Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4677

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10/01394
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ4677
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht “medeplegen” diefstal met braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1154
NJ 2011/435
NJB 2011/2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2011

Strafkamer

nr. 10/01394

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 maart 2010, nummer 21/003993-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het door het Hof bewezenverklaarde "medeplegen" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op een tijdstip in de periode van 19 april 2008 tot en met 20 april 2008 te Nijmegen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan de Dorpsstraat aldaar gelegen scoutinggebouw heeft weggenomen een geluidsinstallatie, toebehorende aan scouting Numaga, waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, (door de (voor)deur van het scoutinggebouw te vernielen/forceren)."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik ben in de nacht van 19 april op 20 april 2008 met anderen in een scoutinggebouw aan de Dorpsstraat te Nijmegen geweest. Ik ben mee naar binnen gegaan."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik doe aangifte namens de stichting. Tussen 19 april 2008 18:30 uur en zondag 20 april 2008 10:45 uur is ingebroken in het scoutinggebouw gevestigd aan de Dorpsstraat te Nijmegen, terwijl dit pand was afgesloten. De toegang tot het pand heeft men zich verschaft door het forceren van de voordeur.

Ik zag dat de voordeur open stond. De voordeur is met grof geweld opengebroken. De geluidsinstallatie is weggenomen. Dit goed is eigendom van scouting Numuga. Ik gaf aan niemand het recht of de toestemming tot het plegen van dit feit."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"U houdt mij een inbraak voor in een gebouw van de scouting aan de Dorpsstraat te Nijmegen. De inbraak vond plaats op 19-20 april 2008. Op die dag waren we met vier man. [Betrokkene 3] logeerde bij mij. [Betrokkene 4] en [verdachte] (het hof leest: [verdachte]) kwamen toen langs. We hebben met zijn allen de deur opengebroken. We hadden daar onder andere een breekijzer bij. Nadat de deur was opengebroken, zijn we met zijn vieren naar binnen gegaan. Ik heb de stereo die daar stond meegenomen."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"U houdt mij voor dat ik zou hebben ingebroken in de scouting kantine te Nijmegen. Dit klopt. Ik heb daar ingebroken met [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [verdachte]. We hebben met zijn allen met een breekijzer de deur opengebroken. Iedereen deed wel een keer wat. Eenmaal binnen hebben we de geluidsinstallatie meegenomen."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking die nodig is om verdachte als mededader strafrechtelijk verantwoordelijk te houden voor de gepleegde diefstal. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het niet de vooropgezette bedoeling van het groepje personen was om te gaan stelen, dat verdachte niets heeft weggenomen, dat verdachte niet wist dat anderen iets hebben weggenomen en dat niet is gebleken dat verdachte wilde dat er iets werd weggenomen. De raadsman voert aan dat om deze redenen vrijspraak dient te volgen.

Het hof is van oordeel dat tussen verdachte en zijn mededaders van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking sprake was dat zij het feit tezamen en in vereniging hebben gepleegd, en meer in het bijzonder dat het voorwaardelijk opzet van verdachte was gericht op het wegnemen van de geluidsinstallatie uit het scoutinggebouw. De medeverdachten [betrokkene 2 en 3] verklaren dat de deur "met z'n allen" is opengebroken, en dat iedereen naar binnen is gegaan. Het opzet op het wegnemen van de geluidsinstallatie bestond wel bij de medeverdachten en dit opzet kan aan verdachte worden toegerekend, nu verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededaders, met wie verdachte uit baldadigheid het pand binnenging nadat een deur was opengebroken, meer dan alleen baldadig gedrag zouden vertonen en ook goederen zouden wegnemen."

2.3. Uit 's Hofs bewijsmotivering kan niet volgen dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het tezamen en in vereniging met anderen plegen van de bewezenverklaarde diefstal met braak. De door het Hof blijkens zijn hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overweging in aanmerking genomen omstandigheden zijn onvoldoende om een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking te kunnen aannemen. De bewezenverklaring is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

2.4. Het middel is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 13 september 2011.