Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3804

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10/02495
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3804
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN ZD1403 m.b.t. het voorhanden hebben van een wapen ex art. 13 WWM.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie
Wet wapens en munitie 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/813
NJ 2011/287
NJB 2011, 1354
NBSTRAF 2011/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2011

Strafkamer

nr. 10/02495

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juli 2009, nummer 21/002497-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraken ter zake van de feiten 1 en 2 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 3 ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 26 mei 2004, te Vriezenveen, gemeente Twenterand, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een vuurwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Walther (model P 88 competition, kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Er werd een onderzoek ingesteld in de rijwielhandel [A], gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Van het genoemde bedrijf is [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969 en wonende te [woonplaats], de eigenaar.

Tijdens de doorzoeking troffen wij in een metalen kast in een kantoorruimte het volgende gasdrukpistool aan.

Te weten:

soort: Gaspistool

merk: Walther

type: Gasdruk.

Dit gasdrukpistool bevond zich in een opbergdoos."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Het op 26 mei 2004 bij verdachte [verdachte] inbeslaggenomen voorwerp is een luchtdrukpistool van het merk Walther, model CP 88, dat voor wat betreft de vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een met merk, model en soort aangeduid wapen, namelijk een Walther P 88 competition. De Walther P 88 is een bestaand model vuurwapen, kaliber 9 mm. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid I, categorie I, onder 7 van de WWM."

2.3.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Cliënt wist niets van de aanwezigheid van dit wapen.

Het wapen is aangetroffen op een plek waartoe diverse personen toegang hadden.

Uit de eerder door mij verstrekte verklaringen blijkt dat diverse personen, ook op de vele momenten dat cliënt niet aanwezig was, toegang tot die plek hadden.

Cliënt had geen belang bij de aanwezigheid van een dergelijk wapen en wist er dus niets van.

Meer kan hij daarover niet verklaren.

Voor dit feit dient dus vrijspraak te volgen."

2.3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt in het arrest verworpen:

"Voor "voorhanden hebben" is vereist dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. Het hof leidt uit de plaats waar het wapen gevonden is - een opbergdoos in een kast van de kantoorruimte van verdachte - af dat bij verdachte van een dergelijke bewustheid sprake is. Uit hetgeen verdachte verklaard heeft, leidt het hof af dat verdachte intensief bij de bedrijfsvoering - waarvan een regelmatig gebruik van de kantoorruimte onderdeel moet zijn - betrokken was. Aan een en ander staat niet in de weg dat mogelijk ook anderen dan verdachte toegang hadden tot verdachtes bedrijfsruimte en/of kantoorruimte."

2.4.1. Bij de beoordeling van het middel dient het navolgende te worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 13 Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen (vgl. HR 17 november 1998, LJN ZD1403, NJ 1999/152).

2.4.2. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat de verdachte het wapen voorhanden had, immers zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen, niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen toegang hadden tot de plek waar het wapen is aangetroffen.

2.5. De daarop gerichte klacht slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen -;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 juni 2011.