Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ2467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
10/00238
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ2467
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 51 Sv. Bij de stukken van het geding bevindt zich een stelbrief van de raadsman inhoudende dat hij de verdachte in twee zaken, waaronder onderhavige zaak, als raadsman zal bijstaan. De ontvangst van deze stelbrief is door het Hof bevestigd. Niet is gebleken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman is gezonden. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de betrokkene gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de betrokkene en diens raadsman in de weg te staan. Dit is slechts anders indien de rechter voor wie de zaak is aangebracht, in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte geen prijs erop heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. Een goede procesorde brengt voorts mee dat indien zoals in casu reden bestaat tot twijfel omtrent de naleving van art. 51 Sv, de rechter zich ervan vergewist dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd, hetzij één van de uitzonderingsgevallen zich voordoet. Niet is gebleken dat een en ander is geschied.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51
Wetboek van Strafvordering 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/720
NJB 2011, 1281
NBSTRAF 2011/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2011

Strafkamer

nr. 10/00238

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2009, nummer 22/003779-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd, aangezien is verzuimd aan de raadsman een afschrift van de appeldagvaarding te zenden.

2.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr. J.T.C.M. Crepin aan de strafgriffie van het Hof van 18 augustus 2009, die de mededeling inhoudt dat hij de verdachte in twee zaken, waaronder onderhavige zaak (parketnummer 10/502855-08), als raadsman zal bijstaan. In een aan de cassatieschriftuur gehechte brief van de strafgriffie van het Hof van 19 augustus 2009 aan de raadsman wordt de ontvangst van de stelbrief bevestigd, maar als zaakskenmerk alleen het parketnummer vermeld van de andere zaak waarop deze brief betrekking had (parketnummer 10/500125-08).

2.3. Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de raadsman is gezonden.

2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte, noch een voor de verdachte optredende raadsman verschenen.

2.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv niet is nageleefd.

Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Dit is slechts anders indien de rechter voor wie de zaak is aangebracht, in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte geen prijs erop heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren.

Een goede procesorde brengt voorts mee dat indien - zoals in het onderhavige geval - reden bestaat tot twijfel omtrent de naleving van voormeld voorschrift, de rechter, alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten en nog voordat kan worden onderzocht of het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv toepassing moet vinden, zich ervan vergewist dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd hetzij één der voormelde uitzonderingsgevallen zich voordoet.

Noch uit het bestreden arrest noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt echter dat het een of het ander is geschied.

Het middel, dat daarover klaagt, is dus terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 31 mei 2011.