Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0676

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
10/00813
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0676
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht medeplegen. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van handelen door twee of meer verenigde personen a.b.i. art. 311.1 onder 4 Sr. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen m.b.t. de deelneming door verdachte aan een criminele organisatie, zoals eveneens is bewezenverklaard, kan de bewezenverklaarde betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde evenmin worden afgeleid. De bewezenverklaring van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1498
RvdW 2011/958
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2011

Strafkamer

nr. 10/00813

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 januari 2010, nummer 20/002708-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. C.W.J. Faber en mr. S.G.E. Koumans, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en wat betreft de opgelegde straf en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op een gevoerd verweer

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 13 juli 2007 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [a-straat] gelegen pand (café) heeft weggenomen een hoeveelheid geld toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot dat pand (café) hebben verschaft door een bovenlicht van dat pand open te breken en vervolgens naar binnen te klimmen;

2. hij op 23 oktober 2007 te Beilen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan [b-straat] gelegen pand (restaurant) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig ander goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en zich daarbij de toegang tot dat pand (restaurant) te verschaffen door middel van braak met dat oogmerk, tezamen en in vereniging met zijn mededaders hebben getracht een tot dat pand (restaurant) toeganggevende deur te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 23 oktober 2007 te Steenwijk tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [c-straat] gelegen pand (café) heeft weggenomen een hoeveelheid geld, een hoeveelheid rookwaar en een aantal flessen sterke drank toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot dat pand hebben verschaft door een tot dat pand (café) toeganggevende deur open te breken;

6. hij op 25 oktober 2007 te Tegelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [d-straat] gelegen pand (café) weg te nemen enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en zich daarbij de toegang tot dat pand (café) te verschaffen door middel van inklimming, met dat oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededaders over een poort behorende bij het erf van dat pand (café) is geklommen en een rugzak over een lamp met een bewegingssensor hebben gehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7. hij op 24 oktober 2007 in de gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [e-straat] gelegen pand (café) weg te nemen enig goed van zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en zich daarbij de toegang tot dat pand (café) te verschaffen door middel van braak, met dat oogmerk, tezamen en in vereniging met zijn mededaders een tot dat pand (café) toeganggevende deur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8. hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 25 oktober 2007 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen bestaande uit [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen plegen van diefstal onder verzwarende omstandigheden (onder meer van auto's, in cafés en supermarkten)."

2.2. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9.

2.3.1. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2010 gehechte pleitnotities van de raadsvrouwe van de verdachte houden het volgende in:

"Voor zover uw College mocht oordelen, dat er voldoende bewijs voor de aanwezigheid van cliënt is bij de feiten, dan is van belang dat niet uit het procesdossier op te maken valt of er nu sprake is van medeplichtigheid of medeplegen.

Er is evenveel exclusiviteit ten aanzien van medeplegen in het dossier voorhanden als dat er is voor medeplichtigheid. Zo blijkt uit het procesdossier duidelijk dat telkens als er stops worden gemaakt bij tankstations, het observatieteam ziet dat cliënt niet alleen is. Er zijn steeds diverse, soms 2, soms 3 andere personen in de auto waarin cliënt gesignaleerd wordt aanwezig. Voorts ziet het observatieteam cliënt eenmaal als bestuurder. Uit geen enkel bewijsmateriaal wordt duidelijk of de opzet van cliënt gericht was op het feit behulpzaam te zijn bij een strafbaar feit of dat de opzet van cliënt gericht was op het plegen van een strafbaar feit. Is er sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking, dat van medeplegen gesproken kan worden? Of was cliënt enkel behulpzaam bij?

Dit valt niet eenduidig uit het dossier op te maken en derhalve kan niet bewezen worden dat cliënt de opzet had om de hem ten laste gelegde feiten mede te plegen, zodat ook op die grond vrijspraak ten aanzien van alle bovengenoemde feiten bepleit wordt."

2.3.2. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Met betrekking tot het verweer over medeplegen dan wel medeplichtigheid oordeelt het hof dat uit het geheel van de bewijsmiddelen met betrekking tot de afzonderlijke feiten en die met betrekking tot de bewezen verklaarde criminele organisatie blijkt van een nauwe en intensieve samenwerking in de zin van voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid tijdens het delict en het zich niet distantiëren daarvan.

Het verweer wordt mitsdien - in al zijn onderdelen - verworpen."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt onder meer dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde "medeplegen" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

3.2. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van handelen door twee of meer verenigde personen als bedoeld in art. 311, eerste lid onder 40, Sr. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie, zoals onder 8 is bewezenverklaard, kan de bewezenverklaarde betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde evenmin worden afgeleid. Met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 juli 2011.