Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0473

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10/02283
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0473
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8046, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Artikel 15aj, lid 3, Wet Vpb 1969. Ontvoeging van een dochtermaatschappij in het zicht van haar liquidatie. Bedrijfswaarde van een schuld.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15aj
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1429 met annotatie van Ligthart
JOR 2011/280 met annotatie van mr. A.J. Tekstra
FutD 2011-1349
V-N 2011/27.13 met annotatie van Redactie
V-N 2011/29.21 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2011/13_14.4
BNB 2011/221 met annotatie van R.J. DE VRIES
Ondernemingsrecht 2011/111 met annotatie van H. Koster
JONDR 2011/483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/02283

10 juni 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2010, nr. 09/00091, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/4680) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 maart 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een aantal met haar in een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) gevoegde dochtervennootschappen, waaronder A B.V. (hierna: A BV). A BV heeft grote verliezen geleden.

3.1.2. Op 15 december 2004 heeft één van de schuldeisers het faillissement van A BV aangevraagd. Dat verzoek is op 9

februari 2005 ingetrokken. De onderneming van A BV is per 15 januari 2005 gestaakt. Op 18 februari 2005 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch aan A BV voorlopig surséance van betaling verleend. Op 24 februari 2005 heeft de rechtbank de voorlopige surséance van betaling ingetrokken en A BV failliet verklaard. De curator heeft vervolgens de boedel te gelde gemaakt.

3.1.3. Bij beschikking van 10 maart 2005 is op verzoek van belanghebbende en A BV de fiscale eenheid tussen belanghebbende en A BV per 1 januari 2005 verbroken.

3.1.4. Voor het Hof was in geschil of bij de ontvoeging van A BV artikel 15aj, lid 3, van de Wet van toepassing is.

3.2. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft daartoe geoordeeld - zich aansluitend bij de oordelen van de Rechtbank - dat (a) liquidatie een ruim materieel begrip is dat alle uitvoering omvat die volgt na ontbinding krachtens besluit (artikel 2:19, lid 1, letter a, BW) of wegens insolventie (artikel 2:19, lid 1, letter c, BW), (b) dat op het ontvoegingstijdstip de kans op een akkoord ter voorkoming van een ontbinding en een vereffening zo laag moet worden geschat dat een in liquidatie treden van A BV op dat tijdstip onvermijdelijk was en (c) dat het gelet op de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest om bij ontvoeging van een dochter in het zicht van liquidatie de schulden van de te ontvoegen dochter te stellen op de waarde die in het economische verkeer aan de tegenover die schuld staande vordering kan worden toegekend.

3.3.1. Het eerste middel keert zich tegen het hiervoor in 3.2, onder a, vermelde oordeel. Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 9.7, 9.8, 9.9, 9.10 en 9.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.3.2. Middel 2, dat met motiveringsklachten opkomt tegen het hiervoor in 3.2, onder b, vermelde oordeel, faalt eveneens. Het oordeel van het Hof kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

3.3.3. Middel 3 klaagt over het hiervoor in 3.2, onder c, vermelde oordeel. Ook dit middel faalt. Mede in het licht van het door de Advocaat-Generaal in onderdeel 8.2 van de conclusie aangehaalde citaat uit de Tweede Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 8 (Tweede NvW), p. 10) dient onder bedrijfswaarde te worden verstaan de aan de tegenover de schuld staande vordering toe te kennen bedrijfswaarde.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.