Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ6758

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10/02333
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ6758
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De opvatting dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de in art. 14c.1.a Sr genoemde algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, slechts kan worden toegewezen als de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan een soortelijk feit als waarop de voorwaardelijke veroordeling betrekking heeft, vindt geen steun in de tekst van de wet of wetsgeschiedenis. Het Hof heeft het verweer terecht en op goede gronden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/30
RvdW 2012/66
NJB 2012/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2011

Strafkamer

nr. 10/02333

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2009, nummer 20/000454-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, - en wat betreft het derde middel gezien HR 20 december 2011, LJN BP4378 - geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat een drietal vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf moet worden afgewezen, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 01-836647-07, 05-601240-07, 11-500490-07:

Van de zijde van de verdediging is bepleit dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met bovengenoemde parketnummers dienen te worden afgewezen, omdat er geen relatie is tussen de ten laste gelegde feiten in onderhavige zaak en de feiten waarvoor verdachte eerder tot een voorwaardelijke straf werd veroordeeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover de verdediging ervan uitgaat dat een vordering tot tenuitvoerlegging slechts dan kan worden toegewezen wanneer een verdachte zich gedurende de proeftijd schuldig maakt aan een soortgelijk feit, vindt deze stelling geen steun in het recht. Los van de formele vereisten die gelden voor het indienen van een vordering tot tenuitvoerlegging, is het aan het oordeel van de rechter onderworpen of deze wordt toegewezen of afgewezen.

Het hof stelt vast dat de verdachte gedurende de proeftijd van drie eerdere veroordelingen de algemene voorwaarde heeft overtreden en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met de bovengenoemde parketnummers dienen te worden toegewezen."

3.3. Het middel berust, in navolging van het gevoerde verweer, op de opvatting dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de in art. 14c, eerste lid onder a, Sr genoemde algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, slechts kan worden toegewezen in die gevallen waarin de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit als waarop de voorwaardelijke veroordeling betrekking heeft. Deze opvatting vindt geen steun in de tekst van de wet en evenmin in de wetsgeschiedenis. Het Hof heeft het verweer dus terecht en op goede gronden verworpen.

3.4. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 december 2011.