Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0839

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
10/04272
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0839
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 5 en 6 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en art. 6 Regeling DNA-onderzoeken in strafzaken. ’s Hofs overwegingen dat o.g.v. de vastgestelde gang van zaken geen sprake is van onzekerheid omtrent de identiteit van het onderzochte celmateriaal en dat de enkele omstandigheid dat de sluit-en identiteitszegels die betrekking hebben op de verzending van DNA-materiaal naar het NFI zich niet in het dossier bevinden, niet ertoe leidt dat het door het NFI opgemaakte onderzoeksrapport onbruikbaar is voor het bewijs, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/869
NJ 2011/324
NJB 2011/1493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2011

Strafkamer

nr. 10/04272

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 29 april 2010, nummer 24/002902-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland, locatie Lelystad" te Lelystad.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluit- en identiteitszegels die betrekking hebben op de verzending van DNA-materiaal, zich niet in het dossier behoeven te bevinden.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard:

"Zaak B

hij op 12 december 2008 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een portemonnee en een rijbewijs, toebehorende aan [slachtoffer 1], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

- heel dicht bij [slachtoffer 1] is gaan staan en

- (met kracht)de schouder van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en

- meermalen met kracht heeft getrokken aan de portemonnee en het rijbewijs, welke [slachtoffer 1] in haar handen had en

- zijn, verdachtes, hand heeft gelegd tegen de mond van [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdediging is van mening dat de Rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat op 12 december 2008 de handen van cliënt zijn onderzocht op mogelijke aanwezigheid van contactsporen met het slachtoffer.

Cliënt heeft uitdrukkelijk het onderzoek op contactsporen dienaangaande betwist. Voorgaande is ook geenszins onaannemelijk, nu aangeefster aangeeft gebeten te hebben, doch nergens uit blijkt dat op de handen van cliënt bijtwonden zijn geconstateerd. De aangegeven bemonstering van de handen, waarvan eerst een proces-verbaal is opgemaakt op 28 mei 2009, is ook niet te herleiden tot het proces-verbaal van aanhouding danwel een aanvullend proces-verbaal dat kort na de aanhouding en insluiting van cliënt is opgemaakt. Zoals reeds in eerste aanleg is aangegeven is er eerst een proces-verbaal van onderzoek door de technische recherche opgemaakt nadat de rapportage van het NFI door hen is verstrekt.

Bovendien kan uit de rapportage van het NFI worden opgemaakt dat zij een tweetal bemonsteringen, welke afkomstig zouden moeten zijn van de hand van cliënt hebben onderzocht, terwijl uit het proces-verbaal van 28 mei 2009 niet kan worden opgemaakt dat het om een tweetal bemonsteringen gaat. Overigens stelt de verdediging vraagtekens bij het daadwerkelijk aantreffen van de sporen, nu uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2008 op pagina 32 naar voren komt dat cliënt uitvoerig met zijn handen in zijn zakken heeft gezeten en ze ook daarin heeft bewogen, waardoor er bij de aanhouding met pepperspray is gespoten en een waarschuwingsschot is gelost. Hierdoor is het niet aannemelijk dat er een speekselspoor op de handen van cliënt is aangetroffen. Uit het dossier is geen enkel bewijs dat terugvoert naar de wijze waarop het DNA-materiaal is veiliggesteld en middels welke sluitzegels en identiteitszegels dit naar het NFI is gezonden. Al deze vraagtekens bij elkaar meent de verdediging dat de Rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de handen van cliënt op 12 december 2008 op contactsporen zijn onderzocht.

De verdediging is van mening, mede met inachtneming van hetgeen hiervoor is gesteld, dat het NFI-rapport niet als bewijs kan worden gebezigd, daar de 'chain of evidence' is verbroken, nu de wijze waarop het DNA-materiaal is veiliggesteld niet te traceren is, omdat de sluitzegels en identiteitszegels waarmee het materiaal naar het NFI zou zijn verzonden niet in het dossier terug te vinden en derhalve noch voor Uw Hof noch voor de verdediging te controleren zijn. Hierdoor kan niet worden gecontroleerd of de hiertoe bestemde protocollen aangaande het veiligstellen en bewaren van DNA-materiaal in acht zijn genomen. Dientengevolge kan zeker niet de zuiverheid van het monster worden bepaald en kan contaminatie niet worden uitgesloten, zeker gezien de wijze van aanhouding, waarbij als herhaalt en ingelast dient te worden beschouwd hetgeen hiervoor reeds over de aanhouding is opgemerkt."

2.2.3. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen en beslist:

"Voorts heeft de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde feit primair betwist - zakelijk weergegeven - dat de handen van verdachte zijn onderzocht op mogelijke contactsporen van aangeefster. De bemonstering van de handen van verdachte - waarvan pas een proces-verbaal is opgemaakt op 28 mei 2009 - is niet te herleiden tot het proces-verbaal van aanhouding dan wel een aanvullend proces-verbaal dat kort na de aanhouding en insluiting van verdachte is opgemaakt, aldus de raadsvrouw. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd - zakelijk weergegeven - dat de wijze van bemonstering onzorgvuldig is geweest en dat niet nagegaan kan worden dat het DNA-materiaal op juiste wijze naar het NFI is verstuurd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de rapportage van het NFI blijkt dat een tweetal bemonsteringen is onderzocht, terwijl uit het proces-verbaal van 28 mei 2009 niet kan worden opgemaakt dat het om een tweetal bemonsteringen gaat en voorts dat er geen enkel bewijs is dat terugvoert naar de wijze waarop het DNA-materiaal is veiliggesteld en middels welke sluitzegels en identiteitszegels dit naar het NFI is gezonden. Dit brengt mede dat het NFI-rapport dient te worden uitgesloten voor het bewijs. Nu er voor het overige onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, dient verdachte te worden vrijgesproken van het hem onder B ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 28 mei 2009 op ambtsbelofte in een proces-verbaal van 'onderzoek technische recherche' vastgelegd dat hij op 12 december 2008 omstreeks 23.00 uur in het cellencomplex van het hoofdbureau van politie in Almere de handen van verdachte heeft onderzocht op mogelijk aanwezige contactsporen naar aanleiding van het van zich af bijten door aangeefster [slachtoffer 1] (bij een (poging tot) straatroof). De verbalisant heeft daarbij expliciet de reden van de bemonstering opgegeven, namelijk dat hij op de rugzijde van de rechterhand van verdachte, aan de pinkzijde, een zilver/witachtige, opgedroogde substantie zag die naar zijn mening opgedroogd speeksel kon zijn. Het verweer van de raadsvrouw dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, mist dus feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

Voor wat betreft het subsidiaire betoog van de raadsvrouw overweegt het hof als volgt.

De verdediging heeft noch ter terechtzitting van het hof noch op enig moment verzocht om nader onderzoek naar de wijze waarop het voornoemde technische onderzoek heeft plaatsgevonden. Datzelfde geldt voor een verzoek tot nader onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door het NFI is verricht.

Blijkens het voornoemde proces-verbaal van onderzoek heeft verbalisant [verbalisant 1] op l2 december 2008 omstreeks 23.00 uur met behulp van een steriele wattenstaaf een spoor bemonsterd op de rugzijde van de rechterhand van verdachte, welk spoor hij veilig stelde en waarmerkte als AAAW2254NL. Op 23 maart (het hof begrijpt: 2009) werd dit monster voor nader onderzoek verzonden naar het NFI.

Op 23 maart 2009 werd bij aangeefster [slachtoffer 1] wangslijmvlies afgenomen als referentiemateriaal - veiliggesteld en gewaarmerkt als RAAH3880 - en verzonden naar het NFI. Bij verdachte is op enig moment wangslijmvlies afgenomen in het kader van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dit celmateriaal werd gewaarmerkt als RAAH3750NL.

Blijkens het NFI rapport van 18 mei 2009 zijn er twee bemonsteringen van de rechterhand van verdachte, namelijk een bemonstering gelabeld 'rechts'[AAAW2254NL]#1 en een bemonstering gelabeld 'links'[AAAW2254NL]#2. De bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van speeksel, waarbij een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van speeksel in beide bemonsteringen.

Voorts heeft het NFI gerapporteerd dat in de bemonstering [AAAW2254NL]#2 een DNA-mengprofiel is verkregen, welk DNA-mengprofiel matcht met het DNA van verdachte en met dat van aangeefster [slachtoffer 1]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de afgeleide DNA-kenmerken is kleiner dan één op één miljard.

Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsvrouw dat de wijze van bemonstering door verbalisant [verbalisant 1] onzorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat uit het voornoemde NFI-rapport blijkt dat het spoor dat [verbalisant 1] veiligstelde en waarmerkte als AAAW2254NL feitelijk uit twee bemonsteringen van dezelfde hand bestaat, doet daaraan niet af. Anders dan de raadsvrouw voorts heeft betoogd, vindt de stelling van de raadsvrouw dat de sluit- en identiteitszegels die betrekking hebben op verzending van DNA-materiaal naar het NFI zich in het dossier moeten bevinden, geen grond in het recht. Nu voorts uit het NFI-rapport blijkt dat bij het onderzoek door het NFI gebruik is gemaakt van methoden die zijn aangegeven in de NFI-uitgave 'De Essenties van forensisch DNA-onderzoek' en dat de methodes die gebruikt zijn bij het in dat deskundigenrapport beschreven onderzoek zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie, staat naar het oordeel van het hof vast dat het door het NFI verrichte onderzoek op de juiste wijze is uitgevoerd. Het hof verwerpt het verweer."

2.3.1. Het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (hierna: het Besluit) luidt:

- art. 5:

"1. De opsporingsambtenaar voorziet de verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs celmateriaal aanwezig is, dan wel van celmateriaal dat niet is afgenomen op de wijze als voorzien in artikel 2 of artikel 3, van een identiteitszegel zodra het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen dan wel zo spoedig mogelijk daarna.

2. De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van de inbeslagneming van het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een identiteitszegel dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid. Indien het te onderzoeken celmateriaal van een bekende verdachte is, vermeldt hij in het proces-verbaal diens naam en geboortedatum,

-plaats en -land of, indien deze onbekend zijn, andere gegevens waarmee diens identiteit kan worden vastgesteld.

3. De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, na een opdracht van de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris tot het daaraan verrichten van DNA-onderzoek, zo spoedig mogelijk in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels bij het instituut wordt bezorgd.

(...)"

- art. 6, eerste lid:

"Het instituut legt inzake het celmateriaal, bedoeld in de artikelen (...) 5, eerste lid, alsmede inzake het voorwerp, bedoeld in artikel 5, eerste lid, in een centraal register de volgende gegevens vast:

(...)

b. het nummer van het identiteitszegel, bedoeld in de artikelen (...) 5, eerste en tweede lid, alsmede het proces-verbaalnummer van de strafzaak waarin het celmateriaal is afgenomen en het parketnummer,

(...)"

2.3.2. Art. 6 Regeling DNA-onderzoeken in strafzaken luidt:

"Het identiteitszegel, genoemd in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, eerste lid, onder b, (...) van het besluit, is een zelfklevend zegel dat bedrukt is met een eenmalig te gebruiken combinatie van letters en cijfers. Deze combinatie is aangebracht in schrift en in barcode."

2.4. Voormelde regelgeving strekt ertoe te voorkomen dat onzekerheid rijst omtrent de identiteit van het onderzochte celmateriaal. De hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof moeten aldus worden verstaan dat op grond van de vastgestelde gang van zaken geen sprake is van dergelijke onzekerheid en dat - anders dan door de verdediging is aangevoerd - de enkele omstandigheid dat de sluit- en identiteitszegels die betrekking hebben op de verzending van DNA-materiaal naar het NFI zich niet in het dossier bevinden, niet ertoe leidt dat het door het NFI opgemaakte onderzoeksrapport onbruikbaar is voor het bewijs. Aldus verstaan geven 's Hofs overwegingen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5. De klacht faalt.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A van Dorst als voorzitter, en de raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 juli 2011.