Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ7999

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10/00126
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ7999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzet hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1673
RvdW 2011/1091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 september 2011

Strafkamer

nr. S 10/00126

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 2009, nummer 22/001881-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

2.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 01 januari 2007 tot en met 09 april 2007 te Rotterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. hij op 10 april 2007 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Het klopt dat ik in de periode van 1 januari 2007 tot en met 9 april 2007 eigenaar was van de woning aan de [a-straat 1a] te Rotterdam. Ik heb het pand regelmatig gecontroleerd. Ik ben eind 2006 voor het laatst bij de woning gaan kijken. Ik kon toen de woonruimte niet meer in, omdat er nieuwe sloten waren geplaatst."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 5 april 2007 kwam bij de politie Rotterdam Rijnmond een klacht binnen betreffende stankoverlast. De stank zou een zeer zware henneplucht betreffen. Het adres [a-straat 1a] te Rotterdam kwam naar voren als mogelijke locatie van een hennepkwekerij. Ik, verbalisant [verbalisant 1], verrichte in samenwerking met [betrokkene 1], medewerker van Eneco, ter plaatse een vervolgonderzoek, door het meten van het energieverbruik van de bovenliggende woningen. Er werd een verbruik gemeten van 43 ampère, welke ver boven het normale gebruik van 1 à 2 ampère ligt. De stijgkabel voelde zeer warm aan. [Betrokkene 1] omschreef deze situatie als gevaarlijk.

Op 10 april 2007 betraden wij de woning [a-straat 1]. Op de tweede woonlaag zagen wij in de kamerruimten 1, 2 en 3 zogenaamde hennepkweekinrichtingen. Wij zagen in kweekruimte 1 107 hennepplanten. Wij zagen in kweekruimte 3 146

hennepplanten staan. Wij herkenden de hennepplanten aan de lancetvormige bladeren en de kenmerkende henneplucht. Met hennep bedoelen wij de plant welke op lijst 2 van de Opiumwet wordt genoemd. Wij zagen dat deze hennepplanten geplant waren in plantenpotten, welke tuinaarde gemengd met piepschuimkorrels als groeisubstraat hadden. In kweekruimtes 1 en 3 troffen wij behoudens de hennepplanten vervuilde koolstoffilters aan, in ruimte 2 zagen wij sporen van plantenpotten, assimilatielampen en een nieuwe koolstoffilter. De daar verder aanwezige goederen toonden sporen die op langdurig gebruik duidden. Wij troffen in de woning ook zakken met gebruikte tuinaarde aan. Een en ander duidt erop dat in de woning al langere tijd hennep wordt geteeld, wij schatten minimaal 3 oogsten."

c. een Rapportage Diefstal Energie van 16 april 2007, opgemaakt door [betrokkene 1], voor zover inhoudende:

"Ik ben in dienst van Eneco Energie Services BV. Op 10 april 2007 was ik met politieambtenaren van politie Rotterdam Rijnmond bij het pand [a-straat 1a] te Rotterdam. Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een dikke laag stof zaten. Het witte filtermateriaal van de aanwezige, koolstoffilters waren door het gebruik in de hennepkwekerijen vervuild op een wijze dat de filters minimaal twee hennepoogsten in werking zijn geweest. Op de vloer in de hennepkwekerijen zag ik afvalbladeren en resten van hennepplanten liggen, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst. Ik zag dat het zeil dat op de vloer lag voorzien was van een dikke kalkaanslag. Ook zag ik een grote hoeveelheid vuilniszakken staan, gevuld met restkluiten met afgeknipte steel en wortel van hennepplanten. Gelet op bovenstaande bevindingen waren deze hennepkwekerijen al een geruime periode in het pand aanwezig. De in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten waren ongeveer 14 dagen oud."

2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het is een feit van algemene bekendheid dat voor 1 hennepoogst een teelperiode van circa 10 weken benodigd is."

2.3.3. Naar aanleiding van een door de verdachte gevoerd bewijsverweer heeft het Hof het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn pleitnota, het verweer gevoerd - kort gezegd - dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van de hem tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet wist dat in het bij hem in eigendom zijnde, maar door hem verhuurde pand een hennepkwekerij aanwezig was, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen was in de bewezenverklaarde periode eigendom van de verdachte. Nu de verdachte slechts heeft gesteld, maar geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat een ander dan hij verantwoordelijk gesteld kan worden voor de in het pand van de verdachte aangetroffen hennepkwekerij, is het de verdachte die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt, temeer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard regelmatig het pand te hebben gecontroleerd totdat dat naar zijn zeggen door de afsluiting niet gemakkelijk meer was. Derhalve verwerpt het hof het verweer."

2.4. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de teelt en aanwezigheid van hennep, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de onder 2.3.3 weergegeven overweging, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 6 september 2011.