Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
09/04986
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Maatschap; art. 7A:1655 e.v. BW. (Stilzwijgende) totstandkoming overeenkomst van maatschap tussen samenwerkende dierenartsen? Temeer waar schriftelijk contract ontbreekt, kan totstandkoming overeenkomst mede worden afgeleid uit een tussen partijen op enig moment bestaande feitelijke situatie. Hof heeft verschillende verklaringen en gedragingen van partijen in aanmerking genomen en is nagegaan wat partijen over en weer uit deze verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden, zonder daarbij een of meer specifieke momenten aan te wijzen waarop enige betrokkene zich welbewust als vennoot jegens enige andere betrokkene heeft opgesteld. Oordeel hof dat partijen zich jegens elkaar (stilzwijgend) hadden verbonden als vennoten in maatschapsverband samen te werken, met toepassing van juiste maatstaf tot stand gekomen. Nu niet vaststaat op basis van wat voor soort afzonderlijke overeenkomsten partijen mogelijk eerst werkzaam zijn geweest, kan niet worden gezegd dat rechtszekerheid zich in onderlinge verhouding tussen partijen verzet tegen stilzwijgende totstandkoming overeenkomst van maatschap. Beroep op HR 5 april 2002, LJN AD8186, NJ 2003/124 gaat dan ook niet op, te meer niet nu rechtbank in het daarin besliste geval, anders dan hof in onderhavig zaak, zich (ten onrechte) niet had begeven in beantwoording vraag of partijen zich - beoordeeld aan hand van vermelde maatstaf - jegens elkaar hadden verbonden. Omstandigheid dat tussen enkele van betrokken partijen aanvankelijk afzonderlijke overeenkomsten van opdracht bestonden, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat rechtsverhouding tussen partijen verandert zonder dat tussen hen een specifiek daarop gerichte overeenkomst is gesloten. Motivering oordeel rechter dat rechtsverhouding tussen partijen zich heeft ontwikkeld van een overeenkomst van opdracht in een overeenkomst van maatschap, moet aan hoge eisen voldoen. Motivering hof voldoet aan deze eisen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1655
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1041
RCR 2011/86
NJB 2011/1630
RN 2011/101
JONDR 2011/204
NJ 2012/75 met annotatie van P. van Schilfgaarde
JWB 2011/399
JOR 2011/361 met annotatie van Mr. Chr.M. Stokkermans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 september 2011

Eerste Kamer

09/04986

DV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. [Eiseres 2],

beide gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Eiser 3],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerster 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Verweerster 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [Verweerder 4],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaten: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt en mr. A.M. van Aerde.

Eisers tot cassatie zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiser] c.s. en afzonderlijk als respectievelijk [eiseres 1], [eiseres 2] en [eiser 3]. Verweerders in cassatie zullen gezamenlijk worden aangeduid als [verweerder] c.s. en afzonderlijk als respectievelijk [verweerder 1], [verweerster 2], [verweerster 3] en [verweerder 4].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 138551/HA ZA 06-374 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juni 2006, 16 augustus 2006, 11 oktober 2006 en 19 december 2007;

b. het arrest in de zaak HD 103.006.162 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 juli 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping in het principale beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 13 mei 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan, waarbij opmerking verdient dat het gebruik van het woord "samenwerkingsverband", in navolging van het hof, geen kwalificatie inhoudt van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding.

(i) [Betrokkene 1] - de vader van [eiser 3] - dreef van oudsher een dierenartsenpraktijk in [vestigingsplaats] in de vorm van een B.V. [Betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) was als werknemer bij de B.V. in dienst sinds 1977, [eiser 3] sinds 1983 en [verweerder 1] sinds 1985.

(ii) In 1987 hebben [betrokkene 2], [eiser 3] en [verweerder 1] B.V.'s opgericht. De B.V. van [betrokkene 1] werd omgedoopt in [B], welke vennootschap de aandelen ging houden in de op 29 mei 1987 opgerichte [eiseres 1], waarin de dierenartsenpraktijk werd ingebracht.

(iii) [Betrokkene 2], [verweerder 1] en [eiser 3] (of hun b.v.'s) bleven per 1 januari 1987 met [eiseres 1] samenwerken als dierenartsen, maar niet langer in loondienst.

Zij, althans hun B.V.'s, ontvingen voortaan ieder kwartaal van [eiseres 1] een vast bedrag onder de noemer "voorschot" alsmede eenmaal per jaar een variabel bedrag onder de noemer "winst".

(iv) [Verweerder 4] is in 1987 als dierenarts in loondienst gekomen van [eiseres 1] In 1990 is hij (of zijn b.v.) deel gaan uitmaken van het samenwerkingsverband. Vanaf die datum ontving ook hij ieder kwartaal een vast bedrag onder de noemer "voorschot" en eenmaal per jaar een variabel bedrag onder de noemer "winst".

(v) [Verweerster 3] - met als eigenaar [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) - is in 1993 toegetreden tot het samenwerkingsverband. Daarvan is een schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Artikel 1 van deze overeenkomst luidt:

"[[Verweerster 3]] zal toetreden tot de maatschap waarin [[eiseres 1]] samen met anderen haar dierenartsenpraktijk uitoefent, met ingang van 1 juni 1993, zulks voor een tijd van 1 jaar tegen een voorschot op de winst van fl. 30.000 per kwartaal.

Deze voorschotten zullen worden verrekend met het aandeel in de winst dat aan [verweerster 3] toekomt."

Blijkens de overeenkomst worden partijen geacht een nieuwe overeenkomst te zijn aangegaan, indien zij na één jaar de relatie voortzetten.

(vi) [Betrokkene 1] heeft eind 1994 de aandelen in [eiseres 1] overgedragen aan [eiseres 2] en heeft sindsdien niet meer als dierenarts deelgenomen aan de samenwerking.

(vii) Vanaf 1 januari 1995 was de situatie aldus dat [eiser 3] middels [eiseres 2] directeur-aandeelhouder was van [eiseres 1] [betrokkene 2], [verweerder 1], [verweerder 4] en [betrokkene 3] (of hun b.v.'s) zijn toen met [eiser 3], [eiseres 2] en/of [eiseres 1] gaan samenwerken.

(viii) [Verweerder] c.s. en [eiser 3] oefenden de dierenartsenpraktijk gezamenlijk uit in een aan [eiseres 2] toebehorend pand dat hiertoe werd verhuurd aan [eiseres 1] Sinds 27 februari 2006 oefenen [verweerder] c.s. de dierenartspraktijk uit op een ander adres.

3.2 Stellende dat de samenwerking tussen partijen vanaf 1987 gekwalificeerd dient te worden als een maatschap en dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 dient te worden afgerekend op basis van gelijkwaardigheid, hebben [verweerder] c.s. in dit geding jegens [eiser] c.s. onder meer verschillende geldelijke vorderingen ingesteld. Voorts hebben zij de ontbinding van de maatschap gevorderd.

[Eiser] c.s. zijn van mening dat geen sprake is van een maatschap, maar van langjarige overeenkomsten van opdracht, althans van overeenkomsten sui generis.

[Eiser] c.s. hebben reconventionele vorderingen ingesteld. Deze spelen in cassatie geen rol.

3.3 De rechtbank heeft wegens gewichtige redenen, bestaande in een ernstige verstoring van de verhoudingen tussen partijen, de gevorderde ontbinding op de voet van art. 7A:1684 BW uitgesproken per 1 januari 2008.

De rechtbank oordeelde dat sinds 1987 sprake is van een maatschap als bedoeld in art. 7A:1655 BW, met, nadat

[betrokkene 1] per 1 januari 1995 was uitgetreden, [eiseres 2], [verweerder 1] B.V., [verweerster 2], [verweerster 3] en [verweerder 4] B.V. als maten en het vermogen van [eiseres 1] - welke vennootschap sinds 1 januari 1995 geacht moet worden geen maat meer te zijn - als het maatschapsvermogen.

Met betrekking tot de resterende geschilpunten beval de rechtbank een comparitie van partijen.

3.4 Het hof heeft het (deel)vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak verwezen naar de rechtbank ter verdere afdoening. Het hof oordeelde onder meer dat in ieder geval vanaf 1 januari 2000 - de periode waarvan het hof, in verband met de verjaring van vorderingen van [verweerder] c.s., had te beoordelen of van een maatschap sprake was - tussen partijen inderdaad een maatschap bestond, doch dat (rov. 4.49) [eiseres 1] vanaf die datum niet meer als maat kan worden aangemerkt nu de dierenartsenpraktijk/het klantenbestand/de goodwill vanaf dat moment geacht moet worden geheel aan de maatschap toe te komen en niet meer aan [eiseres 1]

Het hof heeft vooropgesteld dat, gelet op de betwisting door [eiser] c.s., vooralsnog onvoldoende vaststaat dat er sprake was van expliciete afspraken, hetzij in 1987, hetzij in of omstreeks 1995, waaruit blijkt dat partijen beoogden een maatschapsovereenkomst te sluiten (rov. 4.14). Het heeft vervolgens overwogen dat eerst aan de orde komt de vraag of op grond van alle overige omstandigheden en aanwijzingen geoordeeld moet worden dat er vanaf enig moment een maatschap bestond (rov. 4.15). Het hof heeft onderschreven de algemene kenmerken en aspecten van een maatschap die de rechtbank in rov. 3.4 van haar vonnis heeft uiteengezet, waaronder dat de overeenkomst van maatschap een consensuele, vormvrije overeenkomst is, die niet noodzakelijk schriftelijk behoeft te worden aangegaan, en zelfs stilzwijgend, op grond van gedragingen van partijen, tot stand kan komen (rov. 4.18). In rov. 4.19 heeft het hof de verschillende elementen van een maatschap onderscheiden, te weten: "overeenkomst"; "samenwerking; gelijkheid/gelijkwaardigheid"; "verdeling van voordeel"; "inbreng", en "gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers". Deze overwegingen zijn in cassatie niet bestreden.

3.5 De onderdelen 1 tot en met 5 zijn gericht tegen het oordeel dat sprake is van een maatschap en klagen, samengevat, dat, nu niet is vastgesteld dat het samenwerkingsverband tussen partijen voldeed aan alle essentialia van een maatschap, het hof de samenwerking ten onrechte heeft gekwalificeerd als een maatschap, althans zijn daaraan ten grondslag gelegde overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

3.6.1 Onderdeel 1 verwijt het hof van een verkeerde invalshoek te zijn uitgegaan door te beoordelen of de tussen partijen bestaande feitelijke situatie gekwalificeerd dient te worden als een maatschap, terwijl het had dienen te onderzoeken of tussen partijen een overeenkomst van maatschap is gesloten. Tot het bestaan van een maatschap kan, aldus het onderdeel, slechts worden geconcludeerd op basis van het gesloten zijn van een overeenkomst van maatschap. Onderdeel 2 klaagt voorts dat het hof (in het bijzonder in rov. 4.20) heeft miskend dat voor het bestaan van een maatschap een contractuele relatie tussen alle betrokkenen nodig is.

3.6.2 Bij de beoordeling van de onderdelen, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, wordt het volgende vooropgesteld.

Ter beantwoording van de vraag of er op 1 januari 2000 sprake was van een maatschap, heeft het hof zich begeven in een beoordeling van de feitelijke situatie tussen partijen aan de hand van de verschillende, in rov. 4.19 vermelde elementen van een maatschap, waaronder het bestaan van een overeenkomst. Bij gebreke van een schriftelijk maatschapscontract, heeft het hof daartoe gelet op alle overige omstandigheden en aanwijzingen.

In het kader van de vraag of de wil van partijen was gericht op samenwerking op voet van gelijkwaardigheid, heeft het hof voorts overwogen dat het gaat om de wil van partijen zoals deze uit de objectief te interpreteren tussen partijen bestaande contractuele verhouding blijkt (rov. 4.22). Hoewel voor het aannemen van een maatschap niet geëist kan worden dat [verweerder] c.s. zichzelf welbewust beschouwden als vennoten, heeft het hof de perceptie van alle betrokken "vennoten" wel van belang geacht; incidenten waarbij de tussen partijen bestaande verhouding werd gekenschetst op een wijze welke niet met het bestaan van een maatschap in overeenstemming valt te brengen, kunnen, aldus het hof, indien [verweerder] c.s. geen bezwaar maakten tegen die kwalificatie, een uiting ervan vormen dat zij zichzelf niet beschouwden als deel uitmakend van een maatschap of aanverwante figuur (rov. 4.23). Een overweging van dezelfde strekking is opgenomen in rov. 4.67, waarin het hof met betrekking tot het in aanmerking nemen van externe aanwijzingen overweegt dat mogelijk niet doorslaggevend, maar wel illustratief is hoe derden tegen het samenwerkingsverband aankeken, terwijl bovendien de wijze waarop partijen daarop reageerden eveneens van belang kan zijn voor hun perceptie van de situatie (en daarmee voor de vraag of van een affectio societatis sprake kan zijn).

De beoordeling in rov. 4.20 tot en met rov. 4.82 van de afzonderlijke elementen van een maatschap, staat dan ook in de sleutel van de vraag of uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake was van samenwerking tussen partijen op voet van gelijkwaardigheid als vennoten in maatschapsverband en van een daarop gerichte wil van partijen.

3.6.3 In het licht van het voorgaande, kunnen de onderdelen niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 1 doet het ten onrechte voorkomen alsof het hof enkel de op 1 januari 2000 bestaande feitelijke situatie heeft gekwalificeerd zonder zich te begeven in de aan de kwalificatievraag voorafgaande vraag of partijen een overeenkomst van maatschap hebben gesloten. Het ziet eraan voorbij dat, temeer waar een schriftelijk contract ontbreekt, de totstandkoming van een overeenkomst, gelijk kennelijk ook de benadering van het hof is geweest, mede kan worden afgeleid uit een tussen partijen op enig moment bestaande feitelijke situatie. Het hof heeft zich daartoe begeven in een beoordeling van de feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder heeft het hof - zo blijkt uit zijn beoordeling vanaf rov. 4.24 - verschillende verklaringen en gedragingen van partijen in aanmerking genomen en is het nagegaan wat partijen over en weer uit deze verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden, zonder daarbij een of meer specifieke momenten aan te wijzen waarop enige betrokkene zich welbewust als vennoot jegens enige andere betrokkene heeft opgesteld. Gelet op deze beoordeling, ligt in het oordeel dat de tussen partijen op 1 januari 2000 bestaande situatie getypeerd dient te worden als een maatschap (rov. 4.82), besloten het oordeel dat partijen zich jegens elkaar (stilzwijgend) hadden verbonden als vennoten in maatschapsverband samen te werken. Dit oordeel, dat met toepassing van de juiste maatstaf tot stand is gekomen, wordt verder niet (toereikend) op begrijpelijkheid bestreden.

Ook onderdeel 2 faalt. Dat het hof heeft onderkend dat het moet gaan om een contractuele relatie tussen alle betrokkenen, volgt reeds hieruit dat het hof in zijn beoordeling is nagegaan of sprake was van een "wil van partijen" tot samenwerking als vennoten op voet van gelijkwaardigheid, en voorts uit de in rov. 4.65 door het hof verwoorde "tussenstand" dat er sprake was van een "contractuele relatie tussen partijen tot samenwerking". De klacht dat het hof in het bijzonder in rov. 4.20 heeft miskend dat voor het bestaan van een maatschap een contractuele relatie tussen alle betrokkenen nodig is, stuit hierop eveneens af. De vaststelling van het hof dat partijen het erover eens zijn "dat het gaat om een contractuele relatie voor onbepaalde tijd, waarbij zij kennelijk het oog hadden op een duurzame relatie", dient in samenhang met de overige, daarop volgende overwegingen aldus te worden begrepen dat het hof daarin enkel heeft vastgesteld dat partijen op basis van een contractuele relatie binnen de dierenartsenpraktijk werkzaam waren.

Of het ging om een gezamenlijke overeenkomst tot samenwerking als "vennoten" dan wel om afzonderlijke overeenkomsten, heeft het hof eerst op grond van een verdere analyse van de feitelijke omstandigheden van het geval in rov. 4.65 beantwoord.

3.7.1 Onderdeel 3b klaagt dat de rechtszekerheid zich verzet tegen een geruisloze vervanging van aanvankelijk bestaande, afzonderlijke rechtsverhoudingen van opdracht (althans sui generis) door een overeenkomst van maatschap.

3.7.2 Bij de beoordeling van de klacht wordt vooropgesteld dat het onderhavige geval zich hierdoor kenmerkt dat tussen partijen in geschil is op grond van welke rechtsverhouding(en) zij na de oprichting van [eiseres 1] binnen de dierenartsenpraktijk werkzaam zijn geweest, met dien verstande dat vaststaat dat [verweerder 4] eerst in dienst is geweest als werknemer van [eiseres 1] Het hof heeft bij de weergave van het geschil tussen partijen in rov. 4.11 immers, in cassatie onbestreden, overwogen dat [betrokkene 2], [verweerder 1] en [eiser 3] (of hun B.V.'s) in 1987 met [eiseres 1] gingen samenwerken, "ofwel als maat in een maatschap, ofwel op basis van afzonderlijke overeenkomsten met laatstgenoemde B.V.". Later kwamen [verweerster 3] ([betrokkene 3]) en [verweerder 4] (of zijn B.V.) "op vergelijkbare voet" als [betrokkene 2], [verweerder 1] en [eiser 3] bij het samenwerkingsverband.

Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen de - juiste - wijze waarop het hof heeft beoordeeld of tussen partijen op enig moment voorafgaand aan 1 januari 2000 (stilzwijgend) een overeenkomst van maatschap is tot stand gekomen, behoefde de omstandigheid dat [betrokkene 2], [verweerder 1], [eiser 3], [verweerder 4], en later ook [betrokkene 3], mogelijk eerst (via hun B.V.'s) op basis van afzonderlijke overeenkomsten bij [eiseres 1] werkzaam zijn geweest, het hof niet van zijn bestreden oordeel te weerhouden. Nu niet vaststaat om wat voor overeenkomst(en) het gaat - naar de stellingen van [eiser] c.s. betreft het langjarige overeenkomsten van opdracht althans "overeenkomsten sui generis" - kan niet worden gezegd dat de rechtszekerheid zich in de onderlinge verhouding tussen partijen verzet tegen de stilzwijgende totstandkoming van een overeenkomst van maatschap. Het beroep dat het onderdeel in dit verband doet op HR 5 april 2002, LJN AD8186, NJ 2003/124 gaat dan ook niet op, temeer niet nu de rechtbank in het daarin besliste geval, anders dan het hof in de onderhavige zaak, zich (ten onrechte) niet had begeven in een beantwoording van de vraag of partijen zich - beoordeeld aan de hand van de hiervoor in 3.6.3 vermelde maatstaf - jegens elkaar hadden verbonden.

3.7.3 Aantekening verdient nog dat, gesteld dat zou moeten worden aangenomen dat tussen enkele van de betrokken partijen aanvankelijk afzonderlijke overeenkomsten van opdracht bestonden, die omstandigheid op zichzelf niet eraan in de weg staat dat de rechtsverhouding tussen partijen verandert zonder dat tussen hen een specifiek daarop gerichte overeenkomst is gesloten. De belangrijke verschillen die tussen na te noemen overeenkomsten bestaan, brengen echter mee dat de motivering van het oordeel van de rechter dat de rechtsverhouding tussen partijen zich heeft ontwikkeld van een overeenkomst van opdracht in een overeenkomst van maatschap, aan hoge eisen moet voldoen. De door het hof aan zijn oordeel gegeven motivering voldoet aan deze eisen.

3.8.1 Onderdeel 3d keert zich tegen rov. 4.82 en klaagt dat het hof daarin ten onrechte met name de professionele gelijkwaardigheid van belang heeft geacht, nu het in het verband van een maatschap aankomt op rechtspositionele dan wel vennootschappelijke gelijkwaardigheid.

3.8.2 De klacht faalt omdat zij uitgaat van de onjuiste opvatting dat professionele gelijkwaardigheid niet van betekenis is voor de beantwoording van de vraag of partijen de bedoeling hadden samen te werken vanuit een (min of meer) gelijkwaardige positie. Deze positie kan, te meer in een situatie waarin, gelijk in onderhavig geval, een schriftelijke overeenkomst van maatschap ontbreekt, door nog andere factoren worden bepaald dan rechtspositionele of vennootschappelijke factoren alleen, waaronder de feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening. Voor zover het onderdeel de klacht inhoudt dat het hof geen acht heeft geslagen op de rechtspositionele gelijkwaardigheid van partijen, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, gelet op hetgeen in rov. 4.78 (vierde en achtste gedachtestreepje) is overwogen.

3.8.3 Voor zover het onderdeel nog de klacht behelst dat het hof in dit verband een grotere betekenis had moeten toekennen aan het ontbreken van een formeel maatschapscontract - welke omstandigheid het hof in rov. 4.80, aldus het onderdeel, ten onrechte slechts als een "contra-indicatie" heeft aangemerkt - en aldus had moeten concluderen dat van vennootschappelijke gelijkwaardigheid van de posities van de vennoten geen sprake was, kan het, als voortbouwend op het in 3.8.2 onjuist bevonden uitgangspunt, evenmin tot cassatie leiden.

3.9.1 Onderdeel 3e, dat kennelijk is gericht tegen de door het hof in rov. 4.82 relevant geachte omstandigheid dat de vergoeding van [verweerder] c.s. in elk geval op een of andere wijze samenhing met de behaalde winst, klaagt dat een winstgerelateerde beloning nog niet de conclusie rechtvaardigt dat er werd gedeeld in de winst en dat het hof (ten onrechte) heeft nagelaten vast te stellen of er wel sprake was van een winstdelingsregeling.

3.9.2 Het onderdeel faalt, nu voor het antwoord op de vraag of partijen als vennoten deelden in het door hun gezamenlijke inspanningen behaalde voordeel, het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet beslissend is. Voldoende is dat zij gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst. In de bestreden overweging ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat aan dit vereiste was voldaan. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheid dat [verweerder] c.s. gedurende (vele) achtereenvolgende jaren - [betrokkene 2], [verweerder 1] en [eiser 3] reeds vanaf 1987 - eenmaal per jaar een variabel bedrag onder de noemer "winst" ontvingen en zij, blijkens de in cassatie niet bestreden rov. 4.34 en rov. 4.35, risicodragers waren ten aanzien van de praktijkinkomsten en in ieder geval enig ondernemersrisico liepen.

Dat partijen over de grootte van hun winstaandelen - het hof gebruikt deze term in zijn beoordeling in rov. 4.30 en rov. 4.34 - geen duidelijke afspraken hadden gemaakt, laat onverlet dat het hof uit deze aandelen een gerechtigdheid tot (een gedeelte van) de winst heeft kunnen afleiden.

Voor zover het onderdeel de klacht behelst dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] en/of [eiser 3] eigenmachtig besliste omtrent de omvang van het winstaandeel van [verweerder] c.s., als onverenigbaar met de regel van art. 7A:1671 BW, eraan in de weg staat dat het samenwerkingsverband tussen partijen als maatschap kan worden gekwalificeerd, faalt het op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de tweede alinea van 2.18.

3.9.3 Onderdeel 3f bevat geen zelfstandige klacht naast onderdeel 3e en faalt daarom eveneens.

3.10.1 De onderdelen 3g en 3h zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.59 dat, samengevat, [eiseres 1] in 1995 haar dierenartsenpraktijk/het klantenbestand/de goodwill ter beschikking heeft gesteld en daarmee heeft ingebracht.

3.10.2 De klacht dat het hof miskent dat voor het aannemen van inbreng noodzakelijk is dat sprake is van een overeenkomst waarbij die inbreng wordt overeengekomen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het hof is, gelijk hiervoor in 3.6.2 en 3.6.3 is overwogen, in het kader van de vraag of er op 1 januari 2000 sprake was van een maatschap, nagegaan of tussen partijen een overeenkomst van maatschap tot stand is gekomen, waartoe het, bij gebreke van expliciete afspraken, de omstandigheden van het geval, waaronder de feitelijke gedragingen en verklaringen van partijen, in aanmerking heeft genomen. De beoordeling door het hof van de afzonderlijke elementen van de maatschap, waaronder het element van de inbreng, moet tegen de achtergrond van deze vraag worden gelezen en begrepen. Dit volgt ten aanzien van de inbreng in het bijzonder uit rov. 4.62, waarin het hof overweegt dat de onderhavige situatie zich juist daardoor kenmerkt dat ook zonder daartoe strekkende expliciete afspraak op grond van de omstandigheden van het geval geconcludeerd kan worden dat er wel sprake is geweest van inbreng. Uit de overwegingen - in rov. 4.59 - dat de (wederzijdse) inbreng van praktijk, kunde en arbeid erop gericht was om extern als een eenheid de veeartsenijkunde te beoefenen en dat partijen daarbij uiteindelijk onder meer als doel hadden om daarmee voordeel te behalen, volgt dat de inbreng naar het kennelijk oordeel van het hof berustte op (stilzwijgende) overeenstemming tussen partijen.

3.10.3 De klacht dat het hof heeft miskend dat een inbreng goederenrechtelijk moet hebben plaatsgevonden, faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het ter beschikking stellen van goederen is voldoende om aan de inbrengverplichting van art. 7A:1655 BW te voldoen.

3.11.1 Onderdeel 3i is gericht tegen rov. 4.61 waarin het hof oordeelt, samengevat, dat de goodwill van [eiseres 1] vanaf begin 2000 geacht moet worden aan alle dierenartsen toe te komen.

3.11.2 Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu daaraan de onjuiste lezing ten grondslag ligt dat de goodwill naar het oordeel van het hof in de maatschap in mede-eigendom is ingebracht. De bestreden overweging, waarin wordt gesproken van een "toekomen" van de goodwill aan alle dierenartsen, duidt erop, mede gelet op de wijze van inbreng van de dierenartsenpraktijk, dat naar het oordeel van het hof de goodwill vanaf begin 2000 feitelijk ter beschikking stond van alle dierenartsen, hetgeen wil zeggen dat zij daarvan allen het profijt hadden. Verder berust het onderdeel op de hiervoor in 3.10.2 onjuist bevonden veronderstelling dat het hof zou hebben miskend dat voor inbreng een daaraan ten grondslag liggende overeenstemming tussen de vennoten nodig is.

3.12 De klachten van onderdeel 3j berusten voorts op de onjuiste lezing dat de overwegingen van het hof - in rov. 4.59 en rov. 4.61 - omtrent de inbreng van de dierenartsenpraktijk en de goodwill, impliceren dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat reeds vanaf 1995 een maatschap bestond en dat er gedurende deze periode sprake was van gelijke winstrechten. Noch het een noch het ander ligt in de bestreden overwegingen besloten. Hierbij verdient aantekening dat het hof het beoordelingsmoment heeft bepaald op 1 januari 2000 en in het midden heeft gelaten of de maatschap al voordien tot stand is gekomen en of daarin toen sprake was van gelijke winstrechten.

Niet valt in te zien in welk opzicht dit de overwegingen van het hof onjuist of onbegrijpelijk maakt. Voor zover de klachten feitelijke grondslag hebben, falen zij dus.

3.13.1 Onderdeel 3k is gericht tegen het oordeel van het hof - in rov. 4.89 - dat [betrokkene 1], althans zijn besloten vennnootschap, in ieder geval vanaf 1 januari 2000 niet meer als maat kan worden aangemerkt en klaagt dat het hof heeft miskend dat aan een dergelijk uittreden een overeenkomst ten grondslag dient te liggen.

3.13.2 De klacht mist feitelijke grondslag voor zover die ervan uitgaat dat het hof in rov. 4.89 [betrokkene 1] op het oog heeft en faalt voor het overige. Het hof heeft voor zijn bestreden oordeel doorslaggevend geacht dat vanaf 1 januari 2000 van inbreng van goodwill door [eiseres 1] geen sprake meer was, welke vaststelling niet door het onderdeel wordt bestreden. Het hof is in rov. 4.3 voorts ervan uitgegaan dat [betrokkene 1] vanaf 1987 niet meer als praktiserend dierenarts betrokken was en vanaf 1995 in het geheel niet meer bij het samenwerkingsverband betrokken was - welk uitgangspunt in cassatie evenmin is bestreden - en dat de dierenartsenpraktijk in 1995 door [eiseres 2] was ingebracht in de samenwerking (rov. 4.59). Gelet op deze omstandigheden, moet worden aangenomen dat de redenering van het hof in de kern erop neerkomt dat, nu vanuit [eiseres 1] niets meer (in de vorm van arbeid of goodwill) werd bijgedragen aan het samenwerkingsverband, [eiseres 1] in ieder geval vanaf 1 januari 2000 niet langer als maat kon gelden. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

3.14.1 Onderdeel 3l klaagt dat het hof, terwijl het in rov. 4.61 zijn oordeel dat de goodwill vanaf 2000 geacht moet worden aan alle dierenartsen toe te behoren, nog aldus clausuleert dat zulks slechts geldt indien achteraf gereconstrueerd kan worden dat [eiser 3] dusdanig hogere winsten heeft genoten dat deze het door hem aan zijn vader voor goodwill betaalde bedrag overtreffen, maar dat in rov. 4.89-4.90 en rov. 4.97-4.98 het hof die clausulering zonder nadere motivering heeft laten vallen.

3.14.2 Deze klacht faalt, aangezien het hof in rov. 4.85 heeft geoordeeld dat aan de in rov. 4.61 vermelde voorwaarde is voldaan.

3.15 Onder m behelst onderdeel 3 de klacht dat aan de redenering in rov. 4.63, waarin het hof heeft geoordeeld dat in het peiljaar 2000 ook de overige activa geacht kunnen worden deel uit te maken van het maatschapsvermogen, dezelfde bezwaren kleven als uiteengezet in de onderdelen 3i en 3k. Het onderdeel faalt op dezelfde gronden als de klachten van die onderdelen.

3.16 De klacht van onderdeel 3n maakt niet duidelijk op welke grond de motivering van rov. 4.63 overigens tekortschiet, zodat die niet aan de vereisten van art. 407 Rv. voldoet.

3.17 Onderdeel 3o verwijt het hof in de rov. 4.67-4.76, waar het, onder de noemer "externe aanwijzingen", de vraag naar het bestaan van een maatschap bespreekt aan de hand van de perceptie van de fiscus en anderen, in zijn oude fout te vervallen, waarbij het onderdeel kennelijk doelt op de klacht, vervat in onderdeel 1. Het faalt dan ook op dezelfde gronden als dat onderdeel.

3.18.1 Onderdeel 4 bouwt in de eerste plaats voort op onderdeel 3o en deelt in zoverre het lot daarvan. Vervolgens klaagt het over rov. 4.83, waarin het hof heeft overwogen dat waar nodig rekening is gehouden met de situatie welke zich voordoet indien [eiser] c.s. zouden slagen in het bewijs dat zij hebben aangeboden, hetgeen betekent, aldus het hof, dat in zoverre aan die bewijsaanbiedingen kan worden voorbijgegaan. Geklaagd wordt dat het hof [eiser] c.s. eerst had moeten toelaten tot het leveren van bewijs en vervolgens had dienen te beslissen welke consequenties het verbond aan het al dan niet geleverd zijn van het bewijs.

Deze klacht mist doel, aangezien geen rechtsregel het hof verbood te oordelen als het in de bestreden rechtsoverweging deed, welk oordeel inhoudt dat de te bewijzen aangeboden feiten niet terzake dienende zijn.

3.18.2 Het onderdeel houdt ten slotte de klacht in dat het hof, door alle indicaties en contra-indicaties op een rij te zetten en daarna zijn eindoordeel te geven, miskent dat sommige elementen essentialia van een maatschap zijn. Het hof had zich daarom niet mogen beperken tot het formuleren van aanwijzingen voor het bestaan van een maatschap, maar had positief moeten vaststellen dat aan deze onderscheiden voorwaarden voor het bestaan van een maatschap was voldaan.

Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft (in rov. 4.19) vastgesteld wat de noodzakelijke elementen van de maatschapsverhouding zijn en heeft vervolgens, bij gebreke van een schriftelijk maatschapscontract, aan de hand van alle overige omstandigheden en aanwijzingen de feitelijke situatie tussen partijen in het licht van deze elementen beoordeeld. Na een weging van de verschillende omstandigheden en aanwijzingen - door het hof samengevat weergegeven in rov. 4.78 tot en met rov. 4.80 -, heeft het in rov. 4.82 vervolgens geoordeeld dat de tussen partijen bestaande situatie getypeerd dient te worden als een maatschap, waarin het oordeel besloten ligt dat aan de noodzakelijke elementen van een maatschap is voldaan. Dat het hof in het kader van zijn weging in het bijzonder betekenis heeft toegekend aan de in rov. 4.82 vermelde omstandigheden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de voorwaarden waaraan een maatschap moet voldoen, en is voor het overige, als berustend op een waardering van feitelijke aard, niet vatbaar voor toetsing in cassatie.

3.19 De in de onderdelen 5 en 6 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.20 Uit het vorenoverwogene volgt dat het principale beroep niet tot cassatie leidt. Het incidentele beroep behoeft mitsdien geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 september 2011.