Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ1774

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
10/00003
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ1774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; art. 1.9 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr). Verzoek om uitstel voor memorie van antwoord in het incident met gebruikmaking van het onjuiste H-formulier. Beslissing hof op laatste dag termijn als bedoeld in art. 1.9 Lpr. Redelijke toepassing art. 1.9 Lpr brengt mee dat beslissing op tijdig ingediend verzoek om uitstel voor het verrichten van een proceshandeling als de onderhavige, dat - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts op grond van klemmende redenen toewijsbaar is, in alle gevallen, en dus ongeacht of juiste H-formulier is gebruikt en of daarin klemmende redenen zijn vermeld, gegeven wordt op zodanig tijdstip dat in geval van weigering - waaronder: buiten behandeling laten - verzoeker nog gelegenheid heeft de proceshandeling waarvoor uitstel was gevraagd zo mogelijk alsnog tijdig te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2011/50 met annotatie van mw. mr. K. Teuben
RvdW 2011/776
NJB 2011, 1334
NJ 2013/376 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
JWB 2011/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2011

Eerste Kamer

10/00003

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff,

t e g e n

STICHTING "HET BAARNSCH LYCEUM",

gevestigd te Baarn,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Stichting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 236194/HA ZA 07-1673 van de rechtbank Utrecht van 31 oktober 2007 en 5 november 2008;

b. de arresten in de zaak 200.024.265 van het gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 2009 en 20 oktober 2009.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 20 oktober 2009 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Stichting mede door mr. P.I.A. Strijdhorst, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 20 april 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Deze zaak heeft in de eerste plaats betrekking op het met ingang van 1 september 2008 geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lpr.), en met name op de volgende twee bepalingen van dat reglement:

"1.7 Ambtshalve handhaving van termijnen, verval van recht

De termijnen worden ambtshalve gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. Indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht

de proceshandeling te verrichten, behoudens in het geval als bedoeld in artikel 2.8.

1.9 Uitstel op grond van klemmende redenen of overmacht

Een gemotiveerd verzoek van een partij om uitstel op grond van klemmende redenen, wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier dagen voor de afloop van de desbetreffende termijn, ingediend.

De wederpartij kan binnen twee dagen na indiening van het verzoek reageren. Het hof beoordeelt het verzoek zo spoedig mogelijk.(...)"

3.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] en de Stichting hebben een overeenkomst van opdracht gesloten inzake door [eiseres] ten behoeve van de Stichting te verrichten schoonmaakwerkzaamheden.

De van die overeenkomst deel uitmakende, door [eiseres] gehanteerde, algemene voorwaarden houden onder meer het volgende in:

"Artikel 10 Betaling

(...)

e. Betalingsgeschillen kunnen, in afwijking van artikel 16, worden voorgelegd aan de rechter die volgens de wettelijke competentieregels bevoegd is. (...)

Artikel 16 Geschillen

a. Alle geschillen omtrent interpretatie, uitvoering en beëindiging van de overeenkomst zullen met uitsluiting van de burgerlijke rechter en van Hoger Beroep, ter berechting worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfsdienstenbranche. Een geschil is aanwezig, wanneer één van de partijen verklaart dat zulks het geval is. (...)"

(ii) Op 27 augustus 2007 heeft [eiseres] de Stichting gedagvaard. Zij vorderde betaling van onbetaald gebleven facturen en nakoming van de overeenkomst. In reconventie vorderde de Stichting ontbinding van de overeenkomst alsmede schadevergoeding.

(iii) De rechtbank, die het verweer van [eiseres] dat zij gelet op art. 16, onder a, van de algemene voorwaarden niet bevoegd was om van de reconventionele vordering kennis te nemen verwierp, heeft de over en weer ingestelde vorderingen gedeeltelijk toegewezen.

(iv) In het door [eiseres] ingestelde hoger beroep, waarin deze onder meer herhaalde dat de rechter niet bevoegd was van de reconventionele vordering kennis te nemen, heeft de Stichting zich bij memorie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens voorwaardelijke memorie van antwoord primair op het standpunt gesteld dat ingevolge genoemd art. 16, onder a, hoger beroep was uitgesloten, zodat het hof zich onbevoegd diende te verklaren, althans [eiseres] niet-ontvankelijk diende te verklaren in haar beroep.

(v) Daarop is aan [eiseres] met toepassing van art. 4.2 Lpr., luidende:

"Memorie van antwoord in incident

Voor het antwoord op de incidentele vordering wordt een termijn verleend van twee weken."

een termijn van twee weken, dat wil zeggen: tot de rolzitting van 1 september 2009, verleend voor het nemen van een memorie van antwoord in het incident.

(vi) Op 20 augustus 2009 heeft [eiseres], met gebruikmaking - ten onrechte - van een formulier H5 Uitstelverzoek rondhandeling, dat verwees naar art. 2.7 Lpr. inzake Gewoon uitstel voor memories, waarvan de eerste alinea luidt:

"Voor memorie van grieven, memorie van antwoord en memorie van antwoord in het incidenteel beroep, wordt een termijn van zes weken verleend. Tenzij de wederpartij partijperemptoir met akte niet-dienen heeft aangezegd, wordt desgewenst een eerste uitstel van zes en vervolgens een tweede uitstel van vier weken verleend.",

een uitstel van "zes weken (gewone zaak)" verzocht.

(vii) De rolkaart vermeldt ten aanzien van de op 1 september 2009 door [eiseres] te verrichten proceshandeling: "incident antwoordconclusie appellant niet genomen/VERVAL".

3.3 Het hof heeft in zijn eindarrest, waarin geen melding wordt gemaakt van (afwijzing van) het door [eiseres] op 20 augustus 2009 gedane verzoek om uitstel, onder meer het volgende overwogen:

"1.4 Vervolgens heeft het hof aan [eiseres], ingevolge artikel 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, een uitstel van twee weken verleend voor het nemen van een memorie van antwoord in het incident.

1.5 Omdat [eiseres] niet binnen de daarvoor gestelde termijn een memorie van antwoord in het incident had genomen, is ingevolge artikel 1.7 van genoemd procesreglement het recht vervallen die proceshandeling te verrichten.

1.6 Het verzoek van [eiseres] om alsnog de memorie van antwoord in het incident te mogen nemen, tegen inwilliging van welk verzoek de Stichting zich heeft verzet, heeft het hof afgewezen

(...)

3.1 De Stichting vordert dat het hof zich onbevoegd zal verklaren, althans [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen zal verklaren. Zij legt daaraan ten grondslag dat op grond van artikel 16 onder a van de algemene voorwaarden hoger beroep is uitgesloten. [Eiseres] heeft de vordering niet bestreden. Er moet dus van worden uitgegaan dat partijen de beslechting van hun geschil in hoger beroep hebben uitgesloten. Gelet daarop moet [eiseres] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep worden verklaard."

3.4.1 Onderdeel 1, dat gericht is tegen hetgeen het hof in rov. 1.5 en 1.6 heeft overwogen, behelst het verwijt dat het hof [eiseres] ten onrechte de mogelijkheid om tijdig te antwoorden heeft onthouden door eerst op de rolzitting van 1 september 2009 te beslissen dat, zoals ook besloten ligt in de vaststelling dat [eiseres] niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken een memorie van antwoord in het incident had genomen, geen uitstel werd verleend, met als gevolg verval van het recht om te antwoorden. Naar het onderdeel betoogt, is deze rolbeslissing onder meer daarom onjuist omdat het hof op grond van een redelijke toepassing van art. 1.9 van het hier aan de orde zijnde reglement (mede in het licht van de art. 19 en 347 lid 3 Rv. en van hetgeen de rechtszekerheid eist) gehouden was [eiseres] zodanig tijdig over de weigering te berichten dat zij op die rolzitting van 1 september 2009 nog had kunnen antwoorden.

3.4.2 Ingevolge het bepaalde in de art. 1.7, 1.9 en 4.2 Lpr., in onderlinge samenhang bezien, kon [eiseres], nadat haar op 18 augustus 2009 een termijn van twee weken was verleend voor antwoord op de incidentele vordering van de Stichting, uitsluitend uitstel van die rolhandeling verkrijgen op grond van klemmende redenen. Daartoe had zij gebruik moeten maken van het formulier

"H5 Uitstelverzoek rolhandeling. Uitstel om klemmende redenen (art. 1.9)". Zou zij dat op 20 augustus 2009 hebben gedaan, dan zou voor de Stichting ingevolge art. 1.9 Lpr. gedurende twee dagen nadien de gelegenheid hebben opengestaan om te reageren en zou vervolgens het hof het verzoek zo spoedig mogelijk hebben beoordeeld.

3.4.3 Het bepaalde in art. 1.9 strekt ertoe dat vóór de afloop van de desbetreffende termijn komt vast te staan of het gevraagde uitstel al dan niet wordt verleend; klaarblijkelijk opdat - in het laatste geval - de verzoeker de gelegenheid heeft de proceshandeling waarvoor uitstel was gevraagd zo mogelijk alsnog tijdig te verrichten. Dit komt ook tot uitdrukking in de op het reglement betrekking hebbende Richtlijnen voor de toepassing voor zover deze onder 1.9.2 inhouden dat op een tijdig ingediend verzoek zo mogelijk uiterlijk op de vrijdag voor de roldatum wordt beslist en dat de indiener zo mogelijk op die dag (per telefoon of fax) bericht krijgt.

3.4.4 Gelet op deze strekking brengt een redelijke toepassing van art. 1.9 mee dat de beslissing op een tijdig ingediend verzoek om uitstel voor het verrichten van een proceshandeling als de onderhavige, dat - behoudens het zich hier niet voordoende geval van bijzondere omstandigheden - slechts op grond van klemmende redenen toewijsbaar is, in alle gevallen, en dus ongeacht of het juiste H-formulier is gebruikt en of daarin klemmende redenen zijn vermeld, gegeven wordt op een zodanig tijdstip dat in geval van weigering - waaronder mede te verstaan is: buiten behandeling laten (zie 1.8.1 van genoemde Richtlijnen) - de verzoeker nog de in 3.4.3 bedoelde gelegenheid heeft.

3.4.5 Voor zover onderdeel 1 op het voorgaande is gericht, is het derhalve gegrond.

3.5 De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 oktober 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 466,43 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 juni 2011.