Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ2178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10/02282
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ2178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Faillissement. Paulianeuze cessie? Wetenschap van benadeling als bedoeld in art. 38 (oud) Faillissementsbesluit. De in art. 38 bedoelde wetenschap moet worden aangenomen indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. Invulling hof ondanks enigszins andere formulering, hiermee niet onverenigbaar. Motiveringsklachten richten zich tegen bewijsoordeel dat berust op uitleg en waardering van gegevens van feitelijke aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 1272
RvdW 2011/737
RI 2011/82
JWB 2011/303
JOR 2011/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2011

Eerste Kamer

10/02282

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

mr. Thomas AARDENBURG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van United Fabrics N.V.,

wonende op Curaçao,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma,

t e g e n

ARTOCARPUS N.V.,

gevestigd op Curaçao,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en Artocarpus.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak A.R. 1454/2003 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 29 november 2004 en 20 juni 2005;

b. de vonnissen in de zaak AR-1454/03-H-298/05 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 oktober 2006, 8 mei 2007, 7 augustus 2007 en 2 maart 2010.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van het hof van 10 oktober 2006 en 2 maart 2010 heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Artocarpus heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) United Fabrics N.V. (hierna: UF) heeft in 1998 een belang van 82,6% genomen in de aandelen van de beursgenoteerde vennootschap Koninklijke Textielgroep Twente N.V. (hierna: KTGT). De door UF verworven aandelen zijn in pand gegeven aan Banque Artesia Nederland N.V. (hierna: Artesia) tot zekerheid voor de lening, die de bank aan UF heeft verstrekt voor de aankoop van de aandelen.

(ii) De activiteiten van UF hebben uit niet meer bestaan dan het beheren van genoemd aandelenbelang. In mei 1998 heeft UF met [A] N.V. (hierna: [A]) twee overeenkomsten gesloten, één 'management alliantie' genaamd en één 'commerciële alliantie' geheten.

(iii) Begin 2000 heeft ABN AMRO aan de met liquiditeitsproblemen kampende KTGT een kredietfaciliteit verstrekt van NLG 2 miljoen met als afloopdatum eind 2000.

ABN AMRO heeft de kredietfaciliteit verstrekt tegen afgifte aan haar van een contragarantie door Artesia.

Deze contragarantie was afgedekt door een contragarantie van [betrokkene 1], participant in UF, die op zijn beurt een contragarantie had verkregen van verweerster in cassatie (hierna: Artocarpus).

In juli 2000 is het van ABN AMRO geleende geld aan deze bank terugbetaald en zijn de garanties vervallen.

(iv) Artocarpus stelt zich op het standpunt dat UF aan haar, als tegenprestatie voor het stellen van de contragarantie aan [betrokkene 1], op 5 maart 2000 alle rechten heeft gecedeerd die UF toekomen uit de hiervoor onder (ii) genoemde alliantieovereenkomsten met [A].

Op 29 mei 2002 is aan [A] kennis gegeven van die cessie.

(v) UF heeft [A] in rechte aangesproken tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het tekortschieten in de nakoming van de hiervoor in (ii) genoemde alliantieovereenkomsten. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 februari 2004 de op de commerciële alliantie stoelende vordering afgewezen en de op de management alliantie stoelende vordering toegewezen en [A] veroordeeld om aan UF de bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade te vergoeden. Het tegen de beslissingen van het hof ingestelde principale en incidentele cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 7 april 2006, LJN AV0624, verworpen.

(vi) KTGT is op 22 maart 2002 failliet verklaard en UF op 16 oktober 2002.

3.2 Voor zover in cassatie van belang gaat de onderhavige zaak over het volgende. De toenmalige curator van UF (hierna eveneens als de curator aan te duiden) heeft zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de cessie van 5 maart 2000 onverplicht is geschied, dat de schuldeisers van UF daardoor zijn benadeeld, dat UV en Artocarpus zich daarvan bij het aangaan van de cessieovereenkomst bewust waren, en vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de cessie paulianeus is. Voorts vordert de curator voor recht te verklaren dat de cessie rechtsgeldig door hem is vernietigd, dat de vordering op [A] bijgevolg deel is gaan uitmaken van de faillissementsboedel van UF, en veroordeling van Artocarpus om al hetgeen zij van of namens [A] betaald heeft gekregen of betaald zal krijgen uit hoofde van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 10 februari 2004 aan de curator (terug) te betalen.

3.3 Het gerecht in eerste aanleg heeft bij eindvonnis van 20 juni 2005 geoordeeld dat de vraag of de schuldeisers daadwerkelijk in hun verhaalsmogelijkheden zijn beperkt niet bevestigend kan worden beantwoord en op die grond de vordering van de curator afgewezen.

3.4 Het hof heeft geoordeeld dat de cessie onverplicht is geschied en dat de schuldeisers van UF door de cessie zijn benadeeld, maar dat de curator niet geslaagd is in het door hem te leveren bewijs van wetenschap van benadeling bij UF en Artocarpus, en op die grond het vonnis van het gerecht bevestigd.

3.5 Het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel van het hof dat de curator niet geslaagd is in het bewijs van wetenschap van benadeling met een rechtsklacht en met motiveringsklachten.

3.6 De rechtsklacht (klacht 1) houdt in dat het hof in rov. 4.10.4 en in het dictum van zijn tussenvonnis van 10 oktober 2006 en in rov. 11 en 21-23 van zijn eindvonnis van 2 maart 2010 van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven nu het ter beantwoording van de vraag of er wetenschap van benadeling was, onderzocht heeft of UF en Artocarpus wisten of hadden moeten begrijpen dat ten gevolge van de cessie een reëel gevaar voor insolventie zou ontstaan.

Het hof heeft, in cassatie terecht onbestreden, geoordeeld dat de vraag of paulianeus is gehandeld in deze zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 38 (oud) Faillissementsbesluit, dat (onder meer) verlangt dat de curator bewijst "dat bij het verrichten van de handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn". Die in art. 38 bedoelde wetenschap moet, zoals in de schriftelijke toelichtingen van de advocaten van beide partijen is betoogd, worden aangenomen indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. Het hof heeft evenwel, al bediende het zich van een enigszins andere formulering, geen hiermee onverenigbare invulling gegeven aan het in art. 38 Faillissementsbesluit bedoelde begrip wetenschap van benadeling, zodat de klacht faalt.

3.7 De motiveringsklachten (klachten 2.2 - 2.4) richten zich tegen het oordeel dat de curator niet is geslaagd in het bewijs van de wetenschap van benadeling. De klachten gaan uit van motiveringseisen die niet kunnen worden gesteld aan oordelen die - zoals de onderhavige - berusten op de uitleg en waardering van gegevens van feitelijke aard. Zij vragen in de vorm van motiveringsklachten in wezen een hernieuwde beoordeling van de stellingen van de curator en van het bewijsmateriaal, welke beoordeling de taak van de cassatierechter te buiten gaat. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Artocarpus begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is vastgesteld op 26 mei 2011 en gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 juni 2011.