Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0049

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
09/03904
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0049
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht. Bewezenverklaarde periode kan niet worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/882
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2011

Strafkamer

nr. 09/03904

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 8 september 2009, nummer 24/000960-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overijssel, locatie Zwolle" te Zwolle.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur is door mr. Spong een vierde middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat onder 4 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 01 december 2007 in de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland, telkend opzettelijk heeft verkocht en verstrekt aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3], dealers- en/of gebruikershoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

5. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 16 december 2007 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"(feit 4) De laatste tijd gebruik ik weer dagelijks cocaïne. U moet dan denken aan ongeveer twee gram per dag. Het laatste jaar kocht ik altijd van [verdachte]. Ik ken hem ook als [verdacht], [verdachte] en [verdachte]. U toont mij nu een foto van een man. Dit is [verdachte]. Ik ging vaak naar zijn huis aan [a-straat]. Ik betaalde hem contant. Hij had de drugs dan vaak verstopt onder een plank in de vloer. [Verdachte] had altijd grotere hoeveelheden in huis. Ik bedoel dan kilo's. Ik heb dit zelf gezien."

11. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"(feit 4 en 5) Op l december 2007 werd na verleende machtiging door de rechtercommissaris en onder leiding van de officier van justitie mr. H.J. Timmer de woning, waar verdachte [verdachte] stond ingeschreven, perceel [a-straat 1] te Zwolle, doorzocht.

Lijst van inbeslaggenomen goederen:

zak met poeder, wit van kleur; zak met poeder, crèmekleurig, aluminium blok, weegschaaltje, bord en glas met poeder, plastic zak, metalen pennen, metalen steun/gewicht."

12. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

"(feit 4 en 5) Op verzoek van rechercheur [verbalisant 3] van de politie IJsselland, district Midden, heb ik, verbalisant, op vrijdag 7 december 2007, foto's bekeken van metalen onderdelen en een roestvrij stalen metalen blok met cilindervormige gaten, welke op vrijdag, 1 december 2007, in een woning aan het [a-straat 1] te Zwolle onder meer in beslag genomen zijn.

Op foto 1 en foto 2 zijn ijzeren mallen zichtbaar. Bij foto l zijn de mallen los zichtbaar. Bij foto 2 zijn de mallen in elkaar geschoven. Bij mij, verbalisant, is ambtshalve bekend dat soortgelijke ijzeren mallen worden gebruikt om cocaïne, al dan niet versneden, samen te persen. Gezien de afmetingen betreft dit hele en halve kiloverpakkingen in vierkante blokvorm.

De foto's 3 en 4 tonen een roestvrijstalen blok uit twee delen, met 10 cilindervormige gaten en een aantal metalen staven. Bij elkaar vormen deze onderdelen een zogenaamde "Bolita"-pers om cocaïne in de vorm van bolletjes te persen. Bolita's worden ook wel slikkerbolletjes genoemd. Deze bolletjes kunnen door slikkers vervoerd worden in hun lichaam."

3.3. Aangezien de bewezenverklaring onder 4, voor zover behelzende dat de verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 december 2007 dealers- en/of gebruikershoeveelheden cocaïne heeft verkocht en verstrekt aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3], niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 28 juni 2011.