Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
09/02821
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ4315
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bijzondere voorwaarde ex art. 14c Sr. Ingevolge art. 14c lid 2 onder 2 Sr kan de voorwaarde tot opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging slechts worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen termijn. Ingevolge art. 14f lid 2 Sr kan de rechter ook gedurende de proeftijd een zodanige voorwaarde opleggen. Art. 14h, 14i en 14j Sr voorzien dan in procedurele waarborgen voor de veroordeelde ten aanzien van wie het stellen van een zodanige bijzondere voorwaarde wordt overwogen. Dit wettelijk systeem brengt mee dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter (vgl. HR LJN AZ0262). Hiermee is onverenigbaar de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, voor zover deze de evenbedoelde beslissing in handen legt van Reclassering Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1001
NJB 2011/1549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2011

Strafkamer

nr. 09/02821

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 7 juli 2009, nummer 24/002326-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met art. 14c Sr de beslissing tot opname in een inrichting ter verpleging en de duur van een dergelijke eventuele opname heeft overgelaten aan de Stichting Reclassering Nederland.

3.2. Het bestreden arrest houdt in dit verband het volgende in:

"Het Hof,

(...)

veroordeelt verdachte (...) tot gevangenisstraf voor de duur van tien maanden;

beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van vijf maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien die aanwijzingen opname in de Piet Roorda Kliniek of een F.P.K. inhouden;

bepaalt dat deze eventuele opname niet langer dan een jaar zal duren;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

(...)"

3.3. Ingevolge art. 14c, tweede lid onder 2º, Sr kan de voorwaarde tot opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging slechts worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen termijn. Ingevolge art. 14f, tweede lid, Sr kan de rechter ook gedurende de proeftijd een zodanige voorwaarde opleggen. De art. 14h, 14i en 14j Sr voorzien dan in procedurele waarborgen voor de veroordeelde ten aanzien van wie het stellen van een zodanige bijzondere voorwaarde wordt overwogen. Dit wettelijk systeem brengt mee dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter (vgl. HR 30 januari 2007, LJN AZ0262, NJ 2007/97).

3.4. Met het voorgaande is onverenigbaar de door het Hof opgelegde voorwaarde, hiervoor onder 3.2 weergegeven, voor zover deze de evenbedoelde beslissing in handen legt van de Stichting Reclassering Nederland.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 12 juli 2011.