Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ5730

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
09/03845
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ5730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Vordering b.p. 2. Tul, art. 77k Sr. Ad 1. In aanmerking genomen dat de aantekening van het mondelinge vonnis van de Pr niet een toewijzing inhoudt van de door de b.p. gevorderde schadevergoeding, en niet blijkt dat de b.p zich op de voet van art. 421.3 Sv in het geding in h.b. heeft gevoegd, heeft het Hof door te overwegen en te beslissen op de vordering gehandeld i.s.m. art. 361 jo. 415 Sv (vgl. HR NJ 1993/585). Ad 2. Het Hof heeft de tul gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie en deze daarbij omgezet in een gevangenisstraf. ’s Hofs oordeel dat de rechter reeds bij zijn last tot tul van de voorwaardelijke straf van jeugddetentie deze straf op de voet van art. 77k Sr kan vervangen door een straf genoemd in art. 9.1 Sr is onjuist (vgl. HR LJN AO1751). HR doet de zaak op dit punt zelf af door te verstaan dat het Hof de tul heeft gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/874
NJB 2011/1495
NJ 2011/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2011

Strafkamer

nr. 09/03845

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 augustus 2009, nummer 22/004817-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond, locatie De Schie" te Rotterdam.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar slechts ten aanzien van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij alsook ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes maanden, althans voor zover bij dat arrest is bepaald dat de jeugddetentie wordt vervangen door gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij.

2.2. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 31,76 en de vordering voor het overige afgewezen. Het Hof heeft de toewijzing van die vordering als volgt gemotiveerd:

"In het dossier bevindt zich een voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde partij] van 15 juli 2007 die blijkens een stempelafdruk op genoemde brief op 18 juli 2007 bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage is binnengekomen.

Naar 's hofs oordeel heeft de benadeelde partij zich gevoegd op 18 juli 2007 en derhalve tijdig vóór de zitting van 25 augustus 2008. De politierechter had ten aanzien van deze vordering dan ook een beslissing dienen te nemen, het welk niet is geschied.

Nu de benadeelde partij zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b, eerste lid, Wetboek van Strafvordering heeft gevoegd, zal het hof ten aanzien van deze vordering - welke geacht wordt door de politierechter te zijn afgewezen - alsnog een beslissing nemen.

Blijkens voornoemd voegingsformulier heeft de benadeelde partij een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 201,76.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van EUR 31,76 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van EUR 31,76 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat het causale verband tussen de overige door de benadeelde partij gestelde materiële schade en het onder 1 bewezenverklaarde ontbreekt. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken."

2.3. In aanmerking genomen a. dat de aantekening van het mondelinge vonnis van de Politierechter niet een toewijzing inhoudt van de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding, en b. dat niet blijkt dat de benadeelde partij zich op de voet van art. 421, derde lid, Sv in het geding in hoger beroep heeft gevoegd, heeft het Hof door te overwegen en te beslissen op de vordering als hiervoor onder 2.2 vermeld, gehandeld in strijd met art. 361 in verbinding met art. 415 Sv (vgl. HR 16 maart 1993, LJN AD1844, NJ 1993/585). Het middel klaagt daarover terecht.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over 's Hofs last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 24 juli 2006 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

3.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak onder het hoofd "vordering tenuitvoerlegging" het volgende overwogen:

"Bij vonnis van de meervoudige kamer te Rotterdam van 24 juli 2006 onder parketnummer 10-700028-06 is de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot ten uitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

Voorts heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 77k Wetboek van Strafrecht gevorderd dat deze niet tenuitvoergelegde straf zal worden omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, nu hij de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten heeft begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2009 heeft de raadsman aangevoerd dat hij geen termen aanwezig acht voor toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, nu ten aanzien van deze voorwaardelijk opgelegde straf in een andere, thans bij dit hof aanhangige strafzaak, reeds de tenuitvoerlegging is gevorderd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Naar het oordeel van het hof verzet de wet zich niet tegen meerdere vorderingen tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf, waarbij uiteraard geldt dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging na een gegeven last terzake, slechts éénmaal kan geschieden.

Nu de vordering tot tenuitvoerlegging zich voor toewijzing leent, ziet het hof aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten, temeer nu niet vast staat dat in die andere thans bij dit hof aanhangige strafzaak, waarbij van dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf de tenuitvoerlegging is gevorderd, deze ook onherroepelijk zal blijken te worden.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte thans de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt is het hof van oordeel dat de jeugddetentie op grond van artikel 77k Wetboek van Strafrecht dient te worden omgezet in een gevangenisstraf."

3.3. Het Hof heeft de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes maanden. Daarbij is de jeugddetentie omgezet in gevangenisstraf van zes maanden.

3.4. Het oordeel van het Hof dat de rechter reeds bij zijn last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van jeugddetentie deze straf op de voet van art. 77k Sr kan vervangen door een straf genoemd in art. 9, eerste lid, Sr, is onjuist (vgl. HR 23 maart 2004, LJN AO1751). Gelet daarop kan bedoelde last niet in stand blijven.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en voor zover het Hof heeft gelast dat de door hem bevolen tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes maanden wordt omgezet in zes maanden gevangenisstraf;

verstaat dat het Hof de tenuitvoerlegging heeft gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes maanden;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 juli 2011.