Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ8096

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
10/02832
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ8096
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek tot vaststelling kinderalimentatie. Hof niet buiten grenzen rechtsstrijd getreden met zijn oordeel over behoefte kinderen. Oordeel voorts voldoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1950
RvdW 2011/1307
JWB 2011/500
JPF 2012/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 oktober 2011

Eerste Kamer

10/02832

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak 115826/FA RK 06-1608 van de rechtbank Maastricht van 18 april 2008 en 14 juli 2009;

b. de beschikking in de zaak HV 200.041.030/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 april 2010.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 22 juni 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat tussen de man en de vrouw een affectieve relatie heeft bestaan, maar dat zij nooit hebben samengewoond. Uit hun relatie zijn drie, thans nog minderjarige, kinderen geboren. Deze kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw, die alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

3.2.1 In dit geding heeft de vrouw verzocht dat de man zal worden veroordeeld aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 750,-- per maand per kind.

3.2.2 De rechtbank heeft in haar beschikking van 14 juli 2009 de verzoeken toegewezen. Verkort weergegeven overwoog zij dat bij de berekening van de behoefte van de kinderen enkel dient te worden uitgegaan van het inkomen van de man, en dat voorts ervan moet worden uitgegaan dat de man zeer vermogend is en een inkomen heeft dat ver uitstijgt boven de in de Nibud-tabel gehanteerde normbedragen. Mede gelet op de - door de man niet betwiste - grote welstand en hoge levensstandaard waaraan de vrouw en de kinderen gewend zijn geraakt, zag de rechtbank aanleiding de behoefte van de kinderen vast te stellen op € 750,-- per maand per kind.

3.2.3 De man heeft hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld. Hij voerde aan dat volgens het Tremarapport waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd, de kinderalimentatie dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 505,-- per maand per kind bij een netto gezinsinkomen van € 5.000,-- of hoger. Hij stelde dat hij de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud heeft betaald van € 1.000,-- per maand, en bovendien van € 1.200,-- voor het levensonderhoud van de kinderen; voorts voldeed hij de huur van het huis waarin de vrouw en de kinderen woonden, en nam hij nog enkele kleinere kostenposten voor zijn rekening. In dit licht heeft de rechtbank, aldus nog steeds de man, ten onrechte geoordeeld dat de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun levensonderhoud groter is dan voormeld bedrag van € 505,-- per maand per kind.

De vrouw verweerde zich door aan te voeren dat de kinderen gewend zijn geraakt aan een hoge levensstandaard, en betoogde dat zij hun daaruit voortvloeiende behoefte aan een bijdrage in levensonderhoud voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Zij heeft erop gewezen dat de man ook nog andere kosten voor zijn rekening nam dan hij in zijn appelrekest heeft genoemd.

3.2.4 Het hof oordeelde, kort gezegd, dat de vrouw gedurende een groot aantal jaren met haar gezin de beschikking heeft gehad over een netto besteedbaar inkomen van laatstelijk circa € 5.000,-- per maand, en dat het onder die omstandigheden redelijk is voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen uit te gaan van genoemd netto besteedbaar inkomen, zodat de behoefte van de kinderen in 2006, mede gelet op de voormelde tabel, op € 1.525,-- per maand dient te worden gesteld. (rov. 3.8.2)

3.3 De onderdelen 1 en 2 van het hiertegen gerichte middel klagen dat het hof aldus ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van de man heeft aangevuld en buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. De onderdelen falen. Het oordeel van het hof moet aldus worden verstaan dat voldoende is komen vast te staan dat de kinderen behoefte hebben aan een hogere bijdrage in hun levensonderhoud dan het voormelde normbedrag van € 505,-- per maand per kind, omdat zij aan een daarmee corresponderende levensstandaard gewend zijn geraakt. Het hof is daarmee niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden omdat deze zich juist op de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun levensonderhoud heeft toegespitst. De grief van de man was tegen de vaststelling van de omvang van die behoefte gericht. Voorts heeft het hof zijn oordeel voldoende gemotiveerd, ook als in aanmerking wordt genomen dat het hof deze behoefte op een hoger bedrag heeft gesteld dan correspondeert met voormeld normbedrag.

3.4 De in de onderdelen 3 en 4 aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 21 oktober 2011.