Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ6731

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/01049
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ6731
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BL4528, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 137c Sr. Art. 10 EVRM. Ten aanzien van de uitlating “sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen” heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte deze zinsnede heeft opgenomen als openingszin in een column die verdachtes persoonlijke ervaringen tot onderwerp had. In dat verband heeft het Hof overwogen dat een column veelal het karakter heeft van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing waarbij overdrijving niet wordt geschuwd en die bovendien provocerend en choquerend kan zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat in casu weliswaar sprake is van een choquerende zinsnede, maar dat de verdachte deze in zijn column heeft opgenomen met de duidelijke bedoeling om voor het te behandelen onderwerp extra aandacht te verkrijgen. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de uitlating “op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen” en zonder twijfel shockerend (is)”, maar dat “gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan in het licht van dat onderwerp, column en inhoud van de column” niet kan worden gezegd dat die uitlatingen nodeloos grievend was. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte met deze uitlating niet de grenzen van hetgeen in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht heeft overschreden, en dat die uitlating -gelet op de omstandigheden van het geval- niet als “beledigend jegens een groep mensen wegens hun ras” als bedoeld in art. 137c.1 Sr kan worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het Hof heeft ten aanzien van de uitlatingen “maar de afgelopen maanden heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-Jood sta” en “misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land” - geoordeeld dat die uitlatingen noch op zichzelf, noch naar de context beschouwd, beledigend zijn voor Joodse mensen omdat niet kan worden gezegd dat “zij Joden in discrediet brengen of de eigenwaarde van Joden als groep aantasten.” Dat oordeel is, verweven als het is met een aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 137c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 10
NBSTRAF 2012/10
RvdW 2011/1509
NJ 2012/37
NJB 2011/2273

Uitspraak

29 november 2011

Strafkamer

nr. 10/01049

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 februari 2010, nummer 23/003082-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadsman van de verdachte, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van beledigende uitlatingen in de zin van art. 137c Sr.

2.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 1 oktober 2006 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras, hebbende hij, verdachte onder de kop [...] een column geschreven in het blad Havana, zijnde het weekblad van de Hogeschool van Amsterdam, welk blad op 20 september 2006 is gedateerd, in welke column verdachte de volgende passage(s) heeft opgenomen:

- "Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen" en/of

- "Maar de afgelopen maanden heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-jood sta" en/of

- "Misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land."

2.3. Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

"Algemeen kader

Het hof overweegt inleidend als volgt.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was de verdachte werkzaam als columnist voor het studentenblad Havana van de Hogeschool van Amsterdam. De verdachte schreef wekelijks een column onder de naam '[...]', waarin hij naar hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde schreef over zijn eigen ervaringen in het privé leven of over onderwerpen die in de maatschappij spelen. De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij veel spot, zelfspot en zwarte humor gebruikte in zijn columns.

Uit de jurisprudentie volgt dat een column veelal het karakter heeft van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing, waarbij overdrijving niet wordt geschuwd. Een ander kenmerk kan provocatie en de bedoeling om te shockeren zijn.

De voornoemde kenmerken in aanmerking genomen, geniet een columnist -naast de voor een ieder geldende vrijheid van meningsuiting zoals gewaarborgd in artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden- een zekere vrijheid van artistieke expressie, doch deze is niet onbegrensd. De grenzen van vrijheid van meningsuiting worden onder meer overschreden wanneer uitlatingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen of de bewoordingen onnodig grievend zijn.

De onderhavige zaak heeft betrekking op uitlatingen gedaan door de verdachte in één van zijn columns in Havana. De tenlastelegging is toegespitst op delen van de column waarin de verdachte zich kennelijk richt tot de groep van Joden.

De gehele tekst van de column, zonder kennisneming waarvan de onderhavige zaak zich niet laat beoordelen, luidt als volgt:

Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen. Misschien klinkt dat vreemd uit mijn mond, aangezien ik zelf halfjoods ben (voor echte joden telt dat niet, omdat mijn moeder het waarschijnlijk alleen van mijn opa's kant is, maar fuck: ik zou ook gewoon vergast zijn). Maar de afgelopen maanden heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-jood sta. En dan doel ik niet op het kinderachtige Ajax-Feyenoord spelletje, maar op de strijd tussen Israël en Libanon, orthodox-joodse winkeleigenaren in steden als New York en Londen, en vooral op Israëlische toeristen in het buitenland.

Misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land. Ik ben voor het eerst tot deze constatering gekomen toen ik tijdens een vakantie in Egypte een paar dagen in de Sinaï-rotswoestijn verbleef. De manier waarop lefgozertjes en verwende grietjes uit Tel Aviv daar de plaatselijke Egyptenaren aanspraken gingen alle perken te buiten. Een compleet onterecht autoritaire toon! Alsof ze het tegen hun hond hadden. Hadden ze mij zo benaderd en was ik in het bezit geweest van explosieven, dan had je hun ledematen verspreid tussen Sjarm el Sheikh en Dahab terug kunnen vinden. Maar goed, mijn huidige ergernis is van een recenter datum. Gisteren om precies te zijn. Ik stond in de rij bij het postkantoor bij de balie waar je pakketjes kunt afhalen. Ik was bijna aan de beurt, voor me stond alleen nog een mooie jongen van een jaar of zesentwintig. Helaas voor mij was het een Israëliër. Vanaf het moment dat ik hem in typisch accent-Engels (ik herken dat inmiddels uit duizenden) hoorde bakkeleien over een pakje waar hij extra porto voor weigerde te betalen (altijd geld hè!), wist ik dat dit uren ging duren. "You're not a good employee!" zei hij na tien minuten tegen een ideale schoondochter aan de andere kant van de balie. Het lef! De toon! Ik heb heel hard "Hezbollah" geroepen en ben weggelopen.

De door de uitlatingen getroffen groep

Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, daar de uitlatingen van de verdachte buiten het bereik van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht vallen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de column ter zake enkel het gedrag van Israëlische toeristen in het buitenland bekritiseert en derhalve de groep waartoe zij behoren niet collectief treft. Zelfs indien de column een groep collectief zou treffen, zou die groep Israëliërs zijn en niet Joden, aldus de raadsman.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Hoewel de column waarin de ten laste gelegde uitlatingen zijn gedaan hoofdzakelijk het gedrag van Israëli's treft, worden ook Joden in het algemeen tot onderwerp van de column gemaakt. De ten laste gelegde uitlatingen zijn duidelijk gericht tot Joden, niet alleen door het noemen van Joden als zodanig, maar ook door het gebruik van woorden zoals "nazi-tijd", "de kant van de niet-jood" en het (hoewel met een verkeerd jaartal) vermoedelijk verwijzen naar de Reichskristallnacht. Aldus heeft de verdachte met zijn uitlatingen Joden tot doelwit gemaakt als een groep mensen wegens hun ras en vallen zijn uitlatingen binnen het bereik van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het bestanddeel "belediging"

Voor de beoordeling van het beledigende karakter van de uitlatingen is niet alleen de tekst van de uitlatingen van belang, maar ook de context waarin zij zijn gedaan, het antwoord op de vraag of de gewraakte uitlatingen een bijdrage (kunnen) leveren aan het maatschappelijk debat of een uiting zijn van artistieke expressie en het al dan niet onnodig grievende karakter ervan.

Voor wat betreft de tekst van de uitlatingen is het hof van oordeel dat de zinsnede 'Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zover heeft kunnen komen' op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen.

Naar het oordeel van het hof geldt dit echter niet voor de zinsneden 'maar de afgelopen tijd heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-jood sta' en 'misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land'. Ook naar de context beschouwd maakt dit niet anders. Met name kan van deze uitlatingen, op zichzelf en contextueel beschouwd niet gezegd worden dat zij Joden in diskrediet brengen of de eigenwaarde van Joden als groep aantasten.

Een op zichzelf grievende uitlating kan zijn beledigende karakter verliezen door de context waarin die uitlatingen zijn gedaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De reikwijdte van die context wordt in deze zaak gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, waaronder ook valt de vorm van de uitlating, namelijk een column. Het hof wijst in dit verband op de volgende uitspraken van het EHRM:

EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146. m.nt. E.A. Alkema (Sunday Times):

... subject to paragraph 2 of Article 10, it is applicable not only to information or ideas that are favourable received or regarded as inoffensive of as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population.

EHRM 23 mei 1991, NJ 1992, 456, m.nt. E.J. Dommering (Oberschlick):

Art. 10 protects not only the substance of the ideas and information expressed, but also the form in which they are conveyed.

EHRM 6 mei 2003, Mediaforum 2003-6, nr. 28, m.nt. L. Dragstra (Perna/Italië):

Journalistic freedom also covers possible recours to a degree of exaggeration, or even provocation.

Gelet op het feit dat een column, zoals hierboven vermeld, veelal het karakter heeft van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing, waarbij overdrijving niet wordt geschuwd en bovendien provocerend en shockerend kan zijn, geniet een columnist een grote mate van vrijheid. De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column aan grenzen gebonden, welke onder meer hierin zijn gelegen dat gebezigde bewoordingen niet nodeloos grievend mogen zijn. Daarnaast worden grenzen overschreden indien columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus wel worden uitvergroot, maar moeten wel steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

De zinsnede 'Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zover heeft kunnen komen' is zonder twijfel shockerend. De verdachte begint met de shockerende zinsnede met de duidelijke bedoeling om voor het te behandelen onderwerp, dat is gebaseerd op persoonlijke ervaringen, extra aandacht te verkrijgen. Gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column, kan echter niet worden gezegd dat de betreffende uitlating nodeloos grievend was.

Het hof is dan ook van oordeel dat niet sprake is van een beledigende uitlating in de zin van artikel 137c Wetboek van Strafrecht en zal de verdachte van het ten laste gelegde vrijspreken."

2.4. De tenlastelegging is toegesneden op art. 137c, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt als volgt:

"Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

(...)"

2.5.1. Blijkens 's Hofs vaststellingen gaat het in deze zaak om het volgende. De verdachte was werkzaam als columnist voor het studentenblad Havana van de Hogeschool van Amsterdam. Als zodanig schreef hij wekelijks een column onder de naam '[...]', die naar eigen zeggen werd gekenmerkt door "veel spot, zelfspot en zwarte humor". De in de tenlastelegging vermelde uitlatingen zijn gedaan in één van die columns. Hoewel deze column hoofdzakelijk het gedrag van Israëli's betreft, zijn de tenlastegelegde uitlatingen gericht tot Joden, zowel door het noemen van Joden als zodanig, alsook door het gebruik van woorden als "Nazi-tijd", "de kant van de niet-Jood" en de vermoedelijke verwijzing naar de Reichskristallnacht.

2.5.2. Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de in de tenlastelegging vermelde uitlatingen heeft het Hof niet alleen acht geslagen op de bewoordingen van die uitlatingen, maar ook op de context waarin zij zijn gedaan. Daarbij heeft het Hof onder ogen gezien of de gewraakte uitlatingen een bijdrage (kunnen) leveren aan het maatschappelijk debat of een uiting zijn van artistieke expressie en het al dan niet onnodig grievende karakter van die uitlatingen. Het Hof heeft voorts in aanmerking genomen dat een columnist - naast de voor een ieder geldende vrijheid van meningsuiting zoals gewaarborgd in art. 10 EVRM - een zekere vrijheid van artistieke expressie geniet, zij het dat die wordt overschreden indien uitlatingen zijn gedaan met de bedoeling een ander te kwetsen of indien de bewoordingen onnodig grievend zijn.

2.5.3. Hiervan uitgaande heeft het Hof ten aanzien van de achter het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen uitlating - luidende "sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen" - geoordeeld dat die uitlating "op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen" en "zonder twijfel shockerend (is)", maar dat "gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column" niet kan worden gezegd dat die uitlating nodeloos grievend was.

Voorts heeft het Hof ten aanzien van de achter het tweede en het derde gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen uitlatingen - luidende "maar de afgelopen maanden heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-Jood sta" en "misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land" - geoordeeld dat die uitlatingen noch op zichzelf, noch naar de context beschouwd, beledigend zijn voor Joodse mensen omdat niet kan worden gezegd dat "zij Joden in discrediet brengen of de eigenwaarde van Joden als groep aantasten".

2.6. Het middel komt in de eerste plaats op tegen 's Hofs oordeel met betrekking tot de achter het tweede en het derde gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen uitlatingen van de verdachte. Voor zover het middel klaagt dat dit oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het Hof de uitlatingen slechts op zichzelf en niet in samenhang heeft beoordeeld, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers de samenhang van die uitlatingen uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs oordeel ontoereikend is gemotiveerd, faalt het eveneens. Het oordeel van het Hof dat van deze uitlatingen "zowel op zichzelf als contextueel beschouwd niet kan worden gezegd dat zij Joden in discrediet brengen of de eigenwaarde van Joden aantasten" is niet onbegrijpelijk, terwijl het, verweven als het is met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, in cassatie niet verder kan worden getoetst.

2.7. Voorts klaagt het middel over 's Hofs oordeel over de in de tenlastelegging achter het eerste gedachtestreepje opgenomen uitlating, luidende "sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen". Te dien aanzien heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte deze zinsnede heeft opgenomen als openingszin in een column die verdachtes persoonlijke ervaringen tot onderwerp had. In dat verband heeft het Hof overwogen dat een column veelal het karakter heeft van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing waarbij overdrijving niet wordt geschuwd, en die bovendien provocerend en choquerend kan zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat in casu weliswaar sprake is van een choquerende zinsnede, maar dat de verdachte deze in zijn column heeft opgenomen met de duidelijke bedoeling om voor het te behandelen onderwerp extra aandacht te verkrijgen. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitlating "op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen", maar dat "gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column, niet gezegd kan worden dat de betreffende uitlating nodeloos grievend was". Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte met deze uitlating niet de grenzen van hetgeen in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht heeft overschreden, en dat die uitlating - gelet op alle omstandigheden van het geval - niet als "beledigend jegens een groep mensen wegens hun ras" als bedoeld in art. 137c, eerste lid, Sr kan worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

2.8. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 november 2011.