Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR2347

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/04407
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR2347
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat het paspoort dat verdachte voorhanden heeft gehad een door misdrijf verkregen goed betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1484

Uitspraak

22 november 2011

Strafkamer

nr. 10/04407

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juni 2010, nummer 23/001638-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 3 primair tenlastegelegde en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid nu daaruit niet kan volgen dat het paspoort door misdrijf was verkregen en dat de verdachte dit wist.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 28 juni 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een Nederlands nationaal paspoort op naam van [betrokkene 1], voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof."

3.3.1. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Mijn paspoort, met nummer [001] op naam van [betrokkene 1], is sinds 8 mei 2006 vermist."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1 en 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 29 juni 2006 hebben wij verbalisanten met vrijwillige schriftelijke toestemming van [verdachte] een doorzoeking verricht in perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Daarbij zijn door ons verbalisanten de navolgende aangetroffen en in beslag genomen.

Woonkamer:

- Paspoort ten name van [betrokkene 1], paspoortnummer [001]."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"GBA

Uit onderzoek in de Gemeentelijke Basis Administratie bleek dat in het perceel [a-straat 1] stonden ingeschreven:

- [betrokkene 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956;

- [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987;

- [betrokkene 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985."

3.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 3 en 4, en daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Niet is gebleken dat het wapen en het paspoort aanwezig waren toen de verdachte in de woning aanwezig was. Niet is uitgesloten dat [betrokkene 4] deze voorwerpen heeft meegenomen naar de woning. Voorts kan niet bewezen worden dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van beide voorwerpen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte is een van de hoofdbewoners van het adres [a-straat 1] te Amsterdam, alwaar het paspoort op naam van [betrokkene 1] is aangetroffen. Als uitgangspunt geldt dat de hoofdbewoner van een woning weet wat zich in de woning bevindt en daarvoor dan ook verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer aannemelijk wordt dat die bewoner niet bekend was met de aanwezigheid van bepaalde zaken en daarmee niet bekend had behoren te zijn. Dat is hier echter niet het geval.

Het paspoort is aangetroffen in een gemeenschappelijke ruimte, te weten in de woonkamer en is betrekkelijk kort voor de aanhouding van de verdachte uit de beschikkingsmacht van de rechtmatige eigenaar geraakt. Voorts woonde zijn broer [betrokkene 3] feitelijk niet in die woning en zat zijn oom [betrokkene 2] destijds gedetineerd.

Zoals hiervoor reeds overwogen acht het hof het bestaan van [betrokkene 4] niet aannemelijk. De wetenschap dat het paspoort door misdrijf was verkregen leidt het hof af uit het feit dat een paspoort op naam van een ander niet op legale wijze kan worden verkregen."

3.4. Uit de bewijsvoering kan het bewezenverklaarde niet volgen. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 november 2011.