Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ4203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
09/04602
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ4203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling tijdens (amateur)voetbalwedstrijd. Bewijs opzet. De HR stelt voorop dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor bij de beoordeling van het tenlastegelegde opzet is, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo’n situatie is verricht (vgl. HR LJN BB7087). De opvatting dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of sprake was van (voorwaardelijk) opzet rekening had moeten houden met de context van het amateurvoetbal, is onjuist, gelet op hetgeen is vooropgesteld. Voor het overige: art. 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 240
NBSTRAF 2011/240
RvdW 2011/885
NJB 2011/1414
VR 2012/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2011

Strafkamer

nr. 09/04602

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 29 oktober 2009, nummer 24/000473-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 maart 2007, in de gemeente Veendam, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meervoudige botbreuk in het onderbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (van achteren) te trappen en neer te halen."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik doe aangifte van zware mishandeling. Ik was op zaterdag 10 maart 2007 aan het voetballen bij mijn voetbalclub Veendam 1894. We speelden een wedstrijd tegen Glimmen 2. Toen we ongeveer een half uurtje bezig waren, kreeg ik de bal rond het middenveld. Ik maakte een actie en ging iemand aan de rechterzijde voorbij. De bal speelde ik een meter of 3 à 4 voor mij uit. Mijn tegenspeler bevond zich dus aan mijn linkerzijde. Opeens voelde ik dat ik van achteren werd neergehaald. Ik werd op mijn linkerkuit geraakt. Ik hoorde direct een harde knap en voelde hevige pijn in mijn linkeronderbeen. Mijn tegenstander heeft toen van de scheidsrechter direct een rode kaart gekregen. In het ziekenhuis bleek dat zowel mijn kuitbeen als het scheenbeen van mijn linkerbeen op twee plekken waren gebroken. Ik heb dus in totaal vier breuken in mijn linkeronderbeen. Ik ben diezelfde avond nog geopereerd aan mijn been. Er is een pen met een aantal schroeven in mijn been geplaatst. De artsen verwachten dat ik zeker een halfjaar last van mijn been zal houden."

b. een schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] van 17 april 2009, voor zover inhoudende:

"Ik ben geopereerd en daarbij is een pen door mijn knie en scheenbeen geplaatst. Ik heb zes dagen in het ziekenhuis gelegen en kon daarna maanden niet werken. Thuis had ik verzorging nodig. Bij een tweede operatie is die pen in oktober 2008 verwijderd. Hierna heb ik weer een maand niet kunnen werken. Mijn knie is kwetsbaar en na inspanning nog pijnlijk."

c. de verklaring van de getuige [getuige] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2009, voor zover inhoudende:

"Ik was op 10 maart 2007 de scheidsrechter bij de wedstrijd van Veendam 1894 tegen Glimmen 2 in Veendam. De spelers dragen bij voetbalwedstrijden schoenen met noppen. Op een zeker moment had een speler van Veendam de bal. Deze speler speelde de bal voor zich uit en rende er achteraan, richting het doel van Glimmen. Hij passeerde daarbij een verdediger van Glimmen, die zich omdraaide en met gestrekt been een trappende beweging naar de speler van Veendam maakte. Hij schopte naar voren en raakte de speler van Veendam. Voor zover ik me kan herinneren werd de speler van Veendam schuin van achteren geraakt. Beide spelers vielen op de grond. Ik hoorde dat spelers van Glimmen meteen tegen hun teamgenoot riepen: 'Wat doe je nou?' De speler van Glimmen kreeg direct een rode kaart van mij. Ik gaf deze rode kaart omdat de speler van Glimmen de bal totaal niet meer kon spelen, dus zuiver de aanvaller van Veendam torpedeerde. De speler van Glimmen kon de bal niet meer bereiken, omdat deze vooruit was gespeeld door de speler van Veendam. Ik schat dat de bal daardoor 3 tot 5 meter voor die speler was. Ik heb wel vaker overtredingen gezien, maar een actie als deze heb ik nog nooit meegemaakt. Ik ben al een jaar of 25 scheidsrechter. Deze actie had niets te maken met een poging de bal te spelen. Ik hoorde een knap op het moment dat de speler van Glimmen de speler van Veendam raakte. Ik stond zo'n 5 tot 6 meter van het incident af. Het gebeurde in mijn gezichtsveld, ik lette op de bal en de zich in die buurt bevindende spelers. Ik zag dat de schoen van de speler van Glimmen bij de trappende beweging boven de grasmat uitkwam. Het was dus geen sliding over de grond. Ik heb naderhand gehoord dat die speler van Veendam een dubbele beenbreuk had opgelopen. Ook als het letsel niet zo ernstig was geweest en zelfs zonder letsel had die speler van Glimmen de rode kaart van mij gekregen. Meteen na de wedstrijd heb ik het KNVB wedstrijdformulier veldvoetbal en het KNVB rapport van scheidsrechter opgemaakt. Ik heb daarin aangegeven dat het een gewelddadige handeling betrof. In de door mij geschreven tekst heb ik vermeld dat de speler van Veendam op grove wijze onderuit is geschopt door de speler van Glimmen. Het was in ieder geval het op grove wijze onderuithalen van een tegenstander. Daar staat straf op en dat is rood. Natuurlijk was die handeling van de speler van Glimmen in strijd met de spelregels van het voetbal."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 10 maart 2007 speelde ik een voetbalwedstrijd. Ik speelde mee met zaterdag 2 van Glimmen. We moesten spelen in Veendam tegen Veendam 1894. Na ongeveer een half uur spelen gebeurde er iets. Ik liep achter een tegenstander aan die de bal had. Ik zag de bal niet meer. Vervolgens lag ik samen met de tegenstander op de grond. Toen we vielen, hoorde ik een knap. Ik had door dat ik hem op zijn been raakte. Ik kreeg toen direct rood van de scheidsrechter."

e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik voetbal al 30 jaar. Ik ben ook scheidsrechter."

f. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2009, voor zover inhoudende:

"Ik liep tijdens de voetbalwedstrijd op 10 maart 2007 achter [slachtoffer] aan. Hij was even daarvoor in balbezit. Ik constateerde dat ik de bal niet meer zag. Vlak hierna heb ik [slachtoffer] geraakt."

2.2.3. Het Hof heeft voorts nog het volgende overwogen:

"Bewijsoverweging

Het hof acht op grond van de hierboven weergegeven verklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] tijdens een voetbalwedstrijd (schuin) van achteren met gestrekt been tegen het linkeronderbeen heeft getrapt, waardoor het onderbeen van [slachtoffer] op vier plaatsen is gebroken. Gelet op de verklaring van de scheidsrechter dat de bal voor verdachte op dat moment niet te bereiken was en - met name - gelet op de verklaring van verdachte zelf dat hij de bal niet zag, acht het hof het uitgesloten dat deze actie van verdachte op de bal was gericht. Kennelijk was het verdachtes bedoeling om aangever [slachtoffer] - die onderweg was naar het doel van Glimmen - onderuit te halen.

De gedraging van verdachte zoals hierboven beschreven is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer] dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

(...)

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

zware mishandeling.

Hoewel deelnemers aan een sport tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar hebben te verwachten, is de onderhavige gedraging naar algemene ervaringsregels dusdanig gevaarlijk en betreft het een zodanig ernstige overtreding van de spelregels dat geen sprake kan zijn van het ontbreken van wederrechtelijkheid."

2.3. Voorop moet worden gesteld dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor bij de beoordeling van het tenlastegelegde opzet is, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo'n situatie is verricht (vgl. HR 22 april 2008, LJN BB7087, NJ 2008/375).

2.4. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of sprake was van (voorwaardelijk) opzet rekening had moeten houden met de context van het amateurvoetbal, faalt de klacht. Die opvatting is onjuist, gelet op hetgeen hierboven is vooropgesteld.

2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 juni 2011.