Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR2348

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
10/04695
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR2348
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2930, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 316 en 420.1 Sv. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat verdachte heeft ingestemd met de aanwijzing van een van de raadsheren die over de zaak oordelen als raadsheer-commissaris. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 316.2 Sv en is gelet op de gang van zaken ter terechtzitting rond het - toegewezen - verzoek van de raadsman, ook niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2011

Strafkamer

nr. 10/04695

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juli 2010, nummer 22/001614-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord, locatie Amerswiel" te Heerhugowaard.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel betoogt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt op de grond dat de verdediging wel heeft ingestemd met het verhoor van de getuige door een raadsheer-commissaris, doch niet met de aanwijzing daartoe van een van de leden van het Hof.

2.2. De voor de beoordeling van het middel relevante wetsbepalingen luiden als volgt:

- art. 316 Sv:

"1. Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.

2. In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of deskundigen kan de rechtbank, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen, tenzij bij het horen van getuigen of deskundigen is bepaald dat de verdachte of diens raadsman daar niet bij tegenwoordig mag zijn.

3. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en achtste afdeling van de Derde Titel van dit Boek gevoerd."

- art. 420, eerste lid, Sv:

"In de gevallen van de artikelen 295, 316 en 347 wordt het onderzoek gevoerd door een rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar de zaak aanhangig is."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 7 juli 2009 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Tegenwoordig zijn:

mr. I.E. de Vries, voorzitter,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. R.C. Langeler, leden,

mr. D. Jeras, advocaat-generaal, en

mr. J.C.A. Verhoef, griffier.

De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte.

(...)

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter, licht de raadsman zijn verzoeken als volgt toe:

Mijn cliënte had steeds verwacht dat [getuige 1] al in een eerder stadium als getuige zou zijn gehoord. (...) In het kader van de waarheidsvinding is het van belang [getuige 1] hierover nader te horen. (...) Ik heb geen bezwaar tegen het horen van deze getuige door de raadsheer-commissaris. (...)

In reactie op de verzoeken van de raadsman, verklaart de advocaat-generaal:

(...) Mocht het hof het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen toewijzen, dan heb ik er geen bezwaar tegen dat dat verhoor wordt gedaan door een raadsheer-commissaris. (...)

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof is van oordeel dat het horen van [getuige 1] voor de waarheidsvinding noodzakelijk is en wijst het verzoek toe tot het als getuige horen van [getuige 1]. Deze zal worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Als raadsheer-commissaris wordt aangewezen mr. I.E. de Vries en bij dier ontstentenis door één van de andere leden van het hof.

(...)

Het gerechtshof, gehoord de verdachte, haar raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek voor onbepaalde tijd tot het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting.

(...)

verwijst de zaak naar voornoemde raadsheer-commissaris in dit gerechtshof teneinde de volgende persoon als getuige te horen:

- [getuige 1] (...),

en stelt de stukken daartoe in handen van de raadsheer-commissaris."

2.4. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte heeft ingestemd met de aanwijzing van een van de raadsheren die over de zaak oordelen als raadsheer-commissaris. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 316, tweede lid, Sv, en is, gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken ter terechtzitting rond het - toegewezen - verzoek van de raadsman, ook niet onbegrijpelijk.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 4 oktober 2011.