Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR3041

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10/05021 Bdw
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR3041
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. Dwangbevel. Nadat uit hoofde van een dwangbevel beslag was gelegde op roerende zaken op het woonadres van de veroordeelde, is bij de Rechtbank een schrijven ingekomen dat niet anders kon worden verstaan dan als een door de veroordeelde op de voet van art. 575.3 Sv gedaan verzet tegen de inmiddels plaatsgevonden hebbende tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Aan dat bezwaarschrift is kennelijk als gevolg van een verkeerde lezing geen gevolg gegeven. Door middel van een bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt cassatie ingesteld. De Hoge Raad verstaat deze brief aldus dat de veroordeelde te kennen geeft verzet te willen doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aanmerking genomen dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan het bij de Griffie van de Rechtbank ingekomen bezwaarschrift houdende verzet tegen tenuitvoerlegging van het dwangbevel, dient het verzet alsnog door de Rechtbank Amsterdam te worden behandeld en afgedaan, tenzij het bezwaarschrift vóór die behandeling zal worden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

Strafkamer

nr. 10/05021 Bdw

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam, sector Kanton, locatie Amsterdam, van 23 juli 2010, Strabisnummer 402359539, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575 Sv, ingediend door:

[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. J. Groen, advocaat te Wassenaar, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de griffier van de Rechtbank te Amsterdam, opdat de raadkamer van die Rechtbank het verzet met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad zal behandelen en afdoen.

2. Ambtshalve beoordeling van het ingestelde beroep

2.1. Voor de gang van zaken wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4-8. Daaruit blijkt, verkort weergegeven, het volgende. Een door de veroordeelde gedaan verzet tegen het door het Openbaar Ministerie uitgevaardigde dwangbevel wegens het niet betalen van de aan de veroordeelde opgelegde boete, is door de Kantonrechter bij beschikking van 23 juli 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat van enige vorm van tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet was gebleken. Daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld. Nadat op 16 november 2010 uit hoofde van het dwangbevel beslag was gelegd op roerende zaken op het woonadres van de veroordeelde, is op die datum bij de Rechtbank, sector kanton, een schrijven ingekomen dat niet anders kan worden verstaan dan als een door de veroordeelde op de voet van art. 575, derde lid, Sv gedaan verzet tegen de inmiddels plaatsgevonden hebbende tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Aan dat bezwaarschrift houdende verzet is geen gevolg gegeven, kennelijk omdat als gevolg van een verkeerde lezing het bezwaarschrift is opgevat als gericht tegen de beschikking van 23 juli 2010. Bij op 18 november 2010 bij de Hoge Raad ingekomen schrijven wordt cassatie ingesteld "tegen de weigering kanton op 16 november 2010 het verzet aan te nemen" en wordt uiteengezet dat het Kantongerecht het (nieuwe) verzet in behandeling had moeten nemen en dat de veroordeelde door het Kantongerecht is medegedeeld dat verzet niet meer mogelijk was en cassatie moest worden ingesteld tegen de beschikking van de Kantonrechter van 23 juli 2010.

2.2. De Hoge Raad vindt in de hiervoor weergegeven gang van zaken aanleiding het schrijven van de veroordeelde van 18 november 2010 aldus te verstaan dat de veroordeelde te kennen geeft verzet te willen doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aanmerking genomen dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan het op 16 november 2010 bij de Griffie van de Rechtbank, sector kanton, ingekomen bezwaarschrift houdende verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, dient het verzet alsnog door de Rechtbank te Amsterdam te worden behandeld en afgedaan, tenzij het bezwaarschrift vóór die behandeling zal worden ingetrokken.

2.3. Daarom moeten de stukken van het geding voor behandeling en afdoening als voormeld worden gezonden aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam.

3. Beslissing

De Hoge Raad verstaat dat de veroordeelde tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzet heeft gedaan en bepaalt dat de stukken van het geding voor behandeling en afdoening van het verzet zullen worden gezonden aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheer W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011.