Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0700

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10/01216
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Sociale zekerheidswetgeving. Verval van aanspraken uit aanvullende zorgverzekering op de voet van art. 65 lid 1 AWBZ? Wettelijke stelsel van sociale zekerheid staat niet eraan in de weg dat burgers zich aanvullend verzekeren voor voorzieningen die in het verplichte verzekeringspakket van de Zorgverzekeringswet en de AWBZ niet zijn opgenomen. Waar de wetgever slechts dubbele premiebetaling heeft willen voorkomen en voorts niet heeft willen verhinderen dat burgers zich aanvullend verzekeren, moet worden geoordeeld dat de AWBZ eerst dan prevaleert en leidt tot verval van aanspraken in de zin van art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) indien een door een (aanvullende) zorgverzekering gedekte, specifieke vorm van zorg tevens onderwerp is van een uit hoofde van de AWBZ gedekte aanspraak.

Wetsverwijzingen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 1270
RvdW 2011/723
RAV 2011/87
NJ 2011/476 met annotatie van M.M. Mendel
JWB 2011/309
USZ 2011/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2011

Eerste Kamer

10/01216

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

ONVZ AANVULLENDE VERZEKERING N.V.,

gevestigd te Houten,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ONVZ.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 235091/HA ZA 07-1512 van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2007 en 28 mei 2008;

b. het arrest in de zaak 200.016.268 van het gerechtshof te Amsterdam van 8 december 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ONVZ heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening als vermeld onder 3.30.2 van de conclusie.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 15 april 2011 op die conclusie gereageerd; de advocaat van ONVZ heeft dat gedaan bij brief van 12 april 2011.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Eiser] was in 2005 en 2006 voor ziektekosten aanvullend verzekerd bij ONVZ. Hij had daartoe de aanvullende verzekering ONVZ Vrije Keuze Topfit afgesloten (hierna: de aanvullende verzekering), als aanvulling op de ONVZ Vrije Keuze Basisverzekering, afgesloten bij ONVZ Ziektekostenverzekering N.V. (hierna: ONVZ Zkv).

(ii) ONVZ Zkv is onder meer belast met de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). ONVZ is een schadeverzekeraar in de zin van Richtlijn 73/239/EEG.

(iii) In de polisvoorwaarden van de aanvullende verzekering wordt bepaald dat wat betreft voorziene behandelingen in het buitenland de volgende kosten van geneeskundige hulp worden vergoed: buiten een EU- of Verdragsland vergoedt de verzekeraar de kosten van behandelingen tot maximaal het in Nederland geldende marktconforme bedrag.

(iv) Op de aanvullende verzekering zijn van toepassing de Algemene Bepalingen ONVZ Zorgverzekeraar 98061 (hierna: de algemene bepalingen), waarin in art. 12 lid 2 onder 1, voor zover hier van belang, is bepaald:

"Uit hoofde van de aanvullende verzekering bestaat (..) geen aanspraak op vergoeding van kosten:

1. indien, zo deze aanvullende verzekering niet bestond, door de verzekeringnemer of de verzekerde aanspraak gemaakt zou kunnen worden op uitkering van de verzekerde kosten of op verstrekking van verpleging en/of behandeling op grond van een andere overeenkomst, al dan niet van oudere datum, of op grond van één van de wettelijke regelingen."

(v) Tot 1 januari 2006 bepaalde art. 5a lid 1 AWBZ:

"Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige verzorging of de kosten daarvan vervalt met ingang van de dag waarop en voor zover voor een verzekerde ingevolge deze wet uit deze wet aanspraken voortvloeien gelijkwaardig aan die, welke aan genoemde overeenkomst kunnen worden ontleend."

Vanaf 1 januari 2006 is de regeling van art. 5a lid 1 opgenomen in art. 65 lid 1 van de AWBZ zonder dat er inhoudelijk wijziging is aangebracht in de bepaling.

(vi) [Eiser] is op 15 december 2005 voor vier weken opgenomen in Stepping Stones, een verslavingskliniek in Zuid-Afrika, teneinde van zijn cocaïneverslaving af te komen. Hierna is de behandeling voortgezet in een andere instelling in Zuid-Afrika. [Eiser] heeft, voordat hij naar Zuid-Afrika vertrok, geen toestemming van ONVZ Zkv gekregen voor deze behandeling.

(vii) [eiser] heeft ONVZ in april 2006 en in oktober 2006 verzocht facturen ten bedrage van € 22.040,-- respectievelijk € 10.013,90 voor medische zorg, aan hem te vergoeden op grond van de aanvullende verzekering. ONVZ 'Zorgverzekeraar' heeft beide verzoeken afgewezen. Onderaan alle van ONVZ Zorgverzekeraar afkomstige stukken is vermeld dat risicodraagster voor de zorgverzekering ONVZ Zkv is, en voor de aanvullende verzekeringen ONVZ.

(viii) Na een verzoek namens [eiser] van 26 januari 2007 om een gemotiveerd besluit heeft ONVZ Zorgverzekeraar (ONVZ Zkv) op 2 februari 2007 bij besluit vastgesteld dat de desbetreffende kosten niet voor vergoeding onder de AWBZ in aanmerking kwamen, aangezien Zuid-Afrika geen verdragsland is. In diezelfde brief is meegedeeld dat de kosten evenmin voor vergoeding in aanmerking zouden komen uit hoofde van de aanvullende verzekering, met verwijzing naar art. 12 lid 2 onder 1 van de algemene bepalingen.

(ix) [Eiser] heeft geen (tijdig) bezwaar aangetekend tegen het besluit van 2 februari 2007 en/of beroep aangetekend tegen de op zijn bezwaar gegeven beslissing.

(x) Op 21 maart 2007 heeft [eiser] opnieuw verzocht om vergoeding van gemaakte kosten op grond van de aanvullende verzekering. Dit verzoek is bij brief van ONVZ Zorgverzekeraar van 10 april 2007 wederom afgewezen, met handhaving van het standpunt dat de kosten niet voor vergoeding op grond van deze verzekering in aanmerking komen: [eiser] had aanspraak kunnen maken op een wettelijke regeling (de AWBZ), maar heeft zelf gekozen voor een vorm welke niet valt onder de regeling van de AWBZ. Daardoor bestaat, aldus de brief, ingevolge art. 12 lid 2 onder 1 (van de algemene bepalingen) geen aanspraak op vergoeding uit hoofde van de aanvullende verzekering.

(xi) [Eiser] heeft later nog een verzoek gedaan om heroverweging. Dit verzoek heeft ONVZ Zorgverzekeraar op 25 juli 2007 opnieuw afgewezen.

3.2 [Eiser] vordert in dit geding veroordeling van ONVZ tot betaling van een bedrag van € 32.053,90, zijnde het totaalbedrag van de hiervoor in 3.1 onder (vii) bedoelde facturen, met nevenvorderingen. Volgens [eiser] is ONVZ uit hoofde van de aanvullende verzekering gehouden tot vergoeding van de door hem gedeclareerde kosten van zorg in Zuid-Afrika. Daartoe heeft [eiser] onder meer aangevoerd dat de aanvullende verzekering wereldwijde zorgdekking naar vrije keuze biedt en dat de door hem genoten zorg in Zuid-Afrika onder deze dekking valt. In reactie op het standpunt van ONVZ - als verwoord in de brieven van ONVZ Zorgverzekeraar van 2 februari 2007 en 10 april 2007, vermeld hiervoor in 3.1 onder (viii) respectievelijk onder (x) - dat [eiser] gelet op het bepaalde in art. 12 lid 2 onder 1 van de algemene bepalingen geen aanspraak toekomt uit hoofde van zijn aanvullende verzekering, heeft [eiser] gesteld dat de aan hem in Zuid-Afrika verleende zorg niet voor vergoeding onder de AWBZ in aanmerking komt en dat hij mitsdien recht heeft op dekking onder zijn aanvullende verzekering. Juist voor die gevallen waarin de AWBZ geen dekking biedt, heeft [eiser] de aanvullende verzekering gesloten.

ONVZ heeft de vordering betwist en onder meer ten verwere aangevoerd dat, nu [eiser] onder de AWBZ in beginsel aanspraak had op vergoeding van verslavingszorg in een gecontracteerde instelling in een EU- of Verdragsland, art. 12 lid 2 onder 1 van de algemene bepalingen en art. 65 lid 1 AWBZ meebrengen dat [eiser] geen aanspraak op vergoeding uit hoofde van de aanvullende verzekering toekomt. Op grond van deze bepalingen heeft immers te gelden dat de aanvullende verzekering zich niet uitstrekt over zorg waarop aanspraak bestaat uit hoofde van de voorschriften gegeven bij en krachtens de AWBZ. Dat het besluit van ONVZ Zkv van 2 februari 2007 niet langs bestuursrechtelijke weg door [eiser] is bestreden en mitsdien onherroepelijk is geworden, komt, aldus ONVZ, voor rekening en risico van [eiser] en kan niet ertoe leiden dat het rechtsgevolg van bedoelde bepalingen opzij wordt gezet.

3.3 De rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat [eiser] als gevolg van hem toe te rekenen omstandigheden (het niet gebruiken van de bestuursrechtelijke rechtsgang waardoor het besluit van ONVZ Zkv van 2 februari 2007 onherroepelijk is geworden) geen aanspraak meer kan maken op vergoeding op grond van de AWBZ, niet met zich dat [eiser] de bewuste declaraties alsnog vergoed kan krijgen via de aanvullende verzekering; de aanvullende verzekering is, aldus de rechtbank, ingevolge de dwingendrechtelijke regeling van art. 5a lid 1 respectievelijk art. 65 lid 1 AWBZ immers vervallen met ingang van de dag dat er aanspraak op vergoeding op basis van de AWBZ is ontstaan (rov. 4.5).

3.4 Het hof heeft dit (eind)vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Bij de beoordeling is het hof ervan uitgegaan dat art. 12 lid 2 onder 1 van de algemene bepalingen, ondanks de niet identieke formulering, de vertaling vormt van art. 5a lid 1 (oud) onderscheidenlijk art. 65 lid 1 AWBZ (rov. 4.8). Voorts is het hof ervan uitgegaan dat [eiser] ingevolge het Besluit zorgaanspraken AWBZ van 25 oktober 2002 (Stb. 2002, 527) in beginsel aanspraak had onder de AWBZ op behandeling van zijn verslavingsproblematiek (rov. 4.9-4.10).

Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat het besluit van ONVZ Zkv van 2 februari 2007 niet (tijdig) langs bestuursrechtelijke weg door [eiser] is bestreden en dat daarmee vaststaat dat de zorg die [eiser] in Zuid-Afrika heeft genoten, niet wordt gedekt door de AWBZ aangezien Zuid-Afrika geen verdragsland is (rov. 4.12). Tegen genoemde overwegingen is in cassatie niet opgekomen.

Naar aanleiding van de door [eiser] in hoger beroep voorgedragen grief, inhoudende, onder meer, dat de rechtbank zijn vordering ten onrechte heeft afgewezen op grond van art. 12 lid 2 onder 1 van de algemene bepalingen en art. 5a lid 1 (oud) onderscheidenlijk art. 65 lid 1 AWBZ, overwoog het hof onder meer het volgende:

"4.14 Anders dan [eiser] aanvoert, brengt het enkele feit dat de zorg die hij in Zuid-Afrika heeft genoten niet wordt gedekt door de AWBZ, aangezien Zuid-Afrika geen verdragsland is, echter niet mede dat van verval van aanspraken als bedoeld in artikel 5a lid 1 (oud) onderscheidenlijk artikel 65 lid 1 AWBZ geen sprake zou zijn.

Het begrip "gelijkwaardig" in die artikelen ziet, naar uit de wetsgeschiedenis van artikel 5a AWBZ is af te leiden (vgl. MvA, 20 609, nr. 6, pagina 33 t/m 36), op het AWBZ-verstrekkingenpakket als zodanig en niet op de in het besluit van ONVZ Zkv van 2 februari 2007 aangegeven beperking dat [eiser] zich tot een gecontracteerde instelling in een EU- of verdragsland zou moeten richten dan wel op de al dan niet directe beschikbaarheid van het desbetreffende zorgaanbod.

4.15 Naar aanleiding van de door [eiser] in dit verband aangevoerde doelstelling van de onderhavige bepalingen van de AWBZ, blijkens de door hem ook aangehaalde wetsgeschiedenis inderdaad ontleend aan artikel 7 Ziekenfondswet, die is gericht op het voorkomen van het dubbel betalen van premies, merkt het hof op dat deze bepalingen behalve voor verzekerden uiteraard ook repercussies hebben voor ziektekostenverzekeraars die hun premies op het verstrekkingenpakket van de AWBZ hebben moeten afstemmen (vgl. artikel 5a lid 2 (oud) onderscheidenlijk artikel 65 lid 2 AWBZ)."

3.5.1 Middel I keert zich tegen rov. 4.14 en rov. 4.15, weergegeven hiervoor in 3.4. Met een beroep op de wetsgeschiedenis van art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) AWBZ wordt onder meer betoogd dat de wetgever uitsluitend dubbele verzekering heeft willen voorkomen en dat hieruit volgt dat van "gelijkwaardige aanspraken" als bedoeld in deze bepalingen slechts sprake is indien en voor zover een specifieke vorm van zorg door zowel een privaatrechtelijke zorgverzekeringsovereenkomst als de AWBZ feitelijk wordt gedekt. Met het onherroepelijk worden van het besluit van 2 februari 2007 is in rechte komen vast te staan dat de door [eiser] in Zuid-Afrika genoten verslavingszorg niet wordt gedekt door de AWBZ en dus niet onder de materiële werkingssfeer van de AWBZ valt. Nu geen sprake is van een dubbel verzekerd zijn, kan evenmin worden gesproken van gelijkwaardige aanspraken in de zin van art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud).

3.5.2 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. In de toelichting op art. 5a lid 1 (oud) AWBZ (MvT, Kamerstukken II, 1987/88, 20 609, nr. 3, blz. 15) wordt verwezen naar de destijds geldende, parallelle bepaling van art. 7 lid 1 Ziekenfondswet, die inhield, samengevat, dat een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige verzorging of de kosten daarvan verviel voor zover aan deze overeenkomst rechten konden worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de verplichte ziekenfondsverzekering voortvloeiden. Deze laatstgenoemde bepaling is onder meer als volgt toegelicht:

"In het kader van de in het wetsontwerp neergelegde publiekrechtelijke verzekering dient de wet te voorzien in het doen vervallen van privaatrechtelijke verzekeringsovereenkomsten op het terrein van de voorzieningen tegen ziektekosten, wanneer iemand ingevolge de Ziekenfondswet verzekerd wordt, zulks teneinde het dubbel verzekerd zijn te ontgaan."

(MvT, Kamerstukken II, 1961/62, 6808, nr. 3, blz. 37)

3.5.3 Bij gelegenheid van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is de Ziekenfondswet ingetrokken en de AWBZ aangepast (art. 2.1.1 respectievelijk art. 3.1.1 Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet). Het verval van rechtswege van gelijkwaardige rechten uit aanvullende verzekeringen is in het nieuwe zorgstelsel gehandhaafd. De toelichting op de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet vermeldt bij het nieuwe art. 65 AWBZ:

"In het hoofdstuk dat de invloed van de verzekering op het burgerlijk recht regelt (IXa) is nu opgenomen de bepaling van voorheen artikel 5a.

Deze regelt dat overeenkomsten van ziektekostenverzekering vervallen voor zover daarin geregelde zaken onderwerp worden van de wettelijke aanspraken. Tevens moet dan verlaging van de premie en restitutie van teveel betaalde premie plaatsvinden."

(MvT, Kamerstukken II, 2004/05, 30 124, nr. 3, blz. 57)

De verplaatsing van de bepaling van art. 5a AWBZ naar (art. 65 in) het hoofdstuk van de AWBZ dat betrekking heeft op de invloed van de verzekering op het burgerlijk recht, hangt samen "met het streven om de indeling zoveel mogelijk parallel te doen zijn aan die van de Zvw" (MvT, Kamerstukken II, 2004/05, 30 124, nr. 3, blz. 44). De Zorgverzekeringswet bepaalt in art. 119 lid 1, samengevat, dat een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan vervalt voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de zorgverzekering voortvloeien. In de toelichting is onder meer opgemerkt dat deze bepaling ertoe leidt:

"dat een uitbreiding van het (...) te verzekeren pakket, van rechtswege leidt tot beperking van eventuele aanvullende verzekeringen: de in de zorgverzekeringen op te nemen prestaties vallen automatisch uit de aanvullende verzekeringen weg. Aldus wordt voorkomen dat een verzekerde voor de desbetreffende prestaties gedurende enige tijd tweemaal premie moet betalen".

(MvT, Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 3, blz. 194)

3.5.4 Zowel de oude bepalingen van art. 7 lid 2 Ziekenfondswet en art. 5a lid 3 AWBZ als de nieuwe bepalingen van art. 119 lid 2 Zvw en art. 65 lid 3 AWBZ verplichten de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte van de (aanvullende) zorgverzekering tot terugbetaling van teveel betaalde premie.

Art. 5a (oud) en art. 65 AWBZ dragen voorts in lid 2 de verzekeraar op de premie (tarieven) te verlagen zodra, aldus de MvA bij art. 5a (oud), "het op grond van de polis gedekte verzekerde pakket afneemt vanwege de omstandigheid dat vanaf enig tijdstip bepaalde rechten aan de AWBZ-verzekering kunnen worden ontleend" (Kamerstukken II, 1988/89, 20 609, nr. 6, blz. 35).

3.5.5 Over de betekenis van aanvullende verzekeringen vermeldt de toelichting op de Zorgverzekeringswet onder meer het volgende:

"De aanvullende verzekering

Bovenop het verzekeringspakket van de Zorgverzekeringswet en de AWBZ kan de verzekerde een aanvullende verzekeringsovereenkomst sluiten. In zo'n aanvullende verzekering zitten alleen die voorzieningen waarvan de regering vindt dat die voor rekening en verantwoordelijkheid van de verzekerde zelf kunnen komen. Of dergelijke voorzieningen vervolgens via een afzonderlijke aanvullende verzekering verzekerd worden, rekent de regering niet tot haar verantwoordelijkheid.

Als voor deze voorzieningen verzekeringen worden aangeboden, maakt de burger zelf de afweging of hij daar al dan niet gebruik van wil maken. Aanvullende verzekeringen zijn particuliere verzekeringen, die een verzekerde kan sluiten bij een andere of dezelfde verzekeraar als die welke de Zorgverzekeringswet uitvoert. Pakketsamenstelling, polisvoorwaarden, acceptatiebeleid en premiestelling van zo'n aanvullende verzekering behoren tot de eigen bevoegdheden van de verzekeraar die de aanvullende verzekering aanbiedt. Wettelijke voorwaarden daarover kunnen op grond van de Europese schaderichtlijnen niet worden gesteld."

(MvT, Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 3, blz. 44-45)

De toelichting op de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet vermeldt op dit punt voorts:

"Bij een eventuele keuze voor een zorgverzekering zullen veel verzekerden ook geïnteresseerd zijn in het aanbod aan aanvullende verzekeringen. Hoewel de aanvullende verzekeringen slechts een beperkt deel (...) betreffen van de kosten van curatieve zorg, hebben veel burgers immers een dergelijke verzekering afgesloten. (...)

De aanvullende verzekeringen maken per definitie geen deel uit van het wettelijke stelsel van sociale zekerheid. Er hoeft in dit verband ook geen overgangsrecht te worden opgesteld. Het is aan marktpartijen zelf, te weten de verzekeraars enerzijds en de verzekerden en eventueel hun werkgevers anderzijds, om zorg te dragen voor eventuele afspraken over aanvullende verzekeringen in het licht van de invoering van de Zvw.

Het aspect dat (...) bij de Kamerbehandeling van de Zvw ruime aandacht heeft gekregen, is de (ont)koppeling van het basispakket en de aanvullende verzekering. Aangenomen is het amendement-Heemskerk dat een beding van een verzekeraar, die een ziektekostenverzekering ter aanvulling van de zorgverzekering aanbiedt, nietig verklaart, indien dit bepaalt dat de ziektekostenverzekering eindigt zodra met of ten behoeve van de verzekerde een zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar wordt gesloten. Dit amendement is opgenomen in artikel 120 van de Zvw."

(MvT, Kamerstukken II, 2004/05, 30 124, nr. 3, blz. 13-14)

3.5.6 Uit de hiervoor in 3.5.2-3.5.5 aangehaalde wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de bepaling van art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) AWBZ overeenkomstig de parallelle bepaling van art. 119 lid 1 Zvw (art. 7 Ziekenfondswet) ertoe strekt te voorkomen dat een verzekerde dubbel premie moet betalen voor prestaties die onderwerp zijn van wettelijke aanspraken. Deze strekking blijkt ook uit de in bedoelde artikelen opgenomen verplichting tot restitutie in het geval de verzekerde door verval van aanspraken uit zijn (aanvullende) zorgverzekering teveel premie heeft betaald. Voorts kan, mede gelet op de door de wetgever beoogde "ontkoppeling" van het basispakket en de aanvullende verzekering, worden aangenomen dat het wettelijke stelsel van sociale zekerheid niet eraan in de weg staat dat burgers zich aanvullend verzekeren voor voorzieningen die in het verplichte verzekeringspakket van de Zorgverzekeringswet en de AWBZ niet zijn opgenomen. De afweging een aanvullende verzekering af te sluiten, is naar het oordeel van de wetgever aan de burgers zelf voorbehouden.

3.5.7 In de bestreden overwegingen ligt als 's hofs oordeel besloten dat de verslavingszorgaanspraak die [eiser] in beginsel had uit hoofde van de AWBZ prevaleert boven de aanspraak op vergoeding van kosten van verslavingszorg die [eiser] aan zijn aanvullende verzekering kan ontlenen en dat dit meebrengt dat laatstgenoemde aanspraak vervalt, ook voor zover deze aanspraak recht geeft op vergoeding van verslavingszorg die in het verzekeringspakket van de AWBZ niet is gedekt. Dit oordeel geeft in het licht van het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook uit de door het hof in rov. 4.14 relevant geachte passage in de wetsgeschiedenis van de AWBZ valt niet af te leiden dat art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) AWBZ strekt tot verval van het meerdere aan dekking dat een verzekerde voor een bepaalde vorm van zorg in aanvulling op het AWBZ-verzekeringspakket is overeengekomen. Waar de wetgever slechts dubbele premiebetaling heeft willen voorkomen en voorts niet heeft willen verhinderen dat burgers zich aanvullend verzekeren, moet worden geoordeeld dat de AWBZ eerst dan prevaleert en leidt tot verval van aanspraken in de zin van art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) indien een door een (aanvullende) zorgverzekering gedekte, specifieke vorm van zorg tevens onderwerp is van een uit hoofde van de AWBZ gedekte aanspraak. Nu in cassatie vaststaat dat de kosten van de door [eiser] in Zuid-Afrika genoten verslavingszorg niet worden gedekt door de AWBZ, kan in het onderhavige geval niet worden geoordeeld dat de aanspraken die [eiser] op dit punt aan zijn aanvullende verzekering kan ontlenen, ingevolge art. 65 lid 1 (art. 5a lid 1 oud) zijn vervallen. De hierop gerichte klacht van het middel treft mitsdien doel.

3.6 Het slagen van middel I brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De middelen II en III behoeven geen behandeling.

3.7 ONVZ heeft de door [eiser] gestelde dekkingsomvang van de aanvullende verzekering - te weten dat de aanvullende verzekering, anders dan de AWBZ, ook aanspraak geeft op vergoeding van de door [eiser] in Zuid-Afrika genoten verslavingszorg - niet (gemotiveerd) betwist. Met betrekking tot de hoogte van de vordering van [eiser] heeft ONVZ het hof evenwel verzocht om haar, indien het hof van oordeel mocht zijn dat ONVZ tot vergoeding van enige kosten gehouden is, alsnog in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten (memorie van antwoord onder 40). De zaak zal met het oog hierop worden verwezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 8 december 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt ONVZ in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.129,11 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is vastgesteld op 26 mei 2011 en gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 juni 2011.