3 of the Statute of the ICTR, as well as in judgments handed down in this context by domestic courts and ad hoc tribunals.

137. The Court of Appeal will devote a few general observations to the doctrine of command responsibility before setting out its conclusion in this regard in the present case.

138. In order to be held criminally liable as a superior for intentionally permitting subordinates to commit the crimes in the indictment (including failure to intervene), the superior, as already noted, must be, or have been, in a hierarchical relationship, whether direct or indirect, to those who actually committed the acts of violence and torture in the indictment. As already noted, this may be either a de jure or de facto relationship of authority.

139. A de jure relationship of authority between superior and subordinate is formally established or affirmed by law or decree. De jure powers may be conferred either verbally or in writing. The mere fact that a defendant has a higher rank or position in a hierarchical military organisation does not automatically mean that he is de jure the superior of all those lower in rank than he, if his position is not accompanied by the actual powers and authority that are normally attached to that position. To establish liability, it is therefore necessary to look at the effective exercise of those powers or authority rather than narrowly considering a person's formal position. What counts here is 'actual authority or control' as exercised by the superior.

140. A de facto relationship of authority can be defined as a relationship in which one party - the superior - possesses sufficient authority over one or more other persons to prevent them from committing crimes (or to punish them for doing so afterwards). This is a factual relationship of authority, which is not based on laws or regulations, or on internal rules. For a relationship to qualify as one of de facto authority, there must be an expectation that his orders will be obeyed on the part of the superior, and a parallel expectation of their subordinate status on the part of those subject to that authority.

141. Not only must the superior be in the same chain of command as those who have actually committed the alleged violations of humanitarian law, but this superior must also be in a position that is vertically above the perpetrators. The qualification 'superior' is not a theoretical concept that applies to every superior in the line of authority; it relates exclusively to a superior who bears individual criminal liability in relation to the perpetrators of the acts concerned, since the latter, as subordinates, are under his de facto control or authority. For the rest, the superior's position in the hierarchy may clearly be relevant when determining the nature and scope of his obligations and establishing whether he fulfilled these obligations after he learned of the perpetration, or possible perpetration, of criminal offences by his subordinates. If the command chain in the hierarchical structure is broken, a superior cannot, in principle, be held liable for crimes committed by individuals, unless the superior nonetheless had 'effective control', whether direct or indirect, over the perpetrators' actions. The positions of the superior and the perpetrators in the chain of command may also be relevant in determining whether the superior fulfilled the second requirement of mens rea. The greater the distance between superior and perpetrators, both physically and hierarchically in the chain of command, the harder it is to establish whether the superior was aware of the crimes committed (or likely to be committed) by his subordinates.

142. It is not enough to establish the existence of a de jure or de facto position of authority. It must also be established beyond all reasonable doubt that at the relevant point in time, namely at the time when, or period in which, the crimes at issue were committed, or are alleged to have been committed, the superior was actually in a position to exercise 'effective control' over the subordinates who committed the violations of international humanitarian law as charged in the indictment, and that he failed to do so. For the criminal liability of the superior, this means that he must have had a real opportunity - where relevant in the present case - to prevent the crimes. After all, "where there is no 'effective control', there is no 'superior responsibility'". It is therefore the superior's power and authority to control and supervise his subordinates' actions that forms the basis for the doctrine of 'command responsibility'. This command responsibility extends, moreover, to criminal offences committed by individuals who are formally not his (immediate) subordinates, provided he exercised 'effective control' over them.

143. What is more, the 'effective control' requirement emphasises the fact that someone who has been formally appointed to command or lead others, but who is in practice unable to exercise this authority, cannot be held responsible for criminal offences committed by those who were formally, but not effectively, under his authority. 'Effective control' expresses a factual, essential, effective or operational relationship of authority. One side commands and the other side obeys. In any relationship that falls short of this norm, for instance if one side has to convince the other or ask the other to act in a certain way, there is no effective control as required by the doctrine of 'command responsibility'. What is at issue is the enforceable power to prevent subordinates from committing criminal offences and to punish those who do.

144. 'Effective control' also implies a minimum threshold of supervision, below which no criminal liability in accordance with the doctrine of 'command responsibility' can be assumed to exist. In the Halilovic case the ICTY Trial Chamber held as follows in this connection, inasmuch as relevant here:

'a degree of control which falls short of the threshold of 'effective control' is insufficient for liability to attach under Article 7(3). 'Substantial influence' over subordinates which does not meet the threshold of 'effective control' is not sufficient under customary law to serve as a means of exercising command responsibility and, therefore, to impose criminal liability.'

7.2.3 Factual conclusions by the Court of Appeal

145. As noted above, the Court of Appeal holds it to be an established fact that the head of the investigation and interrogation division of the KhAD-e-Nezami [the second person concerned], together with others, was guilty of acts of physical violence against, and the cruel and inhuman treatment and torture of, [victim 1]. The Court further holds, in common with the district court, that [the second person concerned] was assisted in these acts by persons employed by the investigation and interrogation division, or in any event by the Afghan military intelligence service. The Court also holds it to be an established fact, with reference to the above considerations in this connection, that aggravated acts of violence were also committed against [victim 3] by members of the KhAD-e-Nezami in the period to which the charges relate.

In this connection, the Court considers that the documents in the case file establish to a sufficiently convincing degree that torture took place (on a frequent basis) at the KhAD-e-Nezami, which the defendant does not dispute, as is clear from his statement in the proceedings at first instance; indeed, the defendant states that he himself was previously tortured by the KhAD-e-Nezami. In arriving at its assessment, the Court of Appeal has consulted the Minister of Foreign Affairs' official report (ambtsbericht) of 29 February 2000 on state intelligence services, the Amnesty International report published in 1986, the expert report of 31 August 2005 by Dr A. Giustozzi, and the latter's expert testimony, as well as statements made by various other witnesses, viewed in relation to each other and as parts of the whole.

146. The Court of Appeal also concurs, likewise without further investigation, with the view of the district court that within the KhAD-e-Nezami, the head of the investigation and interrogation division [the second person concerned] was the superior of the staff of that division and that the head of the KhAD-e-Nezami [the third person concerned] was the superior of the head of the investigation and interrogation division. Finally, given the statement made by [the third person concerned] and the defendant's assertion at first instance that he had been transferred to Kunduz during Najibullah's term of office, it can be established that the defendant was one of the deputies of the head of the KhAD-e-Nezami in Kabul, in any event at the time of the offences described in count 2 of the indictment.

147. The Court of Appeal also holds it to be an established fact that the defendant and the head of the investigation and interrogation division, [the second person concerned], had their offices in the same building of the KhAD-e-Nezami in Kabul in the period to which the charges relate, and that their rooms were adjacent to each other on the first floor. The building stood in a compound with two other buildings and accompanying annexes. Finally, the Court would note that the defendant confirmed in the proceedings at first instance that the prisoners were taken to this complex for interrogation after their arrest.

148. Viewed in the light of the framework for assessment outlined above, the position and responsibilities of, on the one hand, [the second person concerned] and his interrogators, and on the other hand, the defendant as (second) deputy of the head of the KhAD-e-Nezami, require further clarification. To assess these positions (and the relationship between them), the Court of Appeal has studied the case file, which includes a large number of witness statements and other pieces of evidence, as well as the proceedings at first instance and on appeal. It must first be established whether the defendant had a de jure or de facto relationship of authority (between superior and subordinate) with [the second person concerned] and his interrogators, as the perpetrators of the acts of violence/torture at issue here. The Court must then proceed to establish to what extent the defendant did indeed have 'effective control' over the subordinates who committed the offences concerned. The essence of the witness statements relied on to answer these questions is given, where relevant.

a. Relationship of authority

149. In the proceedings at first instance, the defendant stated that in the period to which the charges relate, [the third person concerned] was the director [court: Rais] of the KhAD-e-Nezami in Kabul and that he himself was the latter's second deputy, as well as the head/director [Court: Modir] of the intelligence division of this organisation. He also stated that he initially held the rank of colonel and later that of general, and that he was higher in rank than the head of the investigation and interrogation division, [the second person concerned].

i. The witness [the third person concerned]

150. [The third person concerned], who was serving as head of the military KhAD in the period to which the charges relate, did not mention the defendant when he was examined as defendant in case RL 5051. In the case against the defendant, [the third person concerned] was questioned by the examining magistrate as a witness on 7 February 2007. On this occasion, [the third person concerned] stated that the defendant had been one of his deputies. The defendant was responsible for security tasks within the army and for intelligence-gathering within army units. [The third person concerned] also stated that he issued instructions to the defendant that were related to security within the army, and that he and his deputies always held joint meetings and discussed matters together. [The third person concerned] added that interrogating prisoners was not one of the defendant's duties. Finally, he stated that the defendant may well have visited interrogation rooms by way of supervision, but that he never saw the defendant do so and never instructed him to do so.

ii. The witness [the second person concerned]

151. In the case against the defendant, the witness [the second person concerned] made a detailed statement to the examining magistrate on 10 and 11 March 2008. He stated that [the third person concerned], the Rais, was his immediate superior within the KhAD-e-Nezami and that he was accountable to him when it came to interrogating prisoners and the progress of investigations. The Rais had the authority to attend interrogations. He also stated that the defendant, whom he had known since 27 December 1979 when the latter came to work at the KhAD-e-Nezami, was the second deputy of [the third person concerned]. He further stated that all the deputies were higher up than himself. Regarding the job description of the second deputy, [the second person concerned] stated that the division of labour between the deputies was determined by the Rais, [the third person concerned], whereby the first deputy had more powers than the others. If [the third person concerned] was not present, the first deputy replaced him. If the latter too was absent, the Rais would assign a deputy in his absence. If the Rais was not there, the first deputy could issue him ([the second person concerned]) with instructions or assign a task to him. This was because he was replacing the Rais. If the deputy issued him with official instructions, he was obliged to follow them. The deputy had the power to instruct him to investigate or to call a halt to torture, according to the witness. The witness described the defendant as a deputy with good qualities.

iii. The witness [the fourth person concerned]

152. The witness [the fourth person concerned] stated to the examining magistrate on 31 January 2008 that in the period to which the charges relate he was working at the KhAD-e-Nezami, inter alia as an assistant in the investigation and interrogation division. He also stated that [the third person concerned] was appointed as director in 1983 and that the defendant had been his second deputy from 1983 or 1984 to 1986 or 1987. He also noted that there was a hierarchy among the deputies within the KhAD-e-Nezami. Where military matters were concerned, the defendant was entitled to give orders to [the second person concerned] because he was one position higher in rank. He also stated that the defendant could concern himself with interrogations in response to instructions from the director or following consultations with an adviser or public prosecutor. Finally, [the fourth person concerned] stated that he had seen the defendant entering the office of his Modir [the second person concerned], once or twice a week in some periods.

iv. The witness [the fifth person concerned]

153. The witness [the fifth person concerned], who worked as a public prosecutor in Afghanistan between 1980 and 1985 and was responsible for enforcing the law, stated to the examining magistrate on 6 February 2007 that in the first year of his appointment he had supervised the KhAD. During this first year, the defendant was appointed deputy director of the KhAD-e-Nezami. He also stated that [the third person concerned] was the director, that the defendant was higher in rank than [the second person concerned], that [the second person concerned] was the head of the interrogation division and that this division operated under the defendant's authority. The Court of Appeal notes that this latter observation is not corroborated by any other piece of evidence.

v. The witness [the sixth person concerned]

154. In his statement of 7 May 2007 to the examining magistrate, the witness [the sixth person concerned], who, according to his statement, was responsible for supervising the investigative bodies of the state security service, including the KhAD-e-Nezami, stated that he knew the defendant and that the latter was legally entitled to attend interrogations conducted by the investigation and interrogation division. He also stated that [the second person concerned] was the head of that division.

vi. The witness [the seventh person concerned]

155. The witness [the seventh person concerned] made a statement to the police on 6 September 2006. In this statement, he stated that he himself was Modir at the KhAD-e-Nezami and that the defendant was a deputy at the KhAD-e-Nezami. He also stated that the head of the KhAD-e-Nezami, his deputy and the head of the interrogation division met in tripartite consultations to coordinate the case and the evidence against individuals who were making propaganda and hence discouraging the personnel of the unit. They also discussed the measures to be taken, such as the arrest of the person in question. [The seventh person concerned] further stated that the deputies were legally obliged to sign arrest warrants if [the third person concerned] was not there, and that the deputies and the head of the interrogation division worked together closely. The head of the interrogation division notified the head of the KhAD-e-Nezami and his deputy of the progress made during the interrogation of a prisoner. [The seventh person concerned] subsequently confirmed the statement he had made, through the mediation of an interpreter, and signed it. After this, [the seventh person concerned] was questioned by the examining magistrate on 7 February 2008. The examining magistrate terminated this examination prematurely because he did not consider the witness mentally fit to make a statement. This means that the defence too no longer had the opportunity to question or have questions put to this witness and in this way to exercise the rights of defence. Since the relevant passages of the previous statement made by [the seventh person concerned] are corroborated by the other witness statements cited here, the Court of Appeal holds that his statement can nonetheless be used in evidence.

vii. The witness [the eighth person concerned]

156. In relation to the statement made by [the eighth person concerned], which is cited in this connection by the Public Prosecution Service, the Court of Appeal would note as follows. The witness [the eighth person concerned] was examined by the police on 20 May 2008 and by the examining magistrate on 26 and 27 July 2008. He stated that he had succeeded [the third person concerned] as director of the KhAD-e-Nezami in the period from 1370 to 1371 [the Court understands this to mean 1991-1992]. [The eighth person concerned] made a detailed statement to the police regarding the defendant's position and responsibilities as the first deputy. [The eighth person concerned] stated before the examining magistrate that in his earlier interview with the Dutch police he had been mistaken in the defendant's position, and that contrary to his earlier statement, the defendant was the second deputy of the director of the KhAD-e-Nezami. [The eighth person concerned] further stated that he had not worked at the KhAD-e-Nezami in Kabul at the same time as the defendant. While the defendant was working at the KhAD-e-Nezami, [the eighth person concerned] worked outside Kabul, and by the time [the eighth person concerned] became director of the KhAD-e-Nezami in Kabul, the defendant had already left. When asked to specify the duties attached to the position of second deputy, [the eighth person concerned] stated that he could not specify these precisely. In view of the substance of the latter statement, and the fact that the witness's first statement, inasmuch as it concerned the defendant's duties as first deputy, is not corroborated by any other evidence, the Court of Appeal will disregard this part of his first statement.

157. The above statements, taken together, lead the Court of Appeal to conclude as follows. The Court notes that the witness [the third person concerned] broadly confirms the defendant's own account of his responsibilities. Contrary to the defendant's initial statement in the appeal proceedings, [the third person concerned] did not state that these responsibilities meant that the defendant was frequently away from Kabul.

For the rest, the witness [the third person concerned] shed little light on the defendant's tasks and responsibilities and hence on the true relationship between the defendant and the head of the interrogation and investigation division [the second person concerned], although on the other hand he was unable to rule out the possibility that the defendant had visited interrogation rooms in a supervisory capacity, which might imply that this was one of his tasks. The latter also follows more explicitly from the statement of the witness [the fourth person concerned], to the effect inter alia that the militarily higher-ranking defendant could issue commands to the head of the interrogation division and concern himself with the interrogations. The most explicit remarks were made, however, by the head of the investigation and interrogation division himself, [the second person concerned], according to whom the defendant, as deputy, was above him in the hierarchy, and an official command issued by the deputy had to be obeyed by him, [the second person concerned]. This statement is also corroborated by the statements of the witness [the fifth person concerned], who asserted that the investigation and interrogation division operated under the defendant's authority, and that of the witness [the sixth person concerned], according to whom the defendant was legally entitled to attend interrogations by virtue of his position, and mutatis mutandis that of the witness [the seventh person concerned], who stated that the head of the KhAD-e-Nezami, his deputy and the head of the interrogation division held tripartite consultations and that the deputies and the head of the interrogation division worked closely together.

158. As employees of, and hence subordinates of [the second person concerned], inasmuch as these persons committed violations of international humanitarian law, the following persons have been named more specifically by various witnesses. [Victim 1] referred in his aforementioned statement in the case RL5051 to a certain [the ninth person concerned] as one of the interrogators who kicked and beat him.

[The tenth person concerned] stated to the examining magistrate on 28 February 2007, and before that to the police on 3 February 2005 in case RL5051 that he had been injured during interrogation at the KhAD-e-Nezami by the actions of a certain [the eleventh person concerned]. The witness [the twelfth person concerned] also named a certain [the thirteenth person concerned] to the examining magistrate as one of his interrogators, besides which he also named [the fourteenth to eighteenth persons concerned] as interrogators. According to his own statement to the police on 10 October 2006, the witness [the eighteenth person concerned] worked at the KhAD-e-Nezami in the period between 1981 and 1991, initially as secretary to the youth organisation and later as head of the propaganda department. Other witnesses, including [the second person concerned] - in his statement of 7 December 2004 - state that [the eighteenth person concerned] was one of the interrogators working under the authority of [the second person concerned]. The latter statement is corroborated by the statement of the witness [the nineteenth person concerned] to the police on 25 May 2006, to the effect that he had been beaten and kicked by [the eighteenth person concerned] after his arrest on 26 Ghaus 1364 [the Court understands this to mean 17 December 1985]. The witness [the twentieth person concerned] also names a certain [the twenty-first person concerned] in his statement to the police on 7 July 2006.

159. This being the case, the Court of Appeal considers, viewing the above statements together, that it has been established beyond reasonable doubt that in the period to which the charges relate, a de jure relationship of authority existed between the defendant as the superior on one hand and the head of the division [the second person concerned] and his staff on the other.

b. 'Effective control', powers and responsibilities

160. The next question to be considered is whether the defendant exercised 'effective control' over the subordinates who committed the criminal offences in the indictment. Taking into account the remarks that have been devoted to this subject thus far, the Court considers the following questions relevant to determining whether the defendant exercised effective control:

1. What was the actual relationship between the defendant and [the second person concerned] and his interrogators as subordinates?

2. Did the defendant have any authority over them before and at the time of the criminal offences that were committed, and if so, was he actually in a position to prevent the offences (or to punish the perpetrators)?

161. The Court of Appeal would emphasise that the existence of effective control can only be assessed in the context of the times at which the criminal offences were committed. For 'effective control' must have existed at the time of the criminal offences committed by the subordinates, which in this case means - given the period of detention specified by [victim 1] and [victim 3] - in the period from 1 December 1985 to 1 June 1986.

162. When examined as a witness in case RL 5051 against [the third person concerned] and [the second person concerned] on 8 September 2005, the defendant stated to the examining magistrate that although he had an office in the same building as [the second person concerned], he had no substantive contact with him. In the proceedings at first instance and on appeal, the defendant stated that there was no formal relationship between [the second person concerned] and himself, that the duties of [the second person concerned] were not his responsibility, and that it was not his (i.e. the defendant's) task to keep an eye on him.

163. That the defendant had the authority to supervise [the second person concerned], as the district court also established, can be inferred, in the Court of Appeal's view, from the above-mentioned witness statements. Regarding the question of effective control, the Court considers the statements made by the following witnesses, the appropriate parts of which are summarised here, to be relevant.

i. The witness [the second person concerned]

164. In the aforementioned questioning by the examining magistrate on 10 and 11 March 2008, the witness [the second person concerned] stated that he had dealings with the defendant in the course of his work. He stated that the defendant, as deputy head, was above him, and that all letters to other bodies were signed by the Rais (the Court understands this to mean [the third person concerned]) or his deputies. If the Rais was not there, the deputy was authorised to give him instructions or assign him a task. If problems arose, he sought the deputy's advice. He also stated that the deputy had the power to instruct him to investigate or halt acts of torture. On the other hand, [the second person concerned] said nothing to indicate that he ever received any instructions from the defendant in the course of his work as head of the investigation and interrogation division, which is a contraindication for the existence of effective control.

ii. The witness [the seventh person concerned]

165. On 6 September 2006, [the seventh person concerned] stated, as already noted, that the head of the KhAD-e-Nezami, his deputy and the head of the interrogation division met in tripartite consultations to coordinate the case and evidence against individuals who were making propaganda and hence discouraging the personnel of the unit. They also discussed the measures to be taken, such as the arrest of the person in question. [The seventh person concerned] further stated that the deputies were legally obliged to sign arrest warrants if [the third person concerned] was not there, and that the deputies and the head of the interrogation division worked together closely. According to [the seventh person concerned], it was not the case that the deputies had nothing to do when the head of the KhAD-e-Nezami was away. The head of the interrogation division kept the head of the KhAD-e-Nezami and his deputy informed of the progress being made in the interrogation of a prisoner. It was possible that the head of the KhAD-e-Nezami and his deputies might attend a prisoner's interrogation. The witness stated that he did not know whether the head of the KhAD-e-Nezami actually supervised the conditions in which the prisoners were detained there.

iii. The witness [the twelfth person concerned]

166. That the defendant, based on his position as one of the deputies of the head of the KhAD-e-Nezami, also had the task of supervising [the second person concerned] can be inferred from the statements made before the examining magistrate by the witness [the twelfth person concerned], who, according to his statement, worked at the KhAD-e-Nezami in Kabul between 1359 (1980) and 24 Jawza 1364 (14 June 1985). This witness stated before the examining magistrate on 27 February 2007 that the defendant was the superior of [the second person concerned] and gave him instructions, and that the defendant supervised interrogations in which people were tortured. It appears from his statement that this witness is referring in particular to the defendant's role in interrogating ten detainees who had been arrested in connection with the bombing of the airport in 1363 (1984/1985). Contrary to his statement of 2 June 2005 to the police in case RL5051, in which he stated that [the third person concerned] and [the second person concerned] were responsible for these interrogations, [the twelfth person concerned] stated in the above-mentioned examination before the examining magistrate that the defendant was in charge of them.

iv. The witness [the fourth person concerned]

167. This statement is corroborated by that of the aforementioned witness [the fourth person concerned] on 31 January 2008 to the examining magistrate, to the effect that the defendant could possibly concern himself with interrogations if instructed by the director or following consultations with an adviser or public prosecutor. Finally, [the fourth person concerned] stated that he had seen the defendant entering the office of his Modir [the second person concerned], once or twice a week in some periods. He also recalled more specifically the events surrounding an air raid in Kabul in 1983 that had claimed a large number of victims.

In relation to the events following that air raid, such as the arrest and transfer of defendants to the investigation and interrogation Moderiat, he stated that the deputies had played a role in this case. He stated that he had himself worked in the building of the investigation and interrogation Moderiat at the time, and that he had seen the defendant, whose office was next to that of the head of the investigation and interrogation division [the second person concerned], entering the latter's office. Ten or eleven interrogators were present in addition to other members of staff.

v. The witness [the fifth person concerned]

168. In relation to the defendant's supervision of [the second person concerned], the aforementioned witness [the fifth person concerned] stated to the examining magistrate on 6 February 2007 that the defendant had been appointed deputy director of the KhAD-e-Nezami with the task of keeping an eye on the Khalqis, including [the second person concerned].

169. In the proceedings at first instance and on appeal, the defendant confirmed that he was the only one of the deputies to have his office in the same building within the KhAD-e-Nezami complex as the head of the investigation and interrogation division [the second person concerned]; these offices were on the same corridor. The latter was also confirmed to the examining magistrate by the defendant's bodyguard, cleaner and chauffeur, [the twenty-second person concerned]. This witness, who worked as the defendant's bodyguard and chauffeur for several months in the period before the defendant's transfer to Kunduz, stated to the examining magistrate on 6 March 2007 that there had been disagreements between the defendant and [the second person concerned]. The cause of these disagreements, according to this witness, was the fact that the defendant and [the second person concerned] belonged to different factions. Although they had offices on the same corridor, they did not visit each other, from which it was clear that they were not on good terms, according to this witness.

170. The content of these statements has failed to resolve convincingly the question of whether the defendant's official duties included supervising [the second person concerned]. After all, the witness [the twelfth person concerned], who was an employee of division 2 at the time, bases his testimony solely on his observations of events that took place in 1984, almost eighteen months before the events in the indictment relating to [victim 1] and [victim 3]. For the rest, the Court of Appeal finds, as the district court found, that only the aforementioned witness [the twelfth person concerned] states that the defendant gave instructions to [the second person concerned] during interrogations.

171. However, the Court of Appeal will not attach any evidential value to this statement, since it stands alone and apparently relates to events that lie outside the scope of the indictment. The same applies to the testimony of [the fourth person concerned], who describes the defendant's specific intervention in relation to an event that took place in 1983. In addition, questions may be raised concerning the value of the statement of [the fifth person concerned] regarding the defendant's task of keeping [the second person concerned] under scrutiny. The task of spying on someone in this way - if indeed the defendant had such a task - does not necessarily imply that the defendant also had the task of keeping [the second person concerned] under scrutiny regarding matters other than his loyalty, and it certainly does not establish the defendant's 'effective control', as a superior, over the actions of [the second person concerned] and others before and during the acts in the indictment. It may be added that the defendant drew the court's attention in the proceedings at first instance to the possibility, which the Court of Appeal too believes not implausible, that in the examination of witnesses, which was conducted at all times through the mediation of an interpreter, insufficient attention was paid to the distinction between the 'investigation and interrogation division' and the interrogation rooms.

172. Similarly, the mere fact that the witness [the third person concerned] indicated in his aforementioned statement of 7 February 2007 to the examining magistrate that it was possible that the defendant might sometimes have entered the interrogation rooms of the investigation and interrogation division, that the witnesses [the fifth, sixth and seventh persons concerned] have stated that the defendant's position entitled him to attend and conduct prisoner interrogations held by staff of the investigation and interrogation division, and that in his statement of 24 May 2006, the witness [the twenty-third person concerned] stated that after his arrest by the KhAD-e-Nezami on 29 October 1364 [Court: 1985], he was beaten by the deputy director of the KhAD, one [the twenty-fourth person concerned], cannot lead to the conclusions at issue.

173. The Court of Appeal finds that the case file contains insufficient information to warrant the conclusion that the defendant's position was such as to enable him to make actual changes in the structure of the KhAD-e-Nezami, including halting torture and other crimes against humanity. The same applies to the question of whether the defendant had the power to punish, arrest, dismiss or replace [the second person concerned] and his interrogators, which too are factors that may be relevant to establishing the existence of 'effective control'.

174. The Court of Appeal has established above that a relationship of authority existed between the defendant - as (second) deputy of [the third person concerned] - and [the second person concerned] and his staff. As likewise established above by the Court, [victim 1] and [victim 3] were the victims of acts of violence committed by [the second person concerned] and his staff in the period to which the charges relate, which acts come within the scope of section 8 of the WOS. No detailed information is available concerning the times at which these events occurred. Nor has any information become available regarding the periods during which, or times at which, the defendant actually exercised, or was expected to exercise, his responsibilities as second deputy of [the third person concerned] besides his position as modir of the intelligence division of the KhAD-e-Nezami. No evidence is available that would enable the Court to establish with sufficient certainty that the relationship of authority between the defendant and [the second person concerned] and his staff implied that the defendant could exercise said authority at all times, even if [the third person concerned] was present, and/or that it was his task to do so.

175. At the same time, there is a lack of information in this case concerning the defendant's knowledge of the presence on the premises of the aforementioned victims, concerning his knowledge of their interrogations and the times at which they were conducted, and concerning their willingness to take part in the investigation. As noted above, the case file contains indications that torture took place at the KhAD-e-Nezami and that the defendant was aware of this. Given the aforementioned lack of factual information, however, combined with the Court of Appeal's general considerations, above, regarding evidential value and about the relevant witness statements, this general circumstance is insufficient to warrant the firm conclusion that at the time when the offences in the indictment were committed, the defendant was truly in a position to be able to exercise effective control over them. This means that one of the criteria needed to establish that the defendant can be held liable as a superior for the violations of international humanitarian law charged in the indictment is not fulfilled.

The Court of Appeal therefore finds that it cannot be proven that the defendant intentionally permitted one or more of his subordinates to commit offences within the meaning of section of 8 of the WOS, and that he must therefore be acquitted of the offences in count 2 of the indictment.

176. In view of this finding, the Court of Appeal will not discuss the defence's argument that the Russian advisers had appreciably disrupted the formal command structure within the KhAD-e-Nezami.

177. This being the case in relation to counts 1 and 2 of the indictment, the Court will not assess the elements of 'intent' or recklessness, or any of the other lines of defence and submissions concerning the evidence."

2.3. The following statutory provisions are relevant to the assessment of the grounds of appeal:

- section 8 (old) of the Wartime Offences Act:

Section 8:

"1. Any person who violates the laws and customs of war shall be liable to a term of imprisonment not exceeding ten years or a fifth-category fine.

2. A term of imprisonment not exceeding fifteen years or a fifth-category fine shall be imposed in the following circumstances:

1º. if it is feared that the offence may have resulted in the death or serious bodily injury of another person;

2º. if the offence involved inhuman treatment;

3º. if the offence involved forcing another person to do, refrain from doing, or tolerate something;

4º. if the offence involved looting.

3. Life imprisonment, a determinate sentence not exceeding twenty years or a fifth-category fine shall be imposed:

1º. if the offence results in the death or serious bodily injury of another person or involves rape;

2º. if the offence involves the joint commission of acts of violence against one or more persons or the use of violence against a dead, sick or injured person;

3º. if the offence involves the joint commission of the destruction, damage, rendering unusable or removal of any property that belongs wholly or in part to another person;

4º. if the offence referred to in 3º of 4º of the previous subsection was committed jointly with one or more others;

5º. If the offence is an expression of a policy of systematic terror or unlawful action against the entire population or a particular section of the population;

6º. if the offence involves a violation of a pledge, or a violation of an agreement concluded as such with the opposing party;

7º. if the offence involves the abuse of a flag or symbol or of the military insignia or uniform of the opposing party that is protected by the laws and customs of war."

Section 9:

"Any person who wilfully permits an offence as described in the previous section to be committed by a subordinate shall be liable to the same sentence as that carried by such offences."

2.4.1. In assessing the relationship of authority between superior and subordinate as referred to in section 9 (old) of the Wartime Offences Act, the Court of Appeal rightly based its conclusions on the relevant provisions of international law. In this respect, it also took into account the doctrine of 'command responsibility'. This doctrine is defined inter alia in article 7, paragraph 3 of the Statute of the ICTY and article 6, paragraph 3 of the Statute of the ICTR and the related case law; both articles refer in this connection to the situation in which the superior 'knew or had reason to know that the subordinate was about to commit such acts or had done so and the superior failed to take the necessary and reasonable measures to prevent such acts or to punish the perpetrators thereof'.

2.4.2. The existence of criminal liability, in the form of such 'command responsibility', requires that the superior has 'effective control' over the subordinate who committed the offences in the indictment. In this connection, reference may be made, for instance, to the ICTY's judgment of 30 June 2006 (Prosecutor v. Oric), IT-03-68-T, in which the ICTY included a discussion of these concepts and enumerated factors that may be indicative of the existence of 'effective control':

"3. 'Superior-Subordinate Relationship'

307. As stated by the Trial Chamber in the Celebici case, 'the doctrine of command responsibility is ultimately predicated upon the power of the superior to control the acts of his subordinates'. This has two implications.

308. First, Article 7(3) of the Statute does not differentiate between 'commander' and 'superior' as was later done in Article 28 of the Rome Statute, but instead uses exclusively the generic term of 'superior'. Consequently, the scope of Article 7(3) of the Statute extends beyond classical 'command responsibility' to a truly 'superior criminal responsibility', and does not only include military commanders within its scope of liability, but also political leaders and other civilian superiors in possession of authority.

309. The second implication is that, in relation to the power of the superior to control, it is immaterial whether that power is based on a de jure or a de facto position. Although formal appointment within a hierarchical structure of command may still prove to be the best basis for incurring individual criminal responsibility as a superior, the broadening of this liability as described above is supported by the fact that the borderline between military and civil authority can be fluid. This is particularly the case with regard to many contemporary conflicts where there may be only de facto self-proclaimed governments and/or de facto armies and paramilitary groups subordinate thereto.

310. Thus, regardless of on which chain of command or position of authority the superior subordinate relationship may be based, it is immaterial whether the subordination of the perpetrator to the accused as superior is direct or indirect, and formal or factual. In the same vein, the mere ad hoc or temporary nature of a military unit or an armed group does not per se exclude a relationship of subordination between the member of the unit or group and its commander or leader.

311. Within this rather broad platform, however, proof of a superior-subordinate relationship ultimately depends on the existence of effective control which requires that the superior must have had the material ability to prevent or punish the commission of the principal crimes. On the one hand, this needs more than merely having 'general influence' on the behaviour of others. Likewise, merely being tasked with coordination does not necessarily mean to have command and control. On the other hand, effective control does not presuppose formal authority to issue binding orders or disciplinary sanctions, as the relevant threshold rather depends on the factual situation, i.e., the ability to maintain or enforce compliance of others with certain rules and orders. Whether this sort of control is directly exerted upon a subordinate or mediated by other sub-superiors or subordinates is immaterial, as long as the responsible superior would have means to prevent the relevant crimes from being committed or to take efficient measures for having them sanctioned. In the same vein, proof of the existence of a superior-subordinate relationship does not require the identification of the principal perpetrators, particularly not by name, nor that the superior had knowledge of the number or identity of possible intermediaries, provided that it is at least established that the individuals who are responsible for the commission of the crimes were within a unit or a group under the control of the superior.

312. Although it is obvious that the requisite level of control is a matter to be determined on the basis of the evidence presented in each case, the jurisprudence of the tribunal provides certain criteria that are more or less indicative of the existence of some authority in terms of effective control. This is in particular true with regard to the formality of the procedure used for appointment of a superior, the power of the superior to issue orders or take disciplinary action, the fact that subordinates show in the superior's presence greater discipline than when he is absent, or the capacity to transmit reports to competent authorities for the taking of proper measures. Likewise, the capacity to sign orders is an indicator of effective control, provided that the signature on a document is not purely formal or merely aimed at implementing a decision made by others, but that the indicated power is supported by the substance of the document or that it is obviously complied with. An accused's high public profile, manifested through public appearances and statements or by participation in high-profile international negotiations, although not establishing effective control per se, is an additional indicator of effective control. On the other hand, effective control does not necessarily presuppose a certain rank, so that even a rank-less individual commanding a small group of men can have superior criminal responsibility. Nor is it required that the superior generally exercises the trappings of de jure authority."

2.5. It is principally alleged in the grounds of appeal that the Court of Appeal failed to apply correctly the criteria developed in international law for interpreting the concepts of 'command responsibility' and 'effective control', i.e. the 'material ability to prevent or punish criminal conduct'.

2.6. The first ground of appeal is that the Court of Appeal was wrong, in this context, to impose the condition that it must be one of the defendant's responsibilities to monitor the investigation and interrogation division of the KhAD-e-Nezami for any occurrence of offences such as those described in count 2 of the indictment. However, this complaint is based on a misreading of the Court of Appeal's considerations, since all the Court of Appeal did was to incorporate its finding that there was no proof that the defendant, in his official capacity, had the task of supervising the investigation and interrogation division into its final judgment that the defendant was not actually in a position to prevent the offences in the indictment. Taking into consideration the factors enumerated in section 2.4.2 as those relevant when assessing the relationship of authority between superior and subordinate, this final judgment does not reflect an incorrect interpretation of the law, nor is it unreasonable.

2.7. The same applies to the findings of the Court of Appeal, which are likewise challenged in the grounds of appeal, that the case file contains insufficient information to warrant the conclusion that the defendant's position was such as to enable him to make actual changes in the structure of the KhAD-e-Nezami, that there is a lack of detailed information regarding the times at which the criminal offences described in count 2 of the indictment were committed, and that there is a lack of information regarding the defendant's familiarity with the details of the said criminal offences. Likewise, the Court of Appeal's incorporation of these factual conclusions into its final judgment that there was no 'effective control' in this case did not reflect an incorrect interpretation of the law, nor was it manifestly unreasonable.

2.8. All the elements of the grounds of appeal are therefore untenable.

3. Decision

The Supreme Court dismisses the appeal.

This judgment was given by Vice-President A.J.A van Dorst, as presiding judge, and justices J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, W.F. Groos and M.A. Loth, in the presence of S.P. Bakker, clerk of the court, and pronounced on 8 November 2011.