Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4288

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
10/03425
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9833, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting/Inkomstenbelasting. Art. 8, lid 1, letter b, Wet IB 1964. Landbouwvrijstelling. Vaststellingsovereenkomst is niet zodanig in strijd met de wettelijke regeling dat de Inspecteur niet op nakoming mocht rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/26.6 met annotatie van Redactie
BNB 2011/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/03425

13 mei 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 juni 2010, nr. BK-09/00535, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 06/10269 VPB) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Bij overeenkomst van 24 februari 1995 hebben B en zijn echtgenote C, die toentertijd gezamenlijk een landbouwbedrijf uitoefenden, de economische eigendom van een aantal percelen grond verkocht aan een derde ten behoeve van toekomstige woningbouw. In totaal is 12.44.74 ha grond verkocht tegen een koopprijs van ƒ 25 per m2. Deze koopprijs bestond uit een direct te betalen bedrag van ƒ 10 per m2 en een bedrag van ƒ 15 per m2 dat zou worden betaald indien en zodra voor woningbouw op de verkochte grond bouwvergunningen zouden zijn verleend of een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan ten behoeve van woningbouw tot stand zou zijn gekomen.

Van de totale koopprijs (ƒ 3.111.850) werd een gedeelte, groot ƒ l.244.740 (12.44.74 ha voor ƒ l0 per m2) direct betaald. Het restant van ƒ l.867.110 (12.44.74 ha voor ƒ l5 per m2; hierna: de tweede termijn) is in 2002 betaald.

3.1.2. Per 15 december 2000 hebben B en C hun onderneming met toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ingebracht in belanghebbende, waarna belanghebbende haar activa en passiva heeft overgedragen aan twee besloten dochtervennootschappen waarmee belanghebbende sindsdien een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormt. Op de in verband met die inbreng opgemaakte inbrengbalans is de vordering van B en C uit hoofde van de tweede termijn gewaardeerd op ƒ 373.422 oftewel ƒ 3 per m2.

3.1.3. In 1999 hebben A, de toenmalige adviseur van B en C, en de Inspecteur ter zake van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde verkoop een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten, die inhield - voor zover in cassatie van belang - dat indien en voor zover de tweede termijn zou worden voldaan daarvan een bedrag van ƒ 3 per m2 zou worden vrijgesteld op grond van artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet (hierna: de landbouwvrijstelling) en dat het meerdere (ƒ 12 per m2) zou worden belast.

3.2. Voor zover het middel zich richt tegen 's Hofs oordeel over de bevoegdheid van A om bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op te treden als vertegenwoordiger van B en C kan het niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3.1. Het middel richt zich voor het overige tegen het oordeel van het Hof omtrent de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst zelf. Dat oordeel houdt in dat de vaststellingsovereenkomst niet zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling van de landbouwvrijstelling ter zake - over het geheel genomen - bepaalt dat de Inspecteur niet op volledige nakoming mocht rekenen. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de in geding zijnde overeenkomst, gezien de vaststaande feiten en omstandigheden, ertoe strekt recht te doen aan een juiste toepassing van de landbouwvrijstelling met inachtneming van de wederzijdse onzekerheden en proceskansen.

3.3.2. De landbouwvrijstelling zoals die in 1995 gold, hield in dat voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van grond waren vrijgesteld, behoudens voor zover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf was ontstaan of verband hield met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort zou worden aangewend buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf.

3.3.3. De partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de landbouwvrijstelling voor wat betreft de tweede termijn zou worden toegepast op een bedrag van ƒ 3 per m2. De vaststellingsovereenkomst strekte naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent de vraag in hoeverre de landbouwvrijstelling van toepassing was op het bedrag van de tweede termijn, gezien de daaraan verbonden, hiervoor in 3.1.1 vermelde, voorwaarden en het tijdsverloop tussen de koopovereenkomst en het (verwachte) moment waarop de tweede termijn zou worden voldaan.

3.3.4. In het licht van het hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 overwogene geven de hiervoor in 3.3.1 weergegeven oordelen van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2011.