Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR2983

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10/02655
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR2983
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht opzet. Uit de bewijsmotivering kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat de door hem ingenomen medicijnen niet in combinatie met alcohol mochten worden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1279
NJB 2011/1963
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2011

Strafkamer

nr. 10/02655

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 januari 2010, nummer 22/003192-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de verwerping van een gevoerd verweer.

2.2.1. Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter bevestigd. De Politierechter heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op 08 maart 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk

- dertien ruit(en) van het pand van de [A] Stichting en

- twee tafel(s) en

- twee kast(en) en

- drie plafondpla(a)t(en) en

- drie biljartkeu('s) en

- een stoel en

- drie pot(ten) met planten en

- een of meer nooduitgangbordje(s), toebehorende aan de [A] Stichting, heeft vernield door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk die ruit(en) van dat pand in te slaan en voornoemde goed(eren) stuk te gooien.

2. hij op 08 maart 2009 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in (een van) zijn hand(en) in de richting van, die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer] getoond."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben als persoonlijk begeleider in dienst bij de [A] Stichting. Ik ben persoonlijk begeleider van [verdachte]. Op 8 maart 2009 hoorde ik dat [verdachte] door het lint was gegaan. Ik zag dat [verdachte] de volgende zaken heeft vernield:

- het kleine ruitje van de voordeur;

- 8 ruiten van tussendeuren;

- 2 ruiten van deuren;

- 2 ruiten in een wand;

- 2 tafels, 2 kasten, 3 plafondplaten en 3 biljartkeus;

- 1 stoel, 3 potten met planten en diverse nooduitgangbordjes."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 8 maart 2009, omstreeks 02.10 uur, bevond ik mij in de hoedanigheid van algemeen opsporingsambtenaar en in politie uniform gekleed, in de [a-straat] te Den Haag. Via de centrale meldkamer werden een collega en ik verzocht te gaan naar perceel [1], 'Pensiontehuis [B]', omdat in genoemd perceel moeilijkheden zouden zijn. Een blanke man deed de voordeur open. Ik zag dat de man een verwilderde blik in zijn ogen had en hierdoor een agressieve indruk op mij maakte. Ik zag dat de man een mes met de punt in mijn richting gericht hield. Ik zag dat de afstand tussen de man en mij ongeveer een meter bedroeg."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Naar aanleiding van een melding aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage alwaar een man binnen zou staan met een mes verklaar ik het volgende.

Ik zag dat een blanke man in het pand met een mes in zijn hand naar buiten kwam. Ik zag dat hij zeer agressief was en ik zag dat hij dit mes in de richting hield van de twee collega's die als eerste ter plaatse waren."

d. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik heb op 8 maart 2009 te 's-Gravenhage vernielingen aangericht bij de [A] Stichting."

2.2.3. De Politierechter heeft onder het kopje "Bewijsverweer" voorts nog het volgende overwogen:

"Namens verdachte is aangevoerd dat bij verdachte het opzet ter zake de onder 1 tenlastegelegde vernieling heeft ontbroken als gevolg van het gebruik van medicijnen in combinatie met alcohol.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Een verweer dat verdachte in verband met de toestand waarin hij verkeerde na voorafgaand gebruik van alcohol en medicijnen het tenlastegelegde niet opzettelijk heeft begaan, kan slechts slagen indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Het feit kan aan verdachte worden toegerekend nu verdachte een grote hoeveelheid medicijnen - die naar hij wist niet in combinatie met alcohol mochten worden gebruikt - tot zich heeft genomen en zich aldus vrijwillig heeft gebracht in de toestand waarin hij het feit beging."

2.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Voor een bewezenverklaring van vernieling is het noodzakelijk de opzet te bewijzen.

[Verdachte] wilde ten tijde van de gebeurtenissen geen vernielingen aanrichten, noch iemand bedreigen. Hij weet niet meer wat er gebeurd is (anders dan door lezing van het PV) en zijn opzet was gericht op het slapengaan. De reactie die hij heeft ondervonden van het nieuwe medicijn was voor hem niet voorzienbaar en hij heeft zich ook nooit in kunnen denken dat hij zo zou gaan handelen. [Verdachte] wilde slapen punt.

Om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen moet er sprake zijn geweest van een willen en een weten van cliënt. Beide ontbreken.

Nu er geen sprake is van opzet op enige vernieling of bedreiging kan dat niet anders dan tot vrijspraak leiden.

(...)

Dolus in causa

Er kan slechts sprake zijn van dolus in causa als [verdachte] had moeten verwachten dat de combinatie van twee bier met zijn medicijn dit soort reacties op zou roepen. Volgens de politierechter was dit het geval.

De redenering van de rechter in eerste aanleg gaat niet op. [Verdachte] was gewoon diverse medicijnen te gebruiken in combinatie met behoorlijke hoeveelheden bier. Dat had nooit een probleem opgeleverd. Nu had hij voor zijn doen weinig gedronken en de medicijnen die hij nam waren weliswaar van een nieuw merk, maar als soort bekend. Hoe het komt dat de nieuwe medicijnen zo sterk reageerden met de alcohol weet niemand. [Verdachte] is er erg van geschrokken en heeft daar lering uit getrokken. Dat neemt niet weg dat hij nooit opzet had op de vernieling of de bedreiging: noch dat hij zich in een positie heeft gebracht dat hij dit aan had moeten zien komen."

2.4. De Politierechter heeft in het door het Hof bevestigde vonnis overwogen dat de verdachte wist dat de door hem ingenomen medicijnen niet in combinatie met alcohol gebruikt mochten worden. Uit de bewijsmotivering kan die wetenschap van de verdachte evenwel niet worden afgeleid.

2.5. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 oktober 2011.