Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ3181

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
10/03503 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ3181
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv. 1. Onvolledigheid processtukken. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 447.5 Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. IV.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147). Met betrekking tot de processen-verbaal is niet gebleken dat de raadsvrouwe een dergelijk verzoek heeft ingediend. Wat betreft de pleitnota mist het middel feitelijke grondslag, nu deze naar aanleiding van een door de raadsvrouwe op de voet van voormeld art. IV.3 gedaan verzoek, alsnog aan de Hoge Raad is toegezonden. 2. Het middel dat de klacht bevat dat de Rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van het beslag, hoewel in het klaagschrift de rechtmatigheid van de inbeslagneming is betwist, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien het klaagschrift een stelling als in het middel bedoeld, niet inhoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/770
NJB 2011, 1293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juni 2011

Strafkamer

nr. 10/03503 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juni 2010, nummer RK 10/558, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel strekt ten betoge dat zich bij de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken niet bevinden de processen-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 14 mei 2010 en 18 juni 2010 en evenmin de bij de behandeling in raadkamer van 18 juni 2010 overgelegde pleitnota.

2.2. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147). In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsvrouwe met betrekking tot de processen-verbaal een dergelijk verzoek heeft ingediend.

2.3. Voor zover het middel de klacht bevat dat de bij de behandeling in raadkamer van 18 juni 2010 overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken bevindt, mist het feitelijke grondslag. Naar aanleiding van een door de raadsvrouwe op de voet van voormeld art. IV lid 3 gedaan verzoek tot aanvulling van de processtukken in zoverre, is bedoelde pleitnota alsnog aan de Hoge Raad toegezonden.

2.4. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van het beslag, hoewel in het klaagschrift de rechtmatigheid van de inbeslagneming is betwist.

3.2. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien het op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden klaagschrift een stelling als in het middel bedoeld, niet inhoudt.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2011.