Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3992

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
09/03653
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3992
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kennelijk leugenachtige verklaring. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AT2897 (NJ 2005/396). Het Hof heeft zijn oordeel dat verdachte leugenachtig heeft verklaard gegrond op de inhoud van die verklaringen zelf en heeft voorts verwezen naar de door X tegenover de politie afgelegde verklaring die neerkomt op een weergave van door verdachte aan haar gedane mededelingen. Dat was het Hof niet toegestaan, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 341
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/7
RvdW 2012/17
NJB 2012/103
NBSTRAF 2012/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2011

Strafkamer

nr. 09/03653

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 september 2009, nummer 23/000757-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 4 tenlastegelegde en de opgelegde straf en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 4 en bevat de klacht dat 's Hofs oordeel dat sprake is van een kennelijke leugenachtige verklaring van de verdachte, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 23 november 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk Giant, kleur blauw), toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij hij, verdachte, die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door het slot te forceren."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Tussen 23 november 2007 te 21.30 uur en 24 november 2007 te 00.15 uur werd te Amsterdam mijn fiets gestolen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Merk: Giant

Kleur: Blauw

Bouwjaar: 2006

Afgesloten: Ja

Soort slot: hoefijzerslot."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op 24 november 2007 te 03.10 uur reden wij, verbalisanten, in uniform gekleed en met surveillance belast ter hoogte van het Afrikanerplein te Amsterdam Oost. Aldaar zagen wij een junkachtig type op een goed uitziende damesfiets van het merk Giant fietsen. Ik, eerste verbalisant, merkte tevens op dat het slot van deze fiets ontbrak. Wij, verbalisanten, hebben de man vervolgens staande gehouden en de fiets gecontroleerd. De fiets bleek een blauwe damesfiets te zijn van het merk Giant. Ik, eerste verbalisant, zag dat op de plaats waar normaliter een beugelslot zit bevestigd, braakschade zat en geen slot aanwezig was. De man gaf op te zijn [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte)."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 24 november 2007 kreeg ik van de wachtcommandant van het politiebureau het verzoek te gaan naar perceel [a-straat 1] te Amsterdam alwaar de bewoonster een aantal fietsen in de tuin had staan die door haar verslaafde vriend daar waren neergezet. Hierop begaf ik mij naar het opgegeven adres. Aldaar werd ik aangesproken door een vrouw die opgaf te zijn genaamd: [betrokkene 2]. Zij toonde mij een aantal fietsen in de tuin en in het tuinhuisje en vertelde mij het volgende: "Ik ben bevriend met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). De blauwe Giant fiets die daar in het rek staat is de fiets waarmee [verdachte] vannacht naar huis kwam. Hij zei toen tegen mij dat hij deze fiets had gestolen in de buurt van het Oosterpark"."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering in het verkorte arrest het volgende overwogen:

"Bewijsoverweging

Anders dan de advocaat-generaal en de politierechter acht het hof de onder 4 primair tenlastegelegde diefstal bewezen, aangezien de verdachte kort na de diefstal in het bezit was van de fiets, nu hij omtrent de herkomst daarvan toen aan verbalisanten leugenachtig heeft verklaard en nu de getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte haar heeft verteld dat hij de fiets heeft gestolen."

2.2.4. De aanvulling op het verkorte arrest houdt als nadere bewijsoverweging in:

"In aanvulling op de in het verkorte arrest op pagina 2 opgenomen bewijsoverweging overweegt het hof dat het oordeel dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard omtrent de herkomst van de fiets op het volgende is gebaseerd. De verdachte heeft op

- 24 november 2007 verklaard dat hij de bewuste fiets voor € 95,- op het Waterloo-plein heeft gekocht;

- 28 november 2007 verklaard dat hij de fiets van een vriend van hem heeft geleend; en

- 29 november 2007 verklaard dat hij eerder heeft gelogen en dat hij de fiets voor € 25,- in het Oosterpark heeft gekocht."

2.3. Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen kan bij de bewijsvoering worden gebruikt. Zodanig oordeel zal dan wel zijn grondslag moeten vinden in andere bewijsmiddelen dan de verklaring(en) van de verdachte. Tot bedoelde andere bewijsmiddelen kunnen niet worden gerekend bewijsmiddelen, inhoudende verklaringen van personen omtrent hetgeen de verdachte aan hen heeft meegedeeld.

2.4. In het onderhavige geval heeft het Hof zijn oordeel dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard - waarbij het kennelijk het oog heeft op diens in de hiervoor onder 2.2.4 vermelde nadere bewijsoverweging weergegeven verklaringen - gegrond op de inhoud van die verklaringen zelf en heeft het voorts verwezen naar de door [betrokkene 2] tegenover de politie afgelegde verklaring die neerkomt op een weergave van door de verdachte aan haar gedane mededelingen. Dat was het Hof niet toegestaan, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd (vgl. HR 24 mei 2005, NJ 2005/396).

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 december 2011.