Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3781

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
10/01713
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3781
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces). Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte een beroep gedaan op noodweer(exces). Het Hof had hierop op straffe van nietigheid uitdrukkelijk moeten beslissen maar heeft dit nagelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2011

Strafkamer

nr. 10/01713

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 december 2009, nummer 21/005290-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op noodweer en noodweerexces.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 26 september 2006 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (met kracht) meermalen tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt terwijl [slachtoffer] weerloos op de grond zat en vervolgens [slachtoffer] (met kracht) meermalen tegen het hoofd/gezicht heeft getrapt/geschopt terwijl [slachtoffer] weerloos op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte het volgende aangevoerd:

"De verdediging verzoekt uw hof op grond van het voorgaande cliënt vrij te spreken van de eenvoudige mishandeling.

Indien uw hof hieraan voorbijgaat dan doet cliënt een beroep op noodweer dan wel noodweerexces en verzoekt hij uw hof hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Cliënt heeft verklaard dat hij [slachtoffer] de klap en schop heeft gegeven omdat hij eerst [betrokkene 1] aanviel en vervolgens hem. Zijn standpunt is dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval waartegen handelen geboden was. Dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan worden afgeleid uit de verklaring van cliënt, die van [betrokkene 1] en uit de verklaring van [betrokkene 2].

[Betrokkene 1] beschrijft de situatie waarin hij op een afstand vanuit zijn auto het een en ander ziet gebeuren en hij omdat hij cliënt ziet staan naar hem toe gaat. Uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris (d.d. 10 mei 2007) blijkt dat hij aan zijn mouw werd getrokken door [slachtoffer], dat cliënt hem wegduwde en vervolgens tussen [slachtoffer] en [betrokkene 1] ging staan om de situatie niet verder te laten escaleren. [Slachtoffer] hield echter niet op, want hij bleef cliënt schoppen. Cliënt schopte hem daarop terug. Volgens [betrokkene 1] bleef [slachtoffer] overeind komen en cliënt aanvallen. Op dat moment gaf cliënt [slachtoffer] de vuistslag. In zijn optiek handelde cliënt uit veiligheid.

Wanneer we deze twee verklaringen in samenhang bezien is het aannemelijk dat er sprake was van een noodweersituatie. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van [betrokkene 1] waartegen verdediging noodzakelijk was, aangezien [slachtoffer] niet alleen [betrokkene 1] aanviel maar ook cliënt zelf. Ondersteuning voor de wederrechtelijke aanranding wordt ook gevonden in de verklaring van [betrokkene 2], degene die 112 heeft gebeld. Hij verklaart bij de rechter-commissaris (d.d. 5 juli 2007) dat [slachtoffer] de hele tijd bleef roepen dat het zijn fout was!

Omdat het op dat moment voor cliënt niet mogelijk was zich te onttrekken aan de situatie, heeft cliënt fysiek ingegrepen door hem eenmaal te schoppen en eenmaal een klap te geven. Voorts moet worden opgemerkt dat deze gedragingen voldoen aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit gelet op de aanval van [slachtoffer]. Mocht uw hof van oordeel zijn dat het handelen van cliënt disproportioneel is geweest dan wordt een beroep gedaan op noodweerexces. Concluderend wordt uw hof verzocht te ontslaan van alle rechtsvervolging."

3.4. Op het aldus gedane beroep op noodweer(exces) had het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk dienen te beslissen. Dat heeft het Hof nagelaten. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 12 juli 2011.