Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ1214

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
10/01689
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ1214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Brandstoffenbelasting en (regulerende) energiebelasting. Art. 20 AWR, art. 21, lid 2, art. 30, lid 1, en art. 36c, lid 1, Wbm en art. 70 Wet op de accijns. De verzoeken om teruggaaf zijn ingevolge de belastingwet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/63.23.6
V-N Vandaag 2011/2947
BNB 2012/42
FutD 2011-2956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/01689

2 december 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 1 maart 2010, nr. AWB 08/4733, betreffende naheffingsaanslagen in de brandstoffenbelasting en in de (regulerende) energiebelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de brandstoffenbelasting en een naheffingsaanslag in de (regulerende) energiebelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 28 maart 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In het onderhavige tijdvak heeft belanghebbende gasolie verkocht en geleverd als scheepsbrandstof voor binnenschepen. De gasolie was door haar betrokken als minerale olie waarvoor accijns, brandstoffenbelasting, (regulerende) energiebelasting en voorraadheffing was voldaan. Belanghebbende heeft op basis van de aan haar gefactureerde hoeveelheden gasolie voor de leveringen van de gasolie teruggaaf verzocht van accijns, brandstoffenbelasting, (regulerende) energiebelasting en voorraadheffing. De Inspecteur heeft de teruggaven verleend.

3.1.2. Tijdens een in 2004 door de Inspecteur ingesteld onderzoek zijn in de administratie van belanghebbende zeven valse of vervalste inkoopfacturen aangetroffen; de hoeveelheden gasolie die op deze facturen zijn vermeld, waren niet aan belanghebbende geleverd.

3.1.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de hiervoor in 3.1.2 bedoelde hoeveelheden gasolie teruggaaf van accijns, brandstoffenbelasting, (regulerende) energiebelasting en voorraadheffing heeft gevraagd, zij het ten onrechte. Bij de onderwerpelijke aanslagen heeft hij onder meer de voor die hoeveelheden teruggevraagde brandstoffenbelasting en (regulerende) energiebelasting nageheven. Daarnaast heeft de Inspecteur brandstoffenbelasting en (regulerende) energiebelasting nageheven in verband met het tegen een te hoog tarief verlenen van teruggaaf.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de teruggaaf van brandstoffenbelasting en van (regulerende) energiebelasting een wettelijke grondslag bestaat, zodat deze belastingen op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kunnen worden nageheven.

3.3.1. De middelen richten zich tegen dit oordeel met het betoog dat de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wbm), waarop de heffing van brandstoffenbelasting en (regulerende) energiebelasting is gegrond, niet voorziet in een teruggaafregeling met betrekking tot leveringen van gasolie als scheepsbrandstof voor binnenschepen. Dit brengt, aldus de middelen, mee dat een in verband met dergelijke leveringen gedaan verzoek om teruggaaf van deze belastingen niet ingevolge de belastingwet is gedaan, zodat ten onrechte teruggegeven bedragen niet kunnen worden nageheven.

3.3.2. Ingevolge artikel 21, lid 2, van de Wbm wordt de belasting op brandstoffen met betrekking tot de als minerale oliën aangemerkte brandstoffen geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns. Artikel 36c, lid 1, van de Wbm bepaalt dat met betrekking tot gasolie de (regulerende) energiebelasting wordt geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns.

Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot invoering van de Wbm en wat de (regulerende) energiebelasting betreft het wetsvoorstel tot wijziging van de Wbm blijkt dat met de verwijzingen naar de accijns in voormelde wettelijke bepalingen wordt bedoeld dat de wettelijke bepalingen die voor de heffing van accijns gelden, daaronder begrepen de bepalingen die zien op de vrijstellingen en de teruggaaf van accijns, van overeenkomstige toepassing zijn bij de heffing van de brandstoffenbelasting en de (regulerende) energiebelasting (zie de onderdelen 7.2.12 tot en met 7.2.18 en 7.3.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). De tekst van de meergenoemde bepalingen van de Wbm verzet zich niet tegen een met deze bedoeling strokende uitleg daarvan. Dit betekent dat de bepalingen ter zake van vrijstelling van accijns, daaronder begrepen de teruggaafregeling van artikel 70 van de Wet op de accijns, van overeenkomstige toepassing zijn bij de heffing van brandstoffenbelasting en (regulerende) energiebelasting. Voor de door belanghebbende gedane verzoeken om teruggaaf van de belasting ontbreekt derhalve, anders dan de middelen betogen, geen wettelijke grondslag. Mitsdien is het oordeel van de Rechtbank juist en falen de middelen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president

D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski in raadkamer van 9 november 2011 en op 2 december 2011 in het openbaar uitgesproken.