Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/00428
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Schade werknemer als gevolg van blootstelling tijdens uitoefening werkzaamheden aan voor de gezondheid gevaarlijke concentratie van stoffen. Stelplicht en bewijslastverdeling. Ingevolge art. 7:658 lid 2 BW dient de werknemer te stellen en zo nodig te bewijzen gedurende zijn werkzaamheden te zijn blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen en aannemelijk te maken dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklacht die door die blootstelling kan zijn veroorzaakt (vgl. HR 17 november 2000, NJ 2001/596). Beoordeling rapport deskundige. Rechter dient ter beantwoording van de vraag of hij de conclusies van deskundige zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/913
NJB 2011/1412
JWB 2011/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2011

Eerste Kamer

10/00428

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING NEDERLANDSE ALGEMENE KEURINGDIENST VOOR ZAAIZAAD EN POOTGOED VAN LANDBOUWGEWASSEN,

gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als NAK en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 221149 CV EXPL 03-11270 van de rechtbank Zwolle, sector kanton, locatie Lelystad van 7 juli 2004;

b. de arresten in de zaak onder rolnummer 2004/1098 en zaaknummer 104.000.629 van het gerechtshof te Arnhem van 18 juli 2006, 31 oktober 2006, 13 maart 2007, 18 december 2007 en 27 oktober 2009.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft NAK beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van NAK heeft bij brief van 19 mei 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) NAK houdt zich onder meer bezig met het analyseren van zaaizaad. Zij exploiteert daartoe laboratoria, waaronder - tot eind 1998 - een laboratorium in Ede. Vanaf eind 1997 bracht NAK haar laboratoriumactiviteiten

geleidelijk over naar haar nieuwe laboratorium in Emmeloord. De werkzaamheden vingen daar in juli 1998 aan.

(ii) Onderdeel van het laboratorium in Ede was een schoningsafdeling. Daar werden grasmonsters van ongeveer 500 gram, afkomstig van teeltbedrijven van graszaad, één voor één mechanisch bewerkt met het doel het volume graszaad te bepalen en verontreinigingen met onder meer onkruid vast te stellen. Het schonen van de monsters geschiedt in drie fasen, die achtereenvolgens worden aangeduid als wrijven, scheiden (in de zogenaamde clipper) en nabehandelen (met behulp van de zogenaamde trieur). Het schonen vindt doorgaans in de maanden juni/juli tot en met december plaats. Per seizoen verwerkte NAK in de jaren 1997 en 1998 5.000 à 7.000 grasmonsters. Afzuiginstallaties zorgen voor het verwijderen van het stof dat bij het schonen vrijkomt.

(iii) Bij brief van 13 november 1998, gericht aan de telers van graszaden, schreef NAK over het laboratorium in Emmeloord:

"... [D]e stofafzuiging in het nieuwe laboratorium [voldeed] niet aan de gestelde eisen.

(...) Doordat de opgetreden gezondheidsproblemen bij een aantal medewerksters blijft aanhouden hebben wij deze week de conclusie moeten trekken, dat het uit oogpunt van zorg voor de medewerk(st)ers en de kwaliteit van het onderzoek niet verantwoord is de productie te verhogen."

(iv) Bij brief van 8 september 1999 schreef [betrokkene 1], hoofdinspecteur van de Arbeidsinspectie, regio Noord, namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan FNV:

"Op donderdag 19 augustus 1999 heeft [betrokkene 2] (...) een inspectie uitgevoerd bij [NAK] (...) te Emmeloord. Uit deze inspectie is gebleken dat de concentratie van verschillende stoffen in de omgevingslucht veel te hoog was en dat de grenswaarden soms sterk werden overschreden. (...) Inmiddels is de ventilatiehuishouding op de afdeling schoning sterk verbeterd en is bij de diverse klippers gedegen bronafzuiging aangebracht. (...)"

(v) Bij brief aan alle medewerkers van 23 december 1999 schreef [betrokkene 3], directeur keuringszaken van NAK:

"Zoals met u besproken is gebleken dat uit onlangs genomen metingen er hoge endotoxinenwaarden zijn aangetroffen. NAK maakt zich ernstige zorgen omtrent de ontstane situatie en heeft om verdere schade en risico's te voorkomen een pakket van maatregelen opgesteld die de problemen beheersbaar moeten maken en tot een afdoende oplossing te komen. (...) Gestreefd wordt om zo snel mogelijk de werkzaamheden te hervatten onder verantwoorde omstandigheden. (...) Op langere termijn wordt gezocht naar maatregelen die het probleem zoveel mogelijk bij de bron aanpakken, waardoor een absoluut veilige werkomgeving ontstaat. (...)"

(vi) Een bij deze brief gevoegde "Samenvatting stof (endotoxine) problematiek schoningslaboratorium NAK Emmeloord" vermeldt:

"In het midden van september 1998 werd arbo dienst (Relan arbo) voor het eerst geconfronteerd met gezondheidsklachten op het schoningslaboratorium onderdeel van het 'Zaaizaadlaboratorium'. (...) De voorlopige bevinding: de ruimteventilatie is voldoende en kan de stofconcentratie voldoende laag houden. (...) In juli 1999 wordt er opnieuw contact gelegd met het 'zaaizaadlaboratorium'. In het evaluatie gesprek blijkt dat het ventilatiesysteem als verbeterd wordt ervaren. Nadrukkelijke klachten zijn er niet. (...) Omdat er vragen zijn vanuit de medewerkers over mogelijke blootstelling aan endotoxinen wordt besloten om een van de monsters hierop te laten onderzoeken. Hoewel dit vanuit de literatuur en geraadpleegde deskundigen niet direct de insteek is. De herhalingsmetingen worden uiteindelijk in oktober 1999 (...) uitgevoerd. Eén van de monsters wordt op endotoxine onderzocht. Vanuit het personeel wordt er bij enkele medewerkers gezondheidsklachten gesignaleerd. (...) Enkele weken later komt de endotoxine uitslag. Deze is tegen de verwachting in veel te hoog. (...) Op donderdag 25 november worden vier metingen herhaald onder identieke ochtend en middag omstandigheden bij twee grassoorten. In alle monsters worden forse hoeveelheden endotoxinen aangetroffen. De gevonden resultaten liggen 1000 tot 5000 maal hoger dan de voorgestelde advieswaarde van de Gezondheidsraad (4,5 ng/m³ of 50 EU). Hierop wordt besloten tot een voorlopige stop op de werkzaamheden van het schoningslab. (...)"

(vii) In een memo van 7 januari 2000 schreef de directie van NAK aan alle medewerkers binnendienst Emmeloord:

"Naar aanleiding van gezondheidsproblemen op het zaaizaadlaboratorium gedurende najaar en winter 1998 die gerelateerd leken aan de stof productie bij de afdeling schoning, werden voor aanvang

van het nieuwe seizoen in de luchtbehandelinginstallatie een aantal aanpassingen doorgevoerd. Nadat in het najaar van 1999 op het zaaizaadlaboratorium opnieuw gezondheidsproblemen ontstonden is verder gezocht naar mogelijke oorzaken. Begin december werd definitief duidelijk dat endotoxinen waarschijnlijk een rol spelen bij de problemen. Uit vervolgmetingen die kort voor de Kerst verricht werden, weten we nu dat in het stof dat op diverse afdelingen van het zaaizaadlaboratorium verzameld werd, concentraties endotoxinen voorkomen die vele malen hoger zijn dan concentraties die voorkomen in huisstof. (...) [D]e hoogste concentraties worden gevonden in het stof van en rond het schoningslab. (...)"

(viii) Bij brief van 28 februari 2001 schreef [betrokkene 4], hoofdinspecteur van de Arbeidsinspectie, regio Noord, namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan NAK onder meer dat naar aanleiding van een controlebezoek op 29 januari 2001 "is geconstateerd dat er voor de Arbeidsinspectie geen verdere aanleiding is om de ontwikkelingen m.b.t. de blootstellingsrisico's aan stoffen zoals endotoxinen, en de gevolgde procedure in uw bedrijf om dit te voorkomen, verder te begeleiden en te volgen".

(ix) Bij (standaard-)brief van 2 maart 2001 stelde [betrokkene 5], bedrijfsarts ArboNed, aan de huisartsen van medewerkers van NAK voor hun patiënten voor onderzoek door te verwijzen naar de allergoloog Prof. De Monchy van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: AZG). In deze brief staat:

"Uw bovengenoemde patiënt heb ik als bedrijfsarts gezien met onbegrepen langdurige klachten, welke mogelijk veroorzaakt zijn door blootstelling aan toxische stoffen op hun werk in het zaaizaadlaboratorium van [NAK] te Emmeloord (...). Bij ruim 10 werknemers zijn zeer langdurige gezondheidsklachten aanwezig met veel onderlinge overeenkomst, verdacht voor de gevolgen van blootstelling aan (gemeten) veel te hoge endotoxinenwaarden en wellicht nog andere graszaadcomponenten. (...) Uit de literatuur is bekend dat endotoxinen (...) luchtwegklachten en moeheid kunnen geven, doch deze klachten zouden alle reversibel zijn na een aantal weken na staken van de blootstelling. De klachten van bedoelde werknemers duren veel langer. Komt dit door de extreem hoge concentraties endotoxinen? Door gelijktijdige mycotoxinenblootstelling? (...)"

(x) [Verweerster] sloot met ingang van 1 juli 1999 met NAK een oproepovereenkomst voor de duur van zes maanden om als analiste in het zaaizaadlaboratorium van NAK werkzaam te zijn. Aan haar dienstbetrekking kwam op 31 december 1999 van rechtswege een einde. Vanaf 29 oktober 1999 was zij, behoudens twee weken in november, de gehele periode wegens ziekte afwezig.

(xi) Bij brief van 24 maart 2000 schreef NAK aan GUO Heerenveen onder meer het volgende:

"[...] Per 8 maart is [...] haar huidige ziekteuitkering bij u gestopt en ontvangt ze helemaal geen inkomsten meer. Volgens de GUO-arts zou ze in staat zijn om te werken maar zij wil daar bezwaar tegen aantekenen en onze arboarts van ArboNed zou hierover ook nog contact opnemen met de GUO-arts omdat [[verweerster]] ziek thuis is vanwege de endotoxine problemen bij ons op het zaaizaadlaboratorium."

(xii) Bij brief van 27 maart 2000 schreef P.M.M. Roelofs, longarts, aan de huisarts van [verweerster] onder meer het volgende:

"[Patiënte heeft klachten van kortademigheid sinds enkele jaren. [...] Zelf ziet zij een duidelijke relatie met haar werkzaamheden in de graszaden; er zou op de werkplek een hoge concentratie endotoxinen zijn gemeten. [...]

Bespreking: patiente met kortademigheidsklachten waarbij ik een normale longfunctie constateer [...]. Wel een verhoogd totaal IgE, onduidelijk is of dit volledig op het conto kan worden geschreven voor de allergie voor honden. [...] Of er een duidelijke relatie bestaat met endotoxine op de werkplek kan ik niet aangeven, wel weet ik dat ook andere personeelsleden veel klachten hebben, enkele van hen zijn patiënt bij mij "

(xiii) In een rapport van 14 juni 2001 schreef dr. P. Ulenbelt van het Bureau Beroepsziekten van de FNV over [verweerster] onder meer het volgende:

"In juni 1998 begon mevrouw [verweerster] via uitzendbureau Dactylo op de schoningsafdeling met een cursus van een maand om het vak te leren. Ze werkt dan met proefmonsters. Vanaf begin juli 1998 werkt zij 5 dagen, 8 uur per dag, op de afdeling schoning. In september 1998 [...] meldt zij zich ziek. [...] De huisarts verwijst naar het ziekenhuis. Luchtwegontstekingen en longontsteking, alsmede indicatie van andere ontstekingen worden vastgesteld. [...] In de eerste week van november 1998 hervat zij de werkzaamheden. Langzamerhand komen de klachten terug.

[...] Begin december 1998 meldt zij zich ziek. In Januari 1999 hervat zij haar werkzaamheden voor 4 dagen in de week. [...] Op 23-2-99 raakt zij [...] betrokken bij een auto-ongeval. [...] Een whiplash wordt vastgesteld. In juni 1999 gaat zij in op het verzoek van NAK om cursus te geven aan nieuw personeel op de schoningsafdeling.

Gedurende twee weken 4 uur per dag geeft ze cursus. In juli 1999 hervat ze haar eigen werk op therapeutische basis, enkele uren per dag. [...]"

3.2.1 [Verweerster] vordert op grond van art. 7:658 BW van NAK vergoeding van de schade - op te maken bij staat - die zij stelt te hebben geleden en te lijden in de uitoefening van haar werkzaamheden voor NAK. Daartoe stelt zij het volgende. Bij haar werk op de schoningsafdeling is zij (door het ondeugdelijk functioneren van de afzuiginstallatie) aan onaanvaardbaar grote hoeveelheden "stof" blootgesteld. Als gevolg van die blootstellingen heeft zij verschillende gezondheidsklachten ontwikkeld, waaronder extreme vermoeidheid en benauwdheid, en is zij wegens ziekte uitgevallen voor haar werk. Hieruit blijkt volgens [verweerster] dat NAK in haar zorgverplichting heeft gefaald. Zij acht NAK aansprakelijk voor de schade aan haar gezondheid en de gevolgen daarvan.

3.2.2 NAK heeft hiertegen, in de kern en voor zover in cassatie nog van belang, het volgende ingebracht. In de wetenschappelijke literatuur was (en is) geen bewijs te vinden voor langetermijneffecten van inhalatie van endotoxinen. Een duidelijk verband tussen inhalatie van endotoxinen in het laboratorium en langdurige gezondheidsklachten is dan ook niet aanwezig. Tussen de gestelde chronische gezondheidsklachten en de blootstelling aan endotoxinen tijdens de uitoefening van werkzaamheden voor NAK bestaat derhalve geen causaal verband. De arbeidsongeschiktheid is te wijten aan niet-arbeidsgerelateerde omstandigheden.

3.3.1 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 18 juli 2006 (rov. 4.5) tot uitgangspunt genomen dat ingevolge art. 7:658 lid 2 de werknemer moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij gedurende zijn werkzaamheden aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen is blootgesteld en aannemelijk moet maken dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Dit uitgangspunt wordt terecht niet in cassatie bestreden (zie HR 17 november 2000, LJN AA8369, NJ 2001/596 en HR 23 juni 2006, LJN AW6166, NJ 2006/354).

Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] aan een en ander voldaan. Daartoe heeft het hof in rov. 4.6 overwogen dat, met behulp van de door [verweerster] in het geding gebrachte medische en arbeidskundige rapporten, blootstelling van [verweerster] in 1999 aan te hoge concentraties endotoxinen is komen vast te staan.

Voorts heeft [verweerster] volgens het hof aannemelijk gemaakt dat zij daardoor gezondheidsschade heeft opgelopen. Hieraan doet niet af dat deze klachten mogelijk ook te wijten zijn aan andere factoren. Dit is uitsluitend van belang voor de mate van toerekening, niet voor de aansprakelijkheid zelf.

3.3.2 Onderdeel 1 komt hiertegen op. Het onderdeel betoogt dat NAK het causaal verband tussen de huidige chronische klachten van [verweerster] en de blootstelling aan het stof heeft betwist en daartoe met name erop heeft gewezen

(a) dat [verweerster] is onderzocht door de allergoloog prof. De Monchy die geen duidelijk verband heeft kunnen vaststellen tussen de blootstelling aan het stof en de klachten van [verweerster];

(b) de opvatting van prof. Heederik, hoogleraar gezondheidsrisicoanalyse, volgens wie wetenschappelijk niet bekend is dat acute klachten waartoe stof kan leiden, ook chronische effecten kunnen hebben en dat niet zonder meer gesteld kan worden dat een causale relatie tussen stof en chronische klachten zou bestaan;

(c) dat er voor de chronische klachten van [verweerster] meer waarschijnlijke andere oorzaken zijn aan te wijzen, nu [verweerster] een medische voorgeschiedenis heeft van min of meer vergelijkbare klachten die geen verband houden met blootstelling aan het stof.

Voorzover het hof toepassing heeft gegeven aan de omkeringsregel van de genoemde arresten van 17 november 2000 en 23 juni 2006 met betrekking tot het door de werknemer te bewijzen causaal verband tussen zijn klachten en zijn blootstelling aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, geeft het oordeel van het hof volgens het onderdeel in het licht van het gestelde onder (a) en (b) blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd nu het hof niet heeft vastgesteld dat de blootstelling aan de endotoxinen of mycotoxinen in het stof zou kunnen leiden tot de chronische klachten waaraan [verweerster] stelt te lijden. Hierbij gaat het onderdeel ervan uit dat voor de toepassing van de genoemde omkeringsregel is vereist dat de werknemer lijdt aan een specifieke ziekte of aan specifieke gezondheidsklachten die veroorzaakt kan respectievelijk kunnen zijn door specifieke stoffen waaraan de werknemer bij zijn werkzaamheden is blootgesteld.

Voor zover in hetgeen het hof overweegt een verwerping van het verweer van NAK besloten ligt, bestrijdt het onderdeel dat oordeel met een groot aantal motiveringsklachten.

3.3.3 De klachten van het onderdeel kunnen alleen al bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers bij zijn eindarrest, door overneming van de conclusies van het rapport van de door het hof benoemde deskundigen, vastgesteld dat de huidige chronische klachten van [verweerster] zijn veroorzaakt door de chronische effecten van de onderhavige acute en langdurige blootstelling van [verweerster] in de laboratoria van NAK aan concentraties organisch stof, zeer hoge concentraties endotoxinen en waarschijnlijk mycotoxinen, welk oordeel, zoals blijkt uit hetgeen hierna wordt overwogen, standhoudt.

3.4.1 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 13 maart 2007 vastgesteld dat de aansprakelijkheid van NAK voor de schade van [verweerster] in beginsel was komen vast te staan. Het heeft vervolgens een deskundigenonderzoek bevolen om na te kunnen gaan in hoeverre de werkomstandigheden bij NAK hebben bijgedragen aan de schade van [verweerster]. Met inachtneming van de voorstellen van partijen heeft het hof aan de deskundigen, in zijn arrest van 18 december 2007, een aantal vragen voorgelegd.

3.4.2 De deskundigen hebben in hun aan het hof uitgebrachte rapport van 8 april 2008 de vragen beantwoord. Hun conclusies kunnen als volgt worden samengevat:

(1) [verweerster] lijdt aan de chronische effecten van acute en langdurige blootstelling aan concentraties organisch stof, zeer hoge concentraties endotoxinen en waarschijnlijk ook mycotoxinen;

(2) en (6) Ten aanzien van het snel in de war raken en het moeite hebben met concentreren lijkt een eindstadium te zijn bereikt; ten aanzien van de gewrichtsklachten is dat nog niet het geval - die kunnen blijven variëren of verergeren;

(3) de omstandigheden in de laboratoria in de periode januari 1998 - maart 1998 en juli 1998 - 11 september 1998, en in de voorafgaande periode zijn verantwoordelijk voor de geconstateerde klachten en stoornissen;

(4) de "whole person impairment" ligt tussen 14-41%;

(5) het snel in de war raken en het moeite hebben met concentreren zorgen ervoor dat alleen overzichtelijke, niet gelijktijdig zich voordoende taken kunnen worden uitgevoerd;

(7) NAK kon weten dat endotoxinen, stof en mycotoxinen bij de handelingen onder de beschreven omstandigheden vrijkwamen en schadelijk zijn voor de gezondheid van de werknemers.

3.4.3 Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 2.4 tot en met 2.13 van het (eind)arrest van 27 oktober 2009, waarin het hof, kort samengevat, het deskundigenrapport overtuigend heeft bevonden, in weerwil van de hiertegen door NAK ingebrachte specifieke - doch volgens het hof niet steekhoudende - bezwaren.

Naar de kern genomen klaagt het onderdeel dat het hof gelet op die bezwaren van NAK onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang door na te laten nader te motiveren waarom het zich aansloot bij het oordeel van de deskundigen.

Het onderdeel faalt. De rechter dient, bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (vgl. HR 19 oktober 2007, LJN BB5172). Indien de rechter in een geval als dit - waarin de geleerde opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundigen - de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering, zeker als deze vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, hem overtuigend voorkomt. De rechter zal op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. HR 5 december 2003, LJN AN8478, 02/154, NJ 2004/74).

Het hof heeft een en ander niet miskend. Ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen, geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht (vgl. HR 19 februari 2010, LJN BK4476, NJ 2011/121). De bestreden oordelen over de tegen het rapport aangevoerde bezwaren laten zich vanwege hun feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate toetsen. Het hof, dat (zoals het heeft overwogen) alle door partijen aangevoerde en relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel heeft betrokken, heeft elk van de bezwaren afzonderlijk beoordeeld en gemotiveerd ongegrond bevonden. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en onttrekken zich voor het overige wegens hun verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard, aan beoordeling in cassatie.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt NAK in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 juli 2011.