Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4293

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
10/02508
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ4293
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft onder de bewijsmiddelen een verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep opgenomen die het evenwel blijkens de nadere bewijsoverweging op onderdelen niet aannemelijk heeft geacht. Derhalve is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/827
NJB 2011, 1358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 juni 2011

Strafkamer

nr. 10/02508

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 januari 2010, nummer 23/001791-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu het Hof de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep - welke verklaring het Hof niet aannemelijk heeft geacht - tot het bewijs heeft gebezigd.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 25 januari 2007, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 14.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf".

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2010, voor zover inhoudende:

"Het geld dat bij mij is aangetroffen, 14.840 euro, is mijn eigen geld. Ik heb dat van de bank geleend. Ik heb steeds kleine bedragen opgenomen en deze thuis bewaard. Op die manier spaarde ik geld. Ik nam dat geld op voor mijn familie in Afrika. Het klopt dat ik geen 500 euro biljetten heb opgenomen. Ik heb het geld dat ik opnam bij Holland Casino en bij winkels gewisseld voor 500 euro biljetten. Ik heb geld gewisseld bij één winkel. Dat is de winkel in Enschede van een vrouw uit Ghana.

U, advocaat-generaal, vraagt of ik de dag voor mijn aanhouding 2000 euro heb overgemaakt naar mijn familie. Ik heb dat geld naar hen overgemaakt.

U, voorzitter, houdt mij voor dat ik ongeveer 1.400 euro netto per maand verdien, ongeveer 500 euro aan vaste lasten heb en 700 à 750 euro per maand spaar. In 3 jaar tijd zou ik dan een kleine 20.000 euro gespaard moeten hebben. In plaats daarvan heb ik een schuld van 20.000 euro bij de bank. Ik stuur geld naar mijn familie."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"lk heb nog geen vaste baan. Ik werk her en der. Ik ben vijf keer in Afrika geweest dit jaar."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb op dit moment 18.000,- euro schuld bij de ABN-AMRO bank. Ik heb deze schuld sinds eind 2005 of begin 2006. Ik betaal elke maand 90,- euro aan de bank voor deze lening, dat is rente. Het geleende geld heb ik al een jaar thuis liggen. lk zou vandaag met een vlucht van de Air Maroc van Amsterdam naar Casablanca reizen en daarna doorreizen naar Conakry-Guinee. Ik zou nu voor maximaal 2 weken naar Conakry gaan. Ik heb twee weken vrij genomen op mijn werk. Ik heb nu een enkele reis geboekt. Voor de terugreis koop ik weer een ander ticket. Ik ben vorige week donderdag ook naar Guinee geweest, ook via Casablanca. Ik ben afgelopen maandag weer teruggekomen. Deze trip kostte mij ongeveer 850,- euro. Eind 2004 ben ik naar Ghana geweest. Ik ben daar toen drie weken geweest. In 2006, november, ben ik vier dagen naar Senegal en drie dagen naar Guinee-Bissau geweest. Vorige week ben ik ook nog drie dagen naar Guinee geweest. Op deze reizen heb ik hetzelfde geld bij mij. In november 2006 was ik ook in Guinee, dat was ik net vergeten te zeggen. Ik ben toen 1 week daar geweest."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 25 januari 2007 controleerden wij, verbalisanten, op Schiphol reizigers op de van toepassing zijnde Douanebepalingen bij uitvoer. Tijdens deze controle spraken wij een voor ons onbekende man aan. Ondermeer vroegen wij, verbalisanten, hem of hij geld bij zich had. Hij antwoordde hierop: 'ja, ik heb 20.000,- euro bij mij.' De man toonde ons zijn portemonnee waarin een enveloppe zat met daarin 28 coupures van 500 (het hof begrijpt: euro). Verder had de man ongeveer 840 euro in zijn linker broekzak."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Verdachte heeft bankafschriften ingezonden om de legale herkomst van het geld dat onder hem in beslag is genomen op 25 januari 2007 te rechtvaardigen. De bankafschriften hebben betrekking op de volgende bankrekeningen van de ABN-AMRO bank:

- [001] (privé-rekening) over de periode 13 mei 2003 tot 7 september 2006;

- [002] (flexibel krediet) over de periode 21 januari 2005 tot 21 mei 2006;

- [003] (spaarrekening) over de periode 3 februari 2004 tot 7 november 2006.

De bankafschriften geven geen inzicht in de relatie die zij zouden moeten hebben met het geld, 14.840,- euro, dat op 25 januari 2007 onder verdachte in beslag is genomen."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu - kort gezegd - niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen en overdracht, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 25 januari 2007, blijkt dat de verdachte op 25 januari 2007 op de luchthaven Schiphol, in de vertrekhal nabij de doorgang van de Koninklijke Marechaussee door de Douane is gecontroleerd. Bij deze controle verklaarde de verdachte desgevraagd dat hij € 20.000,- bij zich had. Uit nader onderzoek is gebleken dat de verdachte in een enveloppe 28 coupures van € 500,- bij zich droeg en dat hij daarnaast een bedrag van € 840,- in zijn linkerbroekzak had. Met betrekking tot de herkomst van het geld heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het zijn eigen geld is en dat hij dit bedrag in delen heeft opgenomen van onder meer een krediet dat hij had afgesloten. Hij zou vervolgens de opgenomen geldbedragen bij Holland Casino en bij een winkel in Enschede in € 500,- biljetten hebben omgewisseld. Het geld zou voor zijn familie in Afrika zijn bestemd. Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het onder hem in de enveloppe aangetroffen geld niet aannemelijk. Uit de door de verdachte overgelegde bankafschriften kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte over een langere periode telkens kleine bedragen heeft opgenomen, doch deze opnames verklaren niet de aanwezigheid van een groot bedrag in coupures van € 500,-. Dat de kleine geldbedragen telkens bij Holland Casino en in een winkel in Enschede in coupures van € 500,- zouden zijn omgewisseld, zoals gesteld, wordt niet aannemelijk geacht, nu deze coupures niet of nauwelijks in het legale handelsverkeer voorkomen, doch - zijnde een feit van algemene bekendheid - nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit. Gelet op het gegeven dat de verdachte op 24 januari 2007 een bedrag van € 2.000,- naar zijn familie in Afrika heeft overgemaakt, terwijl bij de aanhouding van de verdachte de dag daarop een bedrag van in totaal € 14.840,- is aangetroffen, is naar het oordeel van het hof evenmin aannemelijk dat het onder de verdachte aangetroffen geld bestemd zou zijn voor de familie van de verdachte in Afrika, zoals door hem gesteld. De verdachte heeft overigens in een korte periode Afrika zeer regelmatig bezocht, hoewel hij over een beperkt inkomen beschikt en deze reizen bovendien niet passen bij de financiële situatie van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang beschouwd - leidt het hof af dat de verdachte niet zijn eigen geld vervoerde, maar dit deed voor een derde en het daarbij niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte in de enveloppe aangetroffen geld, in totaal € 14.000,- in coupures van € 500,- uit enig misdrijf afkomstig was. De verdachte moet dit, het voorgaande in aanmerking nemende, ook hebben vermoed."

2.3. Het Hof heeft onder de gebezigde bewijsmiddelen een verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep opgenomen die het evenwel blijkens de nadere bewijsoverweging op onderdelen niet aannemelijk heeft geacht. Daarom is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 juni 2011.