Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4290

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/01969
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ4290
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. HR doet het middel af met de aan art. 81 RO ontleende motivering en verwijst daarbij naar HR LJN BP2740. 2. Strafoplegging. Voor zover het middel klaagt over de hoogte van de opgelegde werkstraf, slaagt het. Het Hof heeft gelet op de strafmotivering beoogd een werkstraf op te leggen als door de A-G is gevorderd. De HR herstelt deze misslag. Voor het overige: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1361

Uitspraak

1 november 2011

Strafkamer

nr. 10/01969

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 december 2009, nummer 20/004238-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, dat de Hoge Raad de strafoplegging zal verbeteren en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Mede gelet op HR 7 juni 2011, LJN BP2740, behoeft dit, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is.

3.2. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Het Hof heeft deze strafoplegging onder meer als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

(...)

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf in dit geval een passende reactie."

3.3. Voor zover het middel klaagt over de hoogte van de opgelegde werkstraf, slaagt het. Het Hof heeft gelet op de strafmotivering beoogd aan de verdachte een werkstraf op te leggen als door de Advocaat-Generaal is gevorderd.

De Hoge Raad herstelt deze misslag en zal verstaan dat door het Hof naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf bestaande uit een werkstraf van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis is opgelegd.

3.4. De klacht kan dus niet tot cassatie leiden. Voor het overige kan het middel ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verstaat dat het Hof naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren heeft opgelegd een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis;

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 november 2011.