Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BQ0002

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10/02597
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek tot wijziging van in echtscheidingsconvenant vastgestelde partner- en kinderalimentatie, en tot vernietiging van beding van niet-wijziging als bedoeld in art. 1:159 BW. Hof heeft devolutieve werking appel miskend door, na vernietiging beschikking rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie, niet alsnog het subsidiaire verzoek van de man (tot nihilstelling van de kinderalimentatie) te beoordelen. Bij de in art. 1:400 lid 1 BW neergelegde voorrangsregel is de wetgever kennelijk ervan uitgegaan dat de diverse alimentatieverplichtingen op elkaar worden afgestemd met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de voorrang van de kinderalimentatie en de draagkracht van de alimentatieplichtige. Nu deze afstemming niet heeft kunnen plaatsvinden, rechtvaardigt de voorrangsregel niet dat een gemotiveerd subsidiair verzoek als hier bedoeld, bij gebrek aan belang buiten behandeling wordt gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 159
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 400
Burgerlijk Wetboek Boek 1 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/113 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
RvdW 2011/778
NJB 2011, 1342
RFR 2011/110
NJ 2011/502 met annotatie van L.C.A. Verstappen
FJR 2012/32 met annotatie van I.J. Pieters
JWB 2011/322
FJR 2015/11.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2011

Eerste Kamer

10/02597

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 152766/08-4450 van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2009;

b. de beschikking in de zaak 200.036.973/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2010.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van de in cassatie bestreden beslissing, met verwijzing van de zaak naar een ander hof en met compensatie van kosten, op de in zaken als deze gebruikelijke voet.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 8 april 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn gewezen echtelieden. In een op 27 november 2006 ondertekend echtscheidingsconvenant, dat is tot stand gekomen onder begeleiding van een advocaat-mediator die ook het convenant heeft opgesteld, zijn onder meer de bedragen vastgesteld die de man dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, en tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook tezamen: de alimentatie, en afzonderlijk achtereenvolgens: de kinderalimentatie en de partneralimentatie). In art. 3 van het convenant is een beding van niet-wijziging opgenomen als bedoeld in art. 1:159 BW. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2007 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts onder meer de man veroordeeld tot betaling van de in het convenant vastgestelde bedragen aan kinderalimentatie en partneralimentatie.

3.2.1 In dit geding heeft de man wijziging gevraagd van zowel de kinderalimentatie als de partneralimentatie waartoe hij door de rechtbank is veroordeeld. Hij voerde daartoe aan dat de alimentatie van de aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven, althans door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan die maatstaven. Hij heeft tevens vernietiging gevorderd van het voormelde beding van niet-wijziging op grond van dwaling, en heeft gesteld dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid door de vrouw niet aan dat beding kan worden gehouden. Voor het geval de partneralimentatie niet zou worden gewijzigd, heeft hij subsidiair verzocht de kinderalimentatie op nihil te stellen, bij gebrek aan draagkracht.

3.2.2 De rechtbank heeft het beding van niet-wijziging vernietigd op de daartoe de door de man aangevoerde grond. Zij heeft zowel de kinderalimentatie als de partneralimentatie gewijzigd vastgesteld.

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd ten aanzien van de kinderalimentatie, maar deze vernietigd wat betreft de partneralimentatie.

In zoverre opnieuw rechtdoende, wees het de door de man verzochte wijziging van de hoogte van de alimentatie af. Het hof motiveerde dit oordeel, kort samengevat, aldus dat het beroep van de man op dwaling ten aanzien van het beding van niet-wijziging moet worden verworpen en dat tussen de hoogte van de alimentatie, berekend naar de wettelijke maatstaven, en de in het convenant overeengekomen partneralimentatie, niet een volkomen wanverhouding bestaat.

3.3 Onderdeel I van het hiertegen aangevoerde middel stelt terecht dat het hof aldus de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Nu het hof de beschikking van de rechtbank heeft vernietigd ten aanzien van de partneralimentatie, diende het ten aanzien van de kinderalimentatie alsnog het hiervoor in 3.2.1 vermelde subsidiaire verzoek van de man te beoordelen. Het hof heeft dit verzuimd, en aldus van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.

3.4 De vrouw heeft aangevoerd dat het hof dit subsidiaire verzoek terecht buiten behandeling heeft gelaten, gelet op de in art. 1:400 lid 1 BW toegekende voorrang van alimentatieplichten ten opzichte van kinderen. Dit verweer, dat ertoe strekt dat de man geen belang heeft bij de klacht van onderdeel I, faalt.

Al aangenomen dat het hof zich inderdaad - stilzwijgend - om de door de vrouw aangevoerde reden van een beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man heeft onthouden, is zijn beslissing immers in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd. De wetgever is bij het opstellen van de voorrangsregel waarop de vrouw zich beroept, kennelijk ervan uitgegaan dat de diverse alimentatieverplichtingen op elkaar worden afgestemd met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de voorrang van de kinderalimentatie en de draagkracht van de alimentatieplichtige. Nu deze afstemming in het onderhavige geval niet heeft kunnen plaatsvinden, rechtvaardigt de voorrangsregel niet dat een gemotiveerd subsidiair verzoek als hier bedoeld, bij gebrek aan belang buiten behandeling wordt gelaten.

Het slagen van onderdeel I, en van onderdeel III, voor zover het op onderdeel I voortbouwt, moet dus tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

3.5 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2010;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 juni 2011.