Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ1222

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
10/04313
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 2, lid 1, letter b, Besluit proceskosten bestuursrecht en art. 6 en 15 Besluit tarieven in strafzaken 2003. Uurtarief van deskundige te verhogen met niet-aftrekbare BTW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/21.9 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2011/743 met annotatie van W.G. van den Ban
BNB 2011/184
Futd 2011-0905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/04313

15 april 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 augustus 2010, nr. BK 09/00612, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aan hem opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak) voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vastgesteld. Voorts is hem in verband met die onroerende zaak voor het jaar 2008 een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd.

De waardebeschikking en de aanslag zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum gehandhaafd.

De Rechtbank te Amsterdam (nr. AWB 08/6230) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover het betreft proceskosten en de uitspraak voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in het kader van het beroep bij de Rechtbank aan zijn deskundige opdracht gegeven de onroerende zaak te taxeren en een waarderapport op te stellen. Te dezer zake heeft de deskundige belanghebbende een bedrag, verhoogd met omzetbelasting, in rekening gebracht.

3.1.2. Bij de Rechtbank hebben partijen overeenstemming bereikt over de waarde van de onroerende zaak. De Rechtbank heeft de vastgestelde waarde dienovereenkomstig verminderd. Ter zake van de kosten van het verslag van een deskundige heeft de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding toegekend die is berekend exclusief omzetbelasting.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot deze kosten geen recht heeft op een aanvullende vergoeding ter zake van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting. Tegen dit oordeel komt belanghebbende in cassatie op.

3.3. Op grond van het bepaalde in artikel 1, letter b, en artikel 2, lid 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verbinding met artikel 8:36, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Besluit) een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

3.4. Voormeld artikel 15 brengt mee dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de werkzaamheden van een deskundige behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar de op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarieven. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt, dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 9 juli 1999, nr. 34442, LJN AA2804, BNB 1999/377).

3.5. Hetgeen hiervoor in 3.3 en 3.4 is overwogen brengt mee dat het cassatieberoep gegrond is. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In het onderhavige geval heeft belanghebbende voor het Hof onweersproken gesteld dat hij de hem in rekening gebrachte omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek kan brengen. De aan hem toe te kennen vergoeding voor kosten van een deskundigenverslag, die - in cassatie onbestreden - € 720 exclusief omzetbelasting bedraagt, moet daarom worden verhoogd met 19 percent, derhalve met € 136,80. De aan belanghebbende toe te kennen vergoeding voor de kosten van de procedure voor de Rechtbank en het Hof tezamen bedraagt als gevolg daarvan € 2046,17.

4. Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze de proceskosten betreft en bevestigt die uitspraak voor het overige,

veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding in beroep en in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2046,17,

gelast dat de Gemeente Hilversum aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2011.