Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BR1144

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10/01718
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR1144
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2888, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Piranha II. 1. Slagende bewijsklacht art. 140a Sr, 2. Slagende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen moord/doodslag, 3. Psychische overmacht. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1998/225 m.b.t. art. 140a Sr. Uit de bewijsvoering kan de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven niet worden afgeleid. De door het Hof vastgestelde wetenschap van verdachte van het voorhanden hebben van en het (zelf) oefenen met vuurwapens is voor een zodanige bewezenverklaring niet voldoende. Ad 2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte het oogmerk had om moord en/of doodslag op één of meer politici uit Nederland voor te bereiden of te bevorderen. Evenmin kan uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen dat verdachte t.a.v. enkele van de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2005/94 m.b.t. psychische overmacht. ’s Hofs oordeel dat bij de beoordeling van het beroep op psychische overmacht de groepsdynamiek niet kan worden meegewogen omdat de invloed van die groepsdynamiek niet los gezien kan worden van de persoonlijkheid van verdachte, zodat een en ander niet kan worden aangemerkt als enige van buiten komende drang, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu geen rechtsregel er aan in de weg staat de persoonlijkheid van verdachte te betrekken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ten verwere aangevoerde drang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1569
NJ 2012/590 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2011

Strafkamer

Nr. 10/01718

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 november 2009, nummer 22/001599-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

1.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1. Het middel klaagt dat het onder 1A en B bewezenverklaarde opzet niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"A. zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [medeverdachte] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:

- doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk, en/of

- moord, te begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III, te begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

en B. zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [medeverdachte] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven

- het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III."

2.2.2. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.

2.2.3. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof - met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - onder meer het volgende overwogen:

"Door de verdediging is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat bij de verdachte de vereiste wetenschap heeft ontbroken dat de organisatie waarvan zij deel zou hebben uitgemaakt een terroristisch oogmerk had alsmede dat het oogmerk van die organisatie gericht was op het plegen van meer dan één terroristisch misdrijf. Het hof is van oordeel dat beide verweren moeten worden verworpen en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft verklaard een drietal lezingen door de medeverdachte [betrokkene 2] te hebben bijgewoond, waarbij het haar opviel dat, waar de beide eerste lezingen prettig en informatief waren, de derde lezing, die onder meer over de politieke islam en ongelovigen ging, "grimmig" en "extreem" was. Na deze derde lezing kwam de verdachte erachter dat de medeverdachte [betrokkene 2] met de medeverdachte [betrokkene 1] getrouwd was. De verdachte heeft de medeverdachte [betrokkene 2] door de omgang met de medeverdachte [betrokkene 1] ontzettend zien veranderen, hetgeen er onder meer in heeft geresulteerd dat zij van de medeverdachte [betrokkene 2] filmpjes te zien kreeg die de medeverdachte [betrokkene 2] van de medeverdachte [betrokkene 1] had gekregen. Bij het tonen van een onthoofdingsfilm wekte de medeverdachte [betrokkene 2] bij de verdachte de indruk het filmpje als "iets moois" te beschouwen. Verder heeft de verdachte de medeverdachte [betrokkene 2] bij gelegenheid van een tussenstop bij een begraafplaats op weg naar de schietoefening in het bos in Amsterdam grappend en respectloos opmerkingen horen maken over overledenen. Tenslotte heeft de verdachte gezien dat de medeverdachte [betrokkene 2] actief heeft deelgenomen aan die schietoefening.

Zelf heeft de verdachte over de medeverdachte [betrokkene 1] in een daarop aansluitende zin verklaard waar deze een leer aanhing die onder meer inhoudt dat een ieder die niet overeenkomstig die leer leeft, als ongelovige wordt bestempeld, daarmee vijand is en gedood mag worden. Over de medeverdachte [betrokkene 3] heeft de verdachte verklaard de omgang van de medeverdachte [medeverdachte] met hem vervelend te vinden vanwege diens "behoorlijke reputatie" en daarmee niet geassocieerd te willen worden. Die reputatie hield ermee verband dat de medeverdachte [betrokkene 3] in het verleden was aangehouden en "volop in het nieuws was". Voorts heeft de verdachte verklaard dat, nadat zij ontdekt had dat [betrokkene 5], de vrouw aan wie zij geld had gegeven omdat haar man in de gevangenis zat, getrouwd was met de medeverdachte [betrokkene 3], de medeverdachte [medeverdachte] haar had afgeraden om nog met die vrouw om te gaan. Door een en ander heeft de verdachte ervan blijk gegeven de medeverdachte [betrokkene 3] in relatie te zien met opvattingen als hiervoor weergegeven.

Gevoegd bij haar ervaring dat de medeverdachte [medeverdachte] op een keer overstuur en huilend thuiskwam en vertelde over een ontmoeting met de medeverdachte [betrokkene 1], waarbij laatstgenoemde met een mes aan de medeverdachte [medeverdachte] had laten zien wat er met ongelovigen en afvalligen moest gebeuren, met inbegrip van de omslag die dat bij de medeverdachte [medeverdachte] teweegbracht en het zien van wapens, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft geweten dat de medeverdachten [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] het oogmerk hadden tot het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 83 Wetboek van Strafrecht.

Dat het oogmerk, naar de verdachte heeft geweten, gericht was op het plegen van meer dan één terroristisch misdrijf moet worden afgeleid uit het, naar haar bekend was, voorhanden zijn van meerdere vuurwapens in de kring van de verdachte en de medeverdachten.

Tegen de achtergrond dat, zoals hierboven reeds is overwogen, in de kring van de verdachten vuurwapens hebben gecirculeerd, op een in de woning van de medeverdachte [betrokkene 3] aangetroffen handschoen schotrestdeeltjes zijn aangetroffen en eenmaal daadwerkelijk geoefend is in het schieten met een vuurwapen is sprake van een directe relatie tussen de door de medeverdachten [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [betrokkene 4] gehuldigde opvattingen en het in de praktijk brengen van die opvattingen.

In de woning van [betrokkene 6] is een briefje aangetroffen waarop in code de namen en privé-adressen van 4 bekende Nederlandse politici geschreven stonden. Meer specifiek werd dat briefje aangetroffen op een plank onder een tafel in de woonkamer te midden van andere paperassen die zijn terug te voeren op de medeverdachte [betrokkene 1]. In de week vòòr zijn aanhouding op 22 juni 2005 heeft hij in gezelschap van de medeverdachte [betrokkene 2] in die woning overnacht, voornamelijk in de woonkamer. [Betrokkene 6] heeft ontkend dat het briefje van haar is alsmede verklaard geen eigen spullen op die plank te hebben liggen en het briefje niet te kennen. [Betrokkene 6] heeft het briefje voor het eerst bij het schoonmaken op 22 juni 2005 zien liggen. De papieren die op de onderste plank lagen, lagen er nog niet toen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij haar kwamen logeren. Uit onderzoek is gebleken dat het handschrift niet van [betrokkene 6] afkomstig is. Hoewel het handschrift evenmin op de medeverdachte [betrokkene 1] is terug te voeren en als toen ook een derde onbekende persoon in de woning van [betrokkene 6] heeft overnacht, is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar het oordeel van het hof in voldoende mate aannemelijk dat het codebriefje in relatie moet worden gezien tot de medeverdachte [betrokkene 1].

In de woning van de medeverdachte [betrokkene 3] is op 14 oktober 2005 een videocamera aangetroffen alsmede een cd-rom betreffende een video-opname. Bij onderzoek van die camera zijn op een daarin aanwezige geheugenkaart twee videofilms aangetroffen alsmede fotografische beelden van de besnijdenis van een kind. Het ging wat dat laatste betreft om de besnijdenis van de zoon van de medeverdachte [betrokkene 3] die op 1 oktober 2005 heeft plaatsgevonden. Een van de videofilms vertoonde gelijkenis met de video-opname op de cd-rom. Uit de plaatsing van de bestanden op de geheugenkaart moet worden geconcludeerd dat de videofilms na de besnijdenis zijn opgenomen.

In de op de cd-rom aangetroffen video-opname spreekt de medeverdachte [betrokkene 3] over "ik verricht deze daad". Daarnaast bevat deze video onder meer een boodschap aan de regering tot wie gezegd wordt dat "er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is". De verklaring van de medeverdachte [betrokkene 3] dat deze video zou zijn vervaardigd louter met bedoeling zelf te ervaren wat een echte martelaar moet hebben gevoeld, waartoe de opname zo realistisch mogelijk zou zijn gemaakt, acht het hof in het licht van het dossier onaannemelijk.

Laatstgenoemde overwegingen wijzen concreet in de richting van de toepassing van geweld tegen landelijk bekende politici met de dood als doel. Gelet op de centrale rol die zij binnen het bestek van de democratische rechtsorde vervullen heeft de organisatie naar het oordeel van het hof als naaste doel gehad om door middel van de toepassing van geweld tegen een of meer in het hart van de democratische rechtsorde werkzame politici tenminste een deel van de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen en/of de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van Nederland te ontwrichten of te vernietigen, in de zin van art. 83a Sr. Dat het oogmerk gericht zou zijn op het dwingen van de Nederlandse overheid om iets te doen, niet te doen of te dulden is reeds bij gebreke van het daartoe openbaren van enig daartoe strekkend dreigement of ultimatum niet gebleken. Dat laatste brengt mede dat de bedreiging met een terroristisch oogmerk al evenmin als oogmerk van de organisatie kan worden bewezen. Daarvan zal de verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Overeenkomstig de stellingname van de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat bewijs ontbreekt dat de organisatie tot oogmerk zou hebben gehad opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen. Daarvan zal de verdachte derhalve eveneens worden vrijgesproken.

De verdachte heeft in de groep rond de medeverdachten [betrokkene 3], [betrokkene 1], [betrokkene 4] en [betrokkene 2] hand- en spandiensten geleverd, zoals het huren van de woning in Brussel op naam van haarzelf en die van de medeverdachte [medeverdachte], het beschikbaar stellen van haar auto aan de medeverdachte [betrokkene 1], het veelvuldig fungeren als chauffeur alsmede haar aanwezigheid bij en deelname aan een schietoefening in een bos in Amsterdam. Een en ander heeft overwegend plaatsgevonden onder heimelijke omstandigheden en op momenten dat de verdachte bekend was met het geradicaliseerde gedachtegoed van personen binnen die groep. Weliswaar heeft een en ander plaatsgevonden in een betrekkelijk korte periode, maar dat doet niet af aan de essentie van de rol van de verdachte.

Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte onderdeel uitgemaakt van een organisatie die de Koran en andere godsdienstige geschriften uitlegt op een zodanige wijze dat daarmee (terroristische) misdrijven noodzakelijkerwijs worden nagestreefd. Daarbij heeft de verdachte, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, door haar participatie blijk gegeven bewust te zijn geweest dat de groep daarmee tevens het oogmerk had op de terroristische misdrijven als bewezen verklaard waarbij het opzet van de verdachte betrekking had op het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. De verdachte heeft als aangegeven een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Al met al kan de verdachte derhalve worden aangemerkt als een persoon die heeft deelgenomen aan een terroristische groep als bedoeld in artikel 2 van het Kaderbesluit terrorismebestrijding en als organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Onder 1A is aan de verdachte deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk tenlastegelegd in de periode 11 november 2004 - 14 oktober 2005 (artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht). Het onder 1B tenlastegelegde betreft de deelneming aan een criminele organisatie, gepleegd in diezelfde tijdsperiode (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De bestanddelen van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht zijn voor het grootste gedeelte ontleend aan artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en dienen op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Een afwijking ten opzichte van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht betreft het begrip "terroristische misdrijven". De strekking van de gedragingen die in beide artikelen zijn omschreven wordt gevormd door de deelneming aan de organisatie, en niet aan de concrete misdrijven waarop het oogmerk van die organisatie betrekking heeft. De onder 1A en 1B bewezen verklaarde deelneming ziet telkens op dezelfde organisatie, gelijk in tijd en samenstelling.

Op grond van het hierboven genoemde is het hof van oordeel dat in onderhavige zaak artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht geldt als een gekwalificeerde logische specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht."

2.3.1. Blijkens de wetsgeschiedenis moeten de bestanddelen van art. 140a Sr op dezelfde wijze worden uitgelegd als de bestanddelen van art. 140 Sr. Volgens bestendige jurisprudentie is voor "deelneming" in de zin van art. 140 Sr voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (vgl. HR 18 november 1997, NJ 1998/225).

2.3.2. Uit de bewijsvoering kan de evenbedoelde wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven niet worden afgeleid. De door het Hof vastgestelde wetenschap van de verdachte van het voorhanden hebben van en het (zelf) oefenen met vuurwapens is voor een zodanige bewezenverklaring niet voldoende. De bewezenverklaring van het onder 1A en B tenlastegelegde is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede en het vierde middel

3.1. De middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- moord en/of doodslag, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland,

voor te bereiden en/of te bevorderen:

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededaders:

- één of meer vuurwapens in hun bezit gehad (te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een (op een) CZ, type Vz-61 Scorpion (gelijkend voorwerp) en/of een revolver en/of

- één of meer van voormelde vuurwapens vervoerd en/of

- met een vuurwapen (in een bos) geschoten, en/of

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en/of

- bivakmutsen in zijn bezit gehad en/of

- computers en/of CD-roms voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende instructies voor het maken en/of gebruiken van wapens en/of explosieven (waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandsbediening) en/of giffen en/of instructies met betrekking tot (militaire) training en/of gevechtstechnieken en/of overlevingstechnieken en/of de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten (Bouwstenen van naties.doc (onder meer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad"), (in een map/folder genaamd: i3dad:) 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, veiligheid.doc) en/of

- bijeenkomsten gehouden en/of overleg gevoerd en/of

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en/of e-mail (ondermeer via één speciaal daarvoor aangemaakte e-mail account) en/of

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn en/of

- een lijst gemaakt en/of geprint en/of voorhanden gehad met namen en adressen van politici (van ondermeer de heren Zalm, Balkenende en Wilders en van de dames Hirsi Ali en Griffith) en/of

- een briefje gemaakt en voorhanden gehad met daarop (gecodeerd) de namen en adressen van politici (te weten van de heren Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich) en/of

- een afscheidsboodschap (een zogenaamd zelfmoordtestament) opgenomen/gemaakt en in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voornoemd(e) misdrij(f)(ven), ondermeer inhoudende een filmopname van [betrokkene 3] met op de achtergrond een (op een) automatisch vuurwapen (gelijkend voorwerp), waarbij [betrokkene 3] ondermeer de volgende (Arabische) teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en/of "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet () Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin Laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heeft uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd."."

3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv en die zijn samengevat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3.

3.3. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte het oogmerk had om moord en/of doodslag op één of meer politici uit Nederland voor te bereiden of te bevorderen. Evenmin kan uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen dat de verdachte ten aanzien van de voorbereidingshandelingen, zoals bewezenverklaard achter het vierde tot en met het zesde en het achtste tot en met het twaalfde gedachtestreepje, zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. De bewezenverklaring van feit 2 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. De middelen zijn derhalve terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op psychische overmacht.

4.2. Het bestreden arrest houdt, onder het hoofd "strafbaarheid van de verdachte", het volgende in:

"Door de verdediging is betoogd dat aan de verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht en dat zij om die reden ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft gehandeld onder invloed van grote angst voor een aantal medeverdachten. Die angst, in combinatie met de persoonlijkheid van de verdachte - zoals nader beschreven door de deskundige professor J.T.V.M. de Jong in zijn rapport d.d. 13 februari 2008, toegelicht in zijn brief van 30 september 2009 en in zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - heeft ertoe geleid dat de verdachte geen andere uitweg heeft gezien dan het plegen van strafbare feiten. Ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten had zij geen keuzevrijheid.

De angst is ontstaan nadat zij de angst van haar echtgenoot, de medeverdachte [medeverdachte], heeft ervaren en daarin is mee getrokken. De verdachte is in het bijzonder bang geworden nadat haar echtgenoot haar had verteld hoe de medeverdachte [betrokkene 1] door met een mes een snijbeweging te maken hem had getoond wat er met afvalligen zou gebeuren. Zij heeft niet willen schieten in het bos in Amsterdam, maar heeft dat toch gedaan omdat zij bang was dat haar anders wat zou worden aangedaan. Volgens de deskundige De Jong is er in toenemende mate een sociale dwang uitgeoefend op de verdachte waardoor bij haar het besef is gegroeid dat er geen weg terug was. De articulatie van haar persoonlijkheid en die van haar echtgenoot binnen hun gezinsconstellatie, hun talenten en tekorten, hun intenties en hoop, hun psychologische en existentiële problemen in samenhang met de groepsdynamiek hebben er toe geleid dat zij en haar echtgenoot tot hun daden zijn gekomen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt te dien aanzien als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

Naar het oordeel van het hof zijn de angst van haar echtgenoot en de gebeurtenissen in het bos in Amsterdam voor het aannemen van een dergelijke drang onvoldoende. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep feiten en omstandigheden om eerder bedoelde drang aan te nemen, niet aannemelijk geworden.

Hoewel het hof zich ervan bewust is dat op menselijk handelen in zijn algemeenheid van invloed kan zijn een groepsdynamiek als door de deskundige De Jong is beschreven, kan de invloed van die groepsdynamiek op de verdachte niet los gezien worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte, gelet op de conclusie van de deskundige De Jong zoals hiervoor is weergegeven, welke conclusie het hof tot de zijne maakt. Juist die eigen persoonlijkheid van de verdachte kan niet worden aangemerkt als enige van buiten komende drang in het kader van haar beroep op psychische overmacht en daarmee kan ook de beschreven groepsdynamiek niet in dat verband worden meegewogen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar."

4.3. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Onder omstandigheden kan het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht (vgl. HR 30 november 2004, LJN AR2067, NJ 2005/94).

4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van het beroep op psychische overmacht de groepsdynamiek niet kan worden meegewogen omdat de invloed van die groepsdynamiek niet los gezien kan worden van de persoonlijkheid van de verdachte, zodat een en ander niet kan worden aangemerkt als enige van buiten komende drang. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Geen rechtsregel staat er immers aan in de weg de persoonlijkheid van de verdachte te betrekken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ten verwere aangevoerde drang.

4.5. Het middel is derhalve in zoverre terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 december 2011.